Page content

Menstruatiecyclus door de eeuwen heen

Menstruatiecyclus door de eeuwen heen

1

Katholieke Universiteit Leuven

Faculteit Letteren

Subfaculteit Geschiedenis

Schaamrood

De ervaring van menstruatie

bij katholieke Vlaamse vrouwen (1920-1960)

Promotor: Prof. Dr. Kaat Wils Verhandeling aangeboden

Copromotor: Prof. Dr. Leen Van Molle door KIM VANCAUWENBERGHE

tot het behalen van de graad

van licentiaat in de

Geschiedenis

Leuven 2007

2

3

INHOUDSTAFEL

INHOUDSTAFEL ……………………………………………………………………………………………………………3

VOORWOORD ……………………………………………………………………………………………………………….5

INLEIDING ……………………………………………………………………………………………………………………7

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN…………………………………………………………………….13

Deel 1: Wat men wist of dacht te weten over menstruatie: het cognitieve aspect …………………….15

1/ Geschiedenis van de (kennis van) menstruatie …………………………………………………………..15

2/ Seksuele Voorlichting …………………………………………………………………………………………….25

2.1 Seksuele voorlichting in Vlaanderen…………………………………………………………………..25

2.2 Rosette’s verhaal………………………………………………………………………………………………33

2.3 “Het was alsof dat niet bestond”…………………………………………………………………………34

Deel 2: Wat men vertelde over menstruatie: het communicatieve aspect………………………………..49

1/ Taboe-onderwerp …………………………………………………………………………………………………..49

1.1 Rilke’s verhaal …………………………………………………………………………………………………49

1.2 “We waren daar eigenlijk erg bedekt over” …………………………………………………………..50

2/ Menstruatietaboe(s) ………………………………………………………………………………………………..56

2.1 Menstruerende vrouwen voedsel niet laten aanraken…………………………………………….57

2.2 Verbod op seks ………………………………………………………………………………………………..61

2.3 Kerkgang………………………………………………………………………………………………………..72

2.4 Waarom bestaan menstruatietaboes?…………………………………………………………………..76

Deel 3: Wat men kon gebruiken voor menstruatie: het materiële aspect …………………………………79

1/ Geschiedenis van het maandverband………………………………………………………………………..79

2/ Geschiedenis van de tampon ……………………………………………………………………………………86

3/ Van in de winkel tot in de onderbroek ………………………………………………………………………89

3.1 Yvette’s verhaal ……………………………………………………………………………………………….89

3.2 Maandverband kopen ……………………………………………………………………………………….90

3.3 “Goed verpakken en wegmoffelen” ……………………………………………………………………94

3.4 Wassen van het lichaam en wassen van de maandverbanden…………………………98

BESLUIT ……………………………………………………………………………………………………………………105

BIBLIOGRAFIE …………………………………………………………………………………………………………..111

1/ Mondelinge bronnen …………………………………………………………………………………………….111

2/ Schriftelijke bronnen …………………………………………………………………………………………….115

3/ Internet ……………………………………………………………………………………………………………….115

4/ Literatuur……………………………………………………………………………………………………………116

LIJST VAN AFBEELDINGEN………………………………………………………………………………………123

4

5

VOORWOORD

Voor de aanvang van deze thesis dacht ik m’n eigen grootmoeder goed te kennen. Ze stapt als

een hippe, opgewekte oma door het leven. Door de verhalen van haar en haar tijdgenoten leerde

ik echter steeds beter de wereld kennen waarin zij is opgegroeid en kwam ik stilaan tot het besef

dat deze niet te vergelijken is met de onze. Ik dank mijn grootmoeder omdat ze altijd klaar was

mijn vele vragen te beantwoorden toen ik haar belde tijdens het schrijven aan deze thesis en om

vriendinnen van haar te vragen zich door mij te laten interviewen. Ik draag dan ook deze thesis

op aan mijn grootmoeder.

Samen met haar dank ik ook de vijftien vrouwen die ik geïnterviewd heb. Zonder hen zou deze

thesis nooit geworden zijn wat ze is. Ik bedank elk van deze vrouwen oprecht voor hun openheid

om over dit niet evidente onderwerp te praten. Zij brachten voor mij de literatuur die over dit

onderwerp handelde tot leven.

Vervolgens een woord van dank aan mijn promotoren, die me er steeds aan herinnerden mijn

eigen schrijfsels kritisch te bekijken.

Ik dank ook mijn ouders en broer, wiens morele en financiële steun mij enorm geholpen hebben

om deze studies tot een goed eind te volbrengen.

Tenslotte mag ik mijn vrienden niet vergeten, die me er vaak aan herinnerd hebben dat er meer is

in het leven van een laatstejaarsstudente dan een thesis alleen. Ik bedank mijn verre

erasmusvrienden uit Spanje en Frankrijk en mijn dichte vrienden en kotgenoten uit Leuven. Ik

ben hen dankbaar voor de ontspanning tussen de alinea’s door, voor de hulp bij het zoeken naar

respondenten, voor het bedenken van goede en volledig foute titels, voor de correcties, voor het

luisterend oor en voor de morele steun.

Tenslotte gaat mijn dank uit naar al wie oprechte interesse heeft getoond voor dit onderwerp en

wiens oma ik met plezier heb geïnterviewd.

6

7

INLEIDING

“Over menstruatie?” werd me telkens weer vol verbazing en ongeloof gevraagd als men polste

naar het onderwerp van mijn thesis. Na die uiting van verwondering volgde steevast de vraag:

“Maar jij studeert toch geschiedenis?” Inderdaad, ik beken: ik ben een laatstejaarsstudente

Moderne Geschiedenis wiens thesis handelt over menstruatie, meer bepaald de ervaring van

menstruatie bij vrouwen geboren in de eerste helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen.

De centrale vraag in deze thesis is die naar de manier waarop tieners en volwassenen in de jaren

dertig tot zestig met het maandelijks bloedverlies omgingen in een individuele en sociale context.

Om dit te achterhalen wordt met twee dimensies rekening gehouden. Enerzijds wordt nagegaan

hoe vrouwen in een ruimtelijk kader menstruatie ervoeren wanneer zij de vertrouwde omgeving

van thuis verlieten en zich in de openbare sfeer begaven. Anderzijds wordt een tijdskader

gereconstrueerd. Op die manier wordt nagegaan hoe Vlaamse vrouwen in de eerste helft van de

twintigste eeuw de menarche beleefden en of die verschilde van die waarmee zij hun dochters

lieten opgroeien. Menstruatie wordt in dit onderzoek in het breder kader seksualiteit geplaatst. Er

wordt aandacht besteed aan de invloed die opvoedkundige, religieuze, vriendschappelijke, en

medische kringen hadden op de omgang met het menstruerende lichaam.

Er wordt getracht een inzicht te verkrijgen in een mentaliteit op vlak van menstruatie, en breder

opgevat seksualiteit. Daarom is hier niet geopteerd voor de klassieke keuze van een studie op

basis van geschreven bronnen.Voor het bronnenonderzoek van deze thesis ligt de nadruk op

mondelinge getuigenissen. Deze mondelinge bronnen zijn vijftien katholieke Vlaamse vrouwen

die bereid waren met mij te praten over hun ervaringen met menstruatie. De jongste vrouw werd

geboren in 1947, de oudste in 1918. Omdat elk onderzoek begrensd moet worden, is hier voor

een afbakening gekozen van respondenten die vóór 1950 geboren zijn. Deze tijdgenoten hebben

gemeen dat zij opgroeiden en volwassen werden in een tijd waarbij nieuwe levensaspecten het

licht zagen. Vrouwen hebben dezelfde discontinue veranderingen meegemaakt: zij hebben auto’s

zien verschijnen in de straten, lieten wasmachines letterlijk het werk uit handen nemen, zagen

plots het leven buiten de dorpskern via de beeldbuis, ontdekten de pil als anticonceptiemiddel,

schakelden over van uitwasbare maandverbanden op wegwerpmaandverbanden, etc. Een verdere

8

afbakening is de nadruk op de plaats die menstruatie innam in de Vlaamse samenleving bij

katholieke vrouwen. Vrouwen moesten voor de mondelinge getuigenissen van deze verhandeling

ouder dan 60 en katholiek zijn. Sommige gecontacteerde vrouwen wensten niet geïnterviewd te

worden over een intiem onderwerp als menstruatie, een onvermijdelijk gevolg van de keuze

onderzoek te verrichten naar een taboe-onderwerp. “To talk of menstruation in contemporary

Western culture is to articulate its secretive, emotionally laden, and shame-filled aspects,”

betoogt Janet Lee.1 Gemakkelijker om bereidwillige respondenten te vinden, werd het wanneer ik

de dame in kwestie rechtstreeks of onrechtstreeks kende. Via het sneeuwbaleffect verzamelde ik

zo vijftien bereidwillige respondenten. Ik vroeg enkele vrienden en kennissen van me of hun oma

bereid zou zijn geïnterviewd te worden door mij. Deze grootmoeders hielpen mij soms verder aan

een kennis die op haar beurt bereid was met mij over dit onderwerp te praten. Drie respondenten

komen uit Oost-Vlaanderen, elf uit West-Vlaanderen. Eén vrouw is opgegroeid in Wallonië en

naar West-Vlaanderen verhuisd toen ze huwde. Omdat gepoogd werd een micro-perspectief tot

stand te brengen over vrouwen en hun ervaring met menstruatie, leek een regionale

verscheidenheid niet van belang. Het gaat immers om een blik in de leefwereld van de

menstruerende Vlaamse vrouw, meer dan om een vergelijking van die leefwereld in Vlaamse

regio’s.

Een voordeel van het werken met mondelinge bronnen is dat ze zaken aan het licht laat brengen

die in het verleden vaak te onbelangrijk, te banaal of te intiem werd bevonden om opgeschreven

te worden. Door mijn respondenten over deze zaken te ondervragen, won ik informatie die in

geen enkele of in weinig geschreven bronnen te vinden waren. Ik merkte dat aspecten uit hun

dagelijks leven me volledig onbekend waren en ook in de literatuur onbehandeld bleven.

Mondelinge geschiedenis is echter niet enkel interessant daar waar geschreven bronnen tekort

schieten. Meer dan een supplementaire vorm van informatie, werd in dit onderzoek van

mondelinge geschiedenis gebruik gemaakt als primaire bron. “Door te zoeken hoe de mens aan

zijn leven en gevoelens gestalte heeft gegeven, zal de historicus meer belangstelling krijgen voor

andere dan de traditionele bronnen. Het gaat essentieel om belevingen, ervaringen, handelingen

1 LEE, J., ‘Menarche and the (hetero)sexualization of the female bodsy’, DANK, B. en REFINETTI, R. red., The

politics of sexuality (Sexuality and culture, 3), Londen, 2000, 85.

9

en meningen van mensen die hun bestaan in heden en verleden uitmaken”2 Ik merkte doorheen

mijn onderzoek hoe waardevol deze “mondelinge bronnen” zijn. Naast feitelijkheden die door

geschreven bronnen nergens vermeld worden kunnen mondelinge getuigenissen veel prijsgeven

over de betekenis die aan bepaalde gebeurtenissen werd toegekend. Door middel van interviews

kon ik op het spoor komen welke de toenmalige denkbeelden waren over het omgaan met

menstruatie en seksualiteit en in hoeverre deze veranderd zijn naarmate men ouder werd.

Iedere historische methode brengt specifieke methodologische problemen met zich mee. Dit is

niet anders bij mondelinge bronnen. Oral history kreeg van bij zijn start kritiek te verduren. Met

getuigenissen van personen dient voorzichtig omgegaan te worden. Elk individu heeft de

werkelijkheid op een andere manier beleefd, en herbeleeft die wanneer hij of zij er wordt over

ondervraagd. Die herbeleving is een hertekening en soms ook een vertekening van de

werkelijkheid. Het geheugen werkt selectief en vervormend. Die selectiviteit kan worden

gestimuleerd door de ondervrager. Bij mondelinge bronnen is het door de interactie tussen

ondervrager en ondervraagde dat het verleden gereconstrueerd wordt. Om de mondelinge

getuigenis zo rijk mogelijk te maken, moet worden getracht de kloof tussen beide partijen te

dichten. Wanneer in dit onderzoek de ondervrager een man was geweest, dan waren de

respondenten waarschijnlijk minder open geweest aangezien het een intiem onderwerp betrof.

Tegenover iemand van dezelfde sekse die het onderwerp ook zelf maandelijks beleefde, waren zij

openhartiger in hun antwoorden. De kloof werd verder gedicht doordat ik als ondervrager

hetzelfde dialect sprak als mijn respondenten. De leeftijdskloof die bij sommige respondenten

opliep tot 67 jaar, lijkt op het eerste zicht een nadeel. Deze zorgde er echter voor dat de

respondenten soms meer uitleg gaven dan ze zouden gedaan hebben aan leeftijdsgenoten.

Aangezien heel wat zaken uit hun leefwereld voor mij ongekend zijn, vertelden zij spontaan hoe

deze eruit zagen of in zijn werk gingen zodat dat ik me er een beeld van kon vormen. Toen mijn

respondenten uitlegden hoe de stoffen maandverbanden er uit zagen begonnen zij dat allen

spontaan uit te beelden, omdat ze terecht veronderstelden dat ik die nog nooit gezien had.

Het geheugen vervormt vaak ook de herinnering. Voor mij is het onmogelijk te achterhalen welke

waarheid achter de verhalen van mijn respondenten zit. Meer dan na te gaan of wat de

2 TOLLENEER, J., Mondelinge geschiedenis en documentaire informatie. Een terreinverkennende studie,

10

geïnterviewde vrouwen beweren wel echt is gebeurd, is belangrijker te achterhalen welke de

meest betekenisvolle gebeurtenissen in verband met menstruatie zij spontaan ter sprake brengen.

Bij twijfel aan de historische correctheid van vertelde feiten raadpleegde ik trouwens zoals de

historische kritiek het beaamt andere historische bronnen.

Op basis van deze interviews, maar ook van geschreven bronnen en werken heb ik gepoogd een

beeld te schetsen van de ervaringen die vrouwen geboren tussen 1925 en 1950 in Vlaanderen met

menstruatie hadden. Om dit beeld te creëren toetste ik hun verhalen aan bronnen en werken.

Voorlichtingsboeken uit de eerste helft van de twinigste eeuw, als die van Zedenadel, Maria

Schouwenaars en verschillende artsen vormden de voornaamste geschreven bronnen voor deze

verhandeling.3 De literatuur die over menstruatie handelt, focust vooral op de menstruatietaboes

die aanwezig zijn of waren in verschillende culturen. Antropologen hebben vele decennia lang

rijke beschrijvingen van riten en taboes verzameld en neergeschreven en doen dat nog steeds.

Ook voor het fenomeen menstruatie werd dit gedaan. Gottlieb en Buckley nemen met Blood

magic. The anthropology of menstruation het voortouw om af te stappen van vroegere

interpretaties van deze gebruiken als was hun bestaansreden enkel terug te brengen op het willen

onderdrukken van vrouwen. Vooral het voorbeeld van de menstruatiehutten wordt vaak

aangewend in deze ongenuanceerde visies op menstruatietaboes. Een historisch werk dat volledig

gewijd is aan menstruatie is dat van Hering en Maierhof, Die unpäßliche Frau. Socialgeschichte

der Menstruation und Hygiene 1860- 1985.4 Voor interessante literatuur over menstruatie moest

echter dieper gegraven worden in historisch-medische literatuur over de omgang met het lichaam,

theologische literatuur over religieuze achtergrond in hun visie op menstruatie, en algemeen

historische literatuur over diverse thema’s die de tijdsgeest van het begin en het midden van de

twintigste eeuw uitdiepten.

De grootste leegte aan informatie over menstruatie is over menstruatieproducten vóór Kotex, het

eerste succesvolle wegwerpmaandverband uit 1920. Door de schaarse informatie die wel

voorhanden was, samen te rapen kon ik uiteindelijk een beeld schetsen wat vrouwen voor 1920

Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, departement documentatie- en bibliotheekwetenschap, Leuven, 1985, 42.

3 COX, P., Puberteit (Huwelijk en Huisgezin), Antwerpen, 1942; SCHOUWENAARS, M., Kiesche waarheid voor

ouder en opvoeders, s.l. 1947. Voor andere voorlichtingsboeken: zie referentielijst.

4 HERING, S. en MAIERHOF, G., Die unpäßliche Frau. Socialgeschichte der Menstruation und Hygiene 1860-

1985, Pfaffenweiler, 1991.

11

gebruikten als menstruatieproducten. Erg interessant was de verhandeling Menstrual technology

in the United States 1854-1921 van Laura Kidd, die een onderzoek naar patenten heeft verricht

die in die tijdsspanne aan menstruatieproducten werden toegekend.5 De website www.mum.org is

een website van het MUseum of Menstruation. Het museum is ondertussen gesloten maar de

curator van dit museum heeft op zijn website foto’s van de collectie oude tampons en

maandverbanden verzameld. Hoewel niet wetenschappelijk onderbouwd, biedt zijn verzameling

aan menstruatieproducten toch een schat aan informatie voor de geschiedenis van deze producten.

Voor dit onderzoek is vooral gesteund op bronnenonderzoek dat verricht is in de Verenigde

Staten. In België en Nederland is jammergenoeg nog geen grote studie verricht over

menstruatieproducten.

Voor het verwerken van het getranscribeerde interviewmateriaal en de literatuur in een

doorlopende tekst is gekozen voor een thematische opbouw. Deze verhandeling bestaat uit drie

delen, die telkens een ander aspect van de beleving van menstruatie oplichten. Het eerste

hoofdstuk gaat verder in het verleden terug gaan om te onderzoeken welke kennis vanaf het begin

van de geneeskunde over menstruatie bestond en hoe deze evolueerde naar het inzicht dat in de

twintigste eeuw verworven is. Om de oorsprong van nog steeds gangbare opvattingen over

menstruatie te verklaren, is tot bij de Grieken teruggegaan en is het aandeel van de katholieke

kerk niet vergeten. Verder wordt in dit eerste hoofdstuk nagegaan of die kennis uit de geleerde

wereld ook werd overgebracht in Vlaamse huiskringen. Hendrik Conscience leerde zijn volk

lezen, maar wie heeft hen seksueel voorgelicht? Wisten meisjes in de eerste helft van de

twintigste eeuw wat hen overkwam als ze menstrueerden?

Het communicatieve aspect beslaat het tweede hoofdstuk van deze thesis. In hoeverre vormde

menstruatie een gespreksonderwerp? Welke gebruiken bracht menstrueren met zich mee in het

dagelijks leven van de vrouw tot de jaren zestig? Zijn menstruatietaboes als het uitstellen van het

maken van mayonaise tot na de regels een typisch Vlaams fenomeen? Wat is hun betekenis? Er

wordt onderzocht wat de rol van de kerk was in het verspreiden van dergelijke taboes en welke

invloed zij hadden op het seksueel leven van zijn gelovigen tot het midden van de twintigste

eeuw.

5 KIDD, L., Menstrual technology in the United States 1854-1921, onuitgegeven licentiaatsverhandeling,

12

In het derde hoofdstuk wordt onderzocht hoe vrouwen praktisch omgingen met het maandelijks

bloedverlies. Welke middelen stonden hiervoor tot hun beschikking? De geschiedenis van het

maandverband en de tampon komt aan bod, om zo op het spoor te komen welke middelen mijn

respondenten gebruikten en hoe die zijn geëvolueerd sinds het begin van hun bestaan. Daarna

wordt de weg onderzocht die een maandverband aflegt van de winkel tot in het ondergoed.

departement filosofie, Iowa, 1994.

13

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN

ACW: Algemeen Christelijk Werkliedenverbond

BET: betekenis (van een dialectwoord)

BGJG: Bond van Grote en Jonge Gezinnen

BVSV: Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting

BJB: Boer(inn)enjeugdbond

KAV: Katholieke Arbeidersvrouwengilden

KLJ: Katholieke Landelijke Jeugd

KBJ: Katholieke Burgers- en middenstandsjeugd

SVV: Socialistische Vooruitziende Vrouwen

VKBJ: Vrouwelijke Katholieke Burgers- en middenstandsjeugd

14

15

Deel 1: Wat men wist of dacht te weten over menstruatie,

het cognitieve aspect

1/ Geschiedenis van de (kennis van) menstruatie

De vraag waarom vrouwen menstrueren hebben artsen eeuwenlang trachten te beantwoorden.

Reeds vanaf de oudheid zochten geneesheren een rationeel antwoord ter vervanging van de

mythische of bovennatuurlijke verklaringen die gegeven werden. Ook de christelijke wereld

probeerde dit te verhelderen en tastte af hoe met menstruerende vrouwen moest worden

omgegaan. Gangbare opvattingen over het vrouwelijke en menstruerende lichaam gingen hand in

hand met de visie op de vrouw in de maatschappij. Doorheen de eeuwen werd de kennis over

menstruatie steeds groter. Ook het gangbare beeld van de vrouw werd daardoor aangepast. Toch

werd pas in de negentiende eeuw het verband ontdekt tussen menstruatie en vruchtbaarheid.

De eerste pogingen om menstruatie op een natuurwetenschappelijke wijze te verklaren, werden

door de Grieken en Romeinen gerealiseerd. De inzichten van klassieke artsen werden gedurende

lange tijd onweerlegbaar geacht. Voor hun medische verklaringen maakten zij gebruik van de

oude Griekse humorenleer, die nog tot het midden van de twintigste eeuw medische inzichten zou

beïnvloeden. De humorenleer was gebaseerd op de elemententheorie van Empedocles van

Agrigentum die in de vijfde eeuw voor Christus verklaarde dat alles wat bestond, opgebouwd was

uit de vier elementen aarde, water, lucht en vuur. Waarschijnlijk was het Hippocrates die deze

elementen heeft verbonden met het bestaan van humoren.6 Deze algemeen verspreide en

gebruikte medische theorie beschouwde het lichaam als bestaande uit lichaamsvochten of

humoren, nl. gele gal, zwarte gal, bloed en slijm. Wilde het lichaam in een gezonde toestand

verkeren, dan hoorden deze lichaamssappen in een evenwicht te verkeren. Deze vloeistoffen

konden in kwantiteit variëren naargelang de leeftijd, het dieet en de levensstijl van zijn drager.

Een kuur of aangepast dieet was in staat genezing in de hand te werken wanneer de balans van de

lichaamsvochten verstoord was. Vele antieke geneesheren hebben deze leer gebruikt of aangepast

aan hun eigen ondervindingen.7

6 Dit is echter niet met zekerheid op te maken uit de voor handen zijnde literatuur. In veel werken worden

tegenstrijdige verklaringen gegeven voor het ontstaan van de humorenleer.

7 VANDENBERGHE, A., Lijden, ziekte en genezing. Visies van predikanten en artsen (1693- 1868), Onuitgegeven

licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, departement geschiedenis, 1999, 76.

16

De Griekse arts Hippocrates staat bekend als de vader van de geneeskunde omdat hij in de vijfde

eeuw voor Christus als eerste natuurlijke oorzaken voor ziekten zocht in plaats van

bovennatuurlijke. In het corpus Hippocraticum, een verzameling van een zeventigtal werken die

aan Hippocrates worden toegeschreven maar niet allemaal van zijn hand zijn, staan ook klassieke

ideeën over menstruatie. Hippocrates, of althans het corpus Hippocraticum, verkondigde dat een

vrouw door de samenstelling van haar humoren van nature uit kouder en vochtiger was dan de

man. Zij verbruikte immers minder energie dan een man, waardoor zij meer vocht absorbeerde

uit voedsel dan een man. Dat teveel aan vocht werd opgelost door een maandelijkse reiniging; de

menstruatie verloste de vrouw dus van een teveel aan bloed in haar lichaam. Mannen konden

door hun warm temperament het vocht verwijderen uit hun lichaam via zweet. Wanneer de

menstruatie uitbleef zou het teveel aan bloed in het vrouwelijke lichaam dit normaliter verlaten

via een andere weg. Net zoals er vier humoren bestonden, waren er ook vier plaatsen waarlangs

de humoren uit het lichaam werden gescheiden: de mond (bloed hoesten), de neusgaten (een

bloedneus), de anus en de urinebuis. Wanneer dit niet gebeurde en het bloed zich bleef ophopen

in het lichaam kon dit ontaarden in ziekte en in extreme gevallen zelfs de dood. Daarom werd een

teveel aan bloed of het uitblijven van menstruatie verholpen met aderlatingen. Ook omgekeerd

gold hetzelfde principe: bloed ophoesten zou stoppen wanneer de maandstonden doorkwamen.

Purgeren en een regulerend dieet konden eveneens een overvloed aan één van de humoren

oplossen.8

Vrouw zijn werd door Hippocrates gelijk gesteld aan menstrueren. Een vrouw die niet

menstrueerde, was nog niet volwassen, was ziek, of oud. In Griekse termen was een vrouw

volwassen vanaf ze haar eerste kind had gebaard. De menarche was nog maar het begin van het

proces van volwassen worden. Om dat proces in te korten werd vlug na de menarche, die

verwacht werd aan dertien jaar, getrouwd aan de leeftijd van ongeveer veertien jaar.9 Het was de

natuur die ervoor zorgde dat bij elk organisme na verloop van tijd uitdroging optrad, zodat zelfs

een vochtige vrouw niet langer bloedde eens ze een bepaalde leeftijd bereikt had.10

8 KING, H., Hippocrates’ Women. Reading the female body in ancient Greece, London, 1998, 69.

9 KING, Hippocrates’ Women, 23.

10 KING, Hippocrates’ Women, 67.

17

In de klassieke oudheid werd het vrouwelijke lichaam gedomineerd door één orgaan en één

humor. De baarmoeder en het bloed bepaalden in grote mate de werking van haar lichaam. Bij de

zwangerschap was het de vrouw die voor het materiaal in stond, namelijk het menstruatiebloed

dat het kind deed groeien, en de man die er vorm aan gaf. De man was met andere woorden de

actieve verwekker en de vrouw de passieve draagster.11 Bij een zwangerschap waste het

mannelijke zaad zich volgens Aristoteles in de baarmoeder en werd het gevoed door menstrueel

bloed. Daarom hadden vrouwen met weinig bloedverlies volgens hem moeilijkheden om de

foetus te voorzien van genoeg voedsel. Heviger bloedverlies werd dan ook gezonder geacht voor

de vrouw. De reden waarom na de bevalling nog geen menstruatie plaats vond, was de omzetting

in het lichaam van menstruatiebloed in melk om het kind te voeden.12

Uit de manier waarop geneesheren het vrouwelijk lichaam benaderden en analyseerden, kan

afgeleid worden welk beeld van de vrouw toen heerste. Gangbare opvattingen over het

vrouwelijk lichaam en de visie op de vrouw in de maatschappij gaan immers hand in hand. Het

lichaam is een fysiek en symbolisch gegeven: het is zowel een natuurlijke als culturele

constructie. Wij ervaren ons lichaam, maar die ervaring is steeds cultureel gekleurd. Omdat de

kennis van het lichaam in vroegere tijden anders en beperkter was dan deze vandaag, was ook

hun opvatting over de persoon die aan dat lichaam vast hing verschillend. Op die manier

veranderde samen met wetenschappelijke inzichten rond menstruatie ook het beeld van de vrouw.

Vooral Aristoteles droeg in de vierde eeuw na Christus bij tot het beeld van de vrouw als

minderwaardig wezen dat in de Klassieke Oudheid gangbaar was. “Men kan met zekerheid

stellen dat de vrouw slechts een mislukte man is, een vergissing van de natuur, het resultaat van

een constructiefout,” aldus Aristoteles in zijn Generatione animalium. Man en vrouw vormden

elkaars tegenpolen. Die polariteit werd gereduceerd tot de aan- of afwezigheid van één ideale

materie: de mannelijke materie. De vrouw was alles wat de man niet was; zij werd aanzien als

een afwijking van het ideale (mannelijke) model. Aristoteles stelde dat vrouwelijke organen door

een gebrek aan lichaamswarmte inwendig bleven, in tegenstelling tot de man. Voor Aristoteles en

zijn tijdgenoten was de menstruatie het fysieke bewijs van de maatschappelijk minderwaardige

rol die aan de vrouw werd toegeschreven. De vrouw, een passieve koude materie, was door de

11 TOMMELEIN C., Het denken van Aristoteles en Augustinus over de vrouw, Onuitgegeven

licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, departement geneeskunde, 2003, 13.

12 KING, Hippocrates’ Women, 30.

18

natuur ontworpen om een inferieure status dan de man te hebben, die een actieve en warme

materie was.13

Een vrouwelijk lichaam bestond in de Oudheid dus niet: er was slechts één lichaam. Indien het

lichaam koud, zwak en passief was, was het vrouwelijk en bleven de geslachtsorganen inwendig.

Als het warm, sterk en actief was, dan was het mannelijk. Dit door Thomas Laqueur genoemde

één-seksemodel zou blijven heersen tot het einde van de achttiende eeuw. Toen ontstonden

inzichten waarbij het vrouwelijk lichaam eigen kenmerken en dus een afzonderlijke identiteit zou

krijgen. Dit betekende de opkomst van het twee-seksemodel.14

Ondanks de verwoede pogingen van klassieke artsen om aan menstruatie een

natuurwetenschappelijke uitleg te geven, bleven velen menstruatiebloed beschouwen als meer

dan een lichaamsvocht. Plinius de Oudere schreef in zijn Naturalis Historia aan menstruatiebloed

iets bijna magisch toe dat schade kon aanrichten. In 65 na Christus verkondigde hij: “Maar het is

niet gemakkelijk iets te vinden wat opmerkelijker is dan de maandelijkse bloeding van de vrouw.

Contact daarmee maakt de wijn zuur, gewassen die ermee in aanraking komen verschrompelen,

de zaden in de tuin drogen uit, vruchten vallen uit de bomen. Het heldere oppervlak van spiegels

vertroebelt, staal glimt niet meer en ivoor wordt dof. Hele bijenkorven sterven. Zelfs brons en

ijzer worden direct aangetast door roest en in de lucht hangt een vreselijke stank. Honden raken

buiten zinnen van de smaak ervan en hun beet is daarna dodelijk giftig.” Volgens Plinius was het

dus beter uit de buurt te blijven van menstruerende vrouwen.15

In de christelijke wereld gingen eveneens stemmen op over hoe moest worden omgegaan met

menstruerende vrouwen. Vooral de vraag of een menstruerende vrouw de kerk mocht binnengaan

en de communie ontvangen hield vele geleerden bezig nog vóór het aanbreken van de

middeleeuwen. De eerste christelijke leider die beperkingen vastlegde voor menstruerende

vrouwen was Dionysus de Grote, die tijdens de derde eeuw in Alexandrië leefde. Menstruerende

vrouwen waren volgens Dionysus de Grote onrein en mochten de Heilige tafel niet naderen.

13 TOMMELEIN, Het denken van Aristoteles en Augustinus over de vrouw, 10.

14 LAQUEUR, T., Body and gender from the Greeks to Freud, Cambridge, 1990.

15 PEETERS, A., Dochters van de maan.De menstruatie in de mythen en in de moderne maatschappij, Haarlem,

2004, 67.

19

Daarmee bedoelde hij dat ze de communie niet mochten ontvangen, maar die ook niet mochten

uitdelen. Dit was een ongewoon geluid in het oostelijk deel van de kerk, waar immers

vrouwelijke diakens in alle diocesen diensten verrichtten.16 Vele christelijke geleerden en

bisschoppen koppelden de zogenaamde zwakheid van de vrouw aan haar menstruatie en wensten

haar daarom verwijderd te zien van het altaar.

In 601 antwoordde paus Gregorius I echter positief op de vraag of menstruerende vrouwen de

kerk mochten betreden. In een brief naar Augustinus, bisschop van Canterbury schreef hij dat het

maandelijks bloedverlies van de vrouw niet haar schuld was, en ze dus op ieder moment de kerk

mocht betreden. Maar nog beter ware het dat vrouwen zich in die periode zelf de toegang tot de

kerk ontzegden, aldus paus Gregorius I. Bisschop Theodorus van Canterbury, de opvolger van

Augustinus, verbood menstruerende vrouwen dan weer de kerk binnen te gaan of de communie te

ontvangen. Een eenduidig antwoord in de christelijke wereld kwam er pas in de twaalfde eeuw

toen de Rooms-katholieke canonieke wet werd gecodificeerd. Daarin stond dat een

menstruerende vrouw het altaar niet mocht naderen. Tot in 1648 mochten menstruerende

vrouwen bijvoorbeeld in het Zwarte Woud in Deckenpfronn de kerk niet betreden en moesten ze

aan de kerkdeur wachten.17

Omwille van de rituele onreinheid van de vrouw moest zij zich dus ver houden van de heilige

gebouwen en voorwerpen wanneer zij menstrueerde. Sommige kerkelijke autoriteiten

waarschuwden dat ook buiten de kerk moest opgelet worden voor de onreinheid van vrouwen.

Paucapalea was bijvoorbeeld een rechtsgeleerde uit de twaalfde eeuw die commentaren gaf op de

decretum Gratiani, een vroege versie van de katholieke canonieke wet. In één van die

commentaren ging hij akkoord met het kerkelijk recht dat vrouwen het bezoekrecht aan de kerk

ontnam tijdens de menstruatie en na een bevalling. Hij vermeldde er bij dat door aanraking met

menstruatiebloed mosterd zijn kwaliteit verloor, gras verdroogde en vruchten te vroeg van de

bomen vielen. IJzer zou gaan roesten en de lucht zou donkerder worden. Als honden van

menstruatiebloed zouden proeven, zouden ze rabiës krijgen. Ook Rufinus, bisschop van Assissi

16 PHIPPS, W, ‘The menstrual taboo in the Judeo-Christian tradition’, Journal of religion and health, (19) 1980, 300.

17 RANKE-HEINEMANN, U., Eunuchs for the kingdom of heaven: women, sexuality and the Catholic Church,

Londen, 1991, 24-25.

20

en Sicardus, bisschop van Cremona beschreven in de twaalfde eeuw gelijkaardige magische

bijwerkingen van menstruatiebloed.18

Het onrein beschouwen van een menstruerende vrouw was in het christendom gebaseerd op

Leviticus. In dit deel van het Oude Testament is een fragment over menstruatie te vinden in de

wetten over reiniging, hygiëne en het brengen van offers. “Wanneer een vrouw een vloeiing heeft

en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt,

is tot de avond onrein. Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop

zij zit, eveneens. Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot

de avond onrein. Ieder die de plaats aanraakt waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren wassen

en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.”19 In het Nieuwe Testament staat in de evangelies

van Marcus, Matteus en Lucas dan weer een verhaal die een normale omgang met menstruerende

vrouwen lijkt te stimuleren. Een arme vrouw, die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed stelde

een groot geloof ten toon door te breken met de religieuze en sociale gebruiken in die tijd: zij

waagde het om in een grote menigte Jezus aan te raken, om zodoende door Hem genezen te

worden. In plaats van haar terecht te wijzen, noemde Jezus haar liefdevol ‘dochter’. Van toen af

aan was zij genezen van haar bloedingen. 20 Toch was in het christendom vooral verachting te

merken zijn ten opzichte van menstruerende vrouwen. In het Oude Testament staat in de genesis

dat Eva geschapen is uit de rib van Adam, wat sterk doet denken aan de bewering van Aristoteles

dat de vrouw een mislukte versie is van de man.21

De bijbel vermeldt dus tegenstrijdige houdingen tegenover een menstruerende vrouw. Dit werd

weerspiegeld in de vroegchristelijke wereld waarbij de geleerden het oneens waren of

menstruerende vrouwen al dan niet de communie mochten ontvangen. Pas in 1917, met de

totstandkoming van de codex juris canonici die het canoniek recht zou hervormen, zou een

menstruerende vrouw het recht hebben de communie te ontvangen.22

18 http://www.womenpriests.org/nl/traditio/unclean.asp#latin

19 Bijbel, Oude testament, Leviticus 15:19-23. Vertaling: www.willibrordbijbel.nl

20 Bijbel, Nieuwe testament, Matteüs 9:20-22, Marcus 5:25-34, Lucas 8:43-48.

21 Voor meer informatie over de houding van het Christendom ten op zichte van vrouwen en seksualiteit, zie:

RANKE-HEINEMANN, U., Eunuchs for the kingdom of heaven: women, sexuality and the Catholic Church,

Londen, 1991.

22 http://www.womenpriests.org/nl/traditio/unclean.asp#latin Voor de houding van katholieke kerk op seks met

menstruerende vrouw, en voor de kerkgang: zie infra.

21

Een vaak aangewende theologische verklaring voor menstruatie is dat haar oorsprong bij de

zondeval ligt. Toen Eva een vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad plukte, strafte

God haar voor haar ongehoorzaamheid door haar iedere maand bloed te laten verliezen. Eva werd

echter niet alleen gestraft voor haar zonden: alle vrouwen na haar werden voortaan verplicht de

last te dragen van het baren van kinderen en iedere maand te menstrueren. De Duitse theologe en

abdis Hildegard Von Bingen (1098-1179) heeft aandeel gehad in het verspreiden van deze

bewering. Zij beweerde dat de maandelijkse bloedingen de schuld waren van de ongehoorzame

Eva. Daar waar de vrouw voordien als een passief slachtoffer van de natuur werd beschouwd,

werd haar door Von Bingen verantwoordelijkheid en schuld toegewezen als gevolg van de

zwakheid van Eva.23

De Europese heksenvervolging situeerde zich tussen 1450 en 1800 en kende een hoogtepunt op

het einde van de zestiende eeuw. Historisch onderzoek heeft aangetoond dat vier op de vijf

slachtoffers vrouwen waren. Hekserij kon dus zowel aan mannen als aan vrouwen toegeschreven

worden. Vaak waren vrouwelijke heksen in hun menopauze. Een vrouw die aan hoge leeftijd niet

meer menstrueerde, werd al eeuwen als ongezond aanzien en wekte argwaan op. Vooral vrouwen

die de menopauze achter de rug hadden, werden als ‘droge’ vrouwen aanzien, die in plaats van

anderen met de borst te voeden, voedsel ‘wegtoverden’ voor hun eigen behoefte. Het stereotype

van een oude, onaantrekkelijke en op seks beluste vrouw domineerde het beeld van de heks in de

Nieuwe Tijd. Door haar seksuele relatie met de duivel bracht zij de medemens in gevaar.24

Na de Middeleeuwen zagen in de zeventiende eeuw talrijke anatomische onthullingen het licht.

Deze ontdekkingen zoals die van de spermatozoïde en de door de microscoop van Van

Leeuwenhoek ontdekte vrouwelijke eicel, brachten echter geen fundamentele wijziging teweeg in

de perceptie van de vrouw als inferieur wezen ten opzichte van de man.25 Naast fysiek

minderwaardig bleef de vrouw ook intellectueel en moreel ondergeschikt geacht aan de man.

23 HERING, Die unpäßliche Frau, 17.

24 VANYSACKER, D., ‘Het geseksueerde lichaam van de heks in de Nieuwe tijd’, WILS, K. red., Het lichaam

(m/v), Leuven, 2001, 103-116.

25 VAN MOLLE, L, Sociale geschiedenis van de nieuwste tijd, cursus, Katholieke Universiteit Leuven, departement

geschiedenis, 2006, 56.

22

“Zelfs toen de eicel als een actief beginsel was erkend, hebben mannen nog gepoogd tegenover

haar traagheid de beweeglijkheid van de spermatozoïde te stellen,” stelt De Beauvoir.26

In het begin van de achttiende eeuw verschenen traktaten over menstruatie. In deze traktaten was

een nieuw denkkader doorgebroken. Uiterlijke eigenschappen werden bepalend om een vrouw

van een man te onderscheiden, en niet langer onzichtbare kenmerken als de aanwezigheid van

meer of minder koude humoren. De baarmoeder en andere vrouwelijke geslachtsorganen kregen

bijvoorbeeld geen mannelijke equivalent meer toegewezen.27 Toen het bestaan van de clitoris

werd ontdekt, kon hiervoor evenmin een mannelijke tegenhanger worden gevonden. Biologische

geslachtsverschillen golden voortaan als definiëring voor het onderscheid tussen vrouw en man:

het twee-seksemodel brak door. Er was dus niet langer één mannelijk lichaam dat de norm

bepaalde: elke sekse kreeg haar eigen kenmerken toegewezen. Dit kaderde in de periode van de

verlichting waarin de rede verheerlijkt werd. Verlichte filosofen streefden naar een gelijkheid van

de mens, maar in de praktijk bleek daar toch niet veel van gerealiseerd. Het zou nog tot het einde

van de negentiende eeuw duren eer vrouwen daadwerkelijk een gelijkwaardige positie in de

maatschappij zouden krijgen.28

In de negentiende eeuw, ook wel Victoriaanse tijd genoemd omwille van de lange regeerperiode

van koningin Victoria in Engeland van 1837 tot 1901, werd menstruatie gezien als een

terugkerende ziekte die de fysieke en mentale energie van de vrouw aantastte. Het was in de jaren

vijftig van de negentiende eeuw dat gynaecologie in Europa een aparte tak werd van de

geneeskunde. De gynaecologie ontwikkelde zich volgens Liby Schoon vanuit de discriminerende

grondgedachte dat voortplantingsziekten enkel de ziekten van de vrouwelijke

voortplantingsorganen omvatten.29 Vrouwelijke organen werden dus als ziekelijk beschouwd,

menstruatie als een aandoening. Een vrouw was in die periode fysiek onwel en psychologisch

kwetsbaar, zo werd geponeerd. Daarin lag het bewijs dat vrouwen nooit op gelijke voet van de

man konden komen te staan; ze waren bestemd voor het moederschap en het gezinsleven. ”De

26 DE BEAUVOIR, S., De tweede seks. Feiten, mythen en geleefde werkelijkheid, Utrecht, 1979, 34.

27 KING, Hippocrates’ Women, 11.

28 In België werd het onderwijs voor het eerst opengesteld voor vrouwen in de Vrije Universiteit Brussel in 1880. In

1948 kregen vrouwen stemrecht toegekend in België.

29 COBER, C., Gynaecologie en gender. Artsen over de menstruatie in de negentiende eeuw., Onuitgegeven

licentiaatsverhandeling, Katholieke Universteit Leuven, Departement geschiedenis, 2002, 10.

23

vrouw leeft in feite nauwelijks meer dan een kwart eeuw; voordien is ze geen vrouw, en daarna is

ze geen vrouw meer.” concludeerde de Belgische arts Florent Cunier in 1838 in een betoog over

de vruchtbaarheid van de vrouw. 30 Volgens Cunier en vele van zijn tijdgenoten, viel de vrouw

samen met haar reproductieve kwaliteiten. Dat vrouwen intellectuele capaciteiten konden

bezitten, werd in twijfel getrokken. De Engelse dokter Edward Clarke wilde vrouwen in de jaren

1870 wel laten genieten van onderwijs, maar vroeg zich af hoe dit mogelijk kon zijn. Zij konden

immers niet beschikken over hetzelfde intellectueel vermogen als mannen daar ze minder bloed

en energie bezaten in hun lichaam. Het aanvatten van academische studies kon door de

intellectuele inspanning menstruele onregelmatigheid veroorzaken, wat de ontwikkeling van

vruchtbare geslachtsorganen in de weg zou staan. Clarke wilde hen echter geen onderwijs

ontzeggen, maar wilde wel aangepast onderwijs voor meisjes.31

In de negentiende eeuw was er een tendens gaande om onregelmatige maandstonden te linken

aan krankzinnigheid, en omgekeerd om vreemd gedrag te koppelen aan menstruele

onregelmatigheid. Hysterie (afkomstig van “uterus”) was een vaak gegeven diagnose die in

verband werd gebracht met menstruatiestoornissen. Abnormaal gedrag werd geacht een oorzaak

te vinden bij een menstruatiestoornis, of deze in de hand te werken. Menstruatiestoornissen

werden nog tot 1870 opgelost met aderlatingen. De methode was een overblijfsel uit de Oudheid,

waardoor een overwicht van een lichaamsvocht als bloed terug in balans werd gebracht.32 Toch

raakte de humorenleer stilaan achterhaald. Geneesheren zochten de oorzaken van menstruatie

buiten de humoren. In 1838 schreef de Duitse arts Krieg een artikel over menstruatie waarin hij

de oorsprong van menstruatie in de vagina situeerde. In 1844 werd door de leer van Bischoff de

samenhang tussen ovulatie en menstruatie duidelijk.33 In januari 1883 verscheen in Journal

d’accouchements voor het eerst de melding dat de ovulatie misschien plaats vond tussen twee

menstruatieperioden. Vele artsen geloofden aanvankelijk dat de ovulatie en menstruatie op

hetzelfde moment verschenen en terug verdwenen. Pas in 1930 werd dit wetenschappelijk

bewezen door de Japanse Ogino en de Oostenrijkse Knaus die beide los van elkaar ontdekten dat

de ovulatie niet de start voor de menstruatie was, maar plaats vond ongeveer twee weken

30 COBER, Gynaecologie en gender, 30.

31 STRANGE, J.-M., ‘Menstrual fictions: languages of medecine and menstruation, c. 1850- 1930.’, Women’s

History Review, 3, 2000, 612-613.

32 STRANGE, ‘Menstrual fictions: languages of medecine and menstruation, c. 1850- 1930’, 612-613.

33 HERING, Die unpäßliche Frau, 29. De uitvinder van deze leer is niet gekend.

24

daarvoor. Op het einde van de negentiende eeuw in 1898 werd de ontdekking van de Brusselse

arts Keiffer, dat menstruatiebloed geen overtollig bloed noch een opeenhoping is maar een

afscheiding, op groot enthousiasme onthaald. De humorenleer leek geen geldige basis meer te

zijn om menstruatie wetenschappelijk te verklaren.34

In de twintigste eeuw veranderde erg veel voor de menstruerende vrouw Vanaf dan werd

aandacht besteed aan de psychologische implicaties van de menstruerende vrouw. In 1931

vestigde de Amrikaanse arts Robert T. Frank in een medisch rapport voor de New York Academy

of medicine de aandacht op vrouwen die blootgesteld werden aan een “premenstrual tension’” In

hezelfde jaar publiceerde psycho analiste K. Horney een tekst over “premenstrual mood swings”.

Na de Tweede Wereldoorlog werd hiervoor de term premenstrueel syndroom (PMS)

geïntroduceerd.35

De identiteit van de vrouw werd in de twintigste eeuw niet langer met zwakheid en ziekelijkheid

verbonden. Na de Eerste Wereldoorlog verscheen het eerste commercieel succesvolle

wegwerpmaandverband op de markt en enkele decennia later ook de tampon.36 De opkomende

consumptiecultuur die meer comfort bracht voor de persoonlijke hygiëne van de vrouw zou het

Victoriaans beeld van de zieke menstruerende vrouw die moest rusten op de achtergrond

verdringen. De menstruatieproducten vergemakkelijkten de bewegingsvrijheid van de vrouw. Dit

wilde echter niet zeggen dat menstruatie in de openbaarheid werd gebracht. Een cultuur van

discretie omringde het hele menstruatiegebeuren. Een vrouw moest blijven verbergen dat ze

menstrueerde, en er niet met andere vrouwen over praten. Dit zou enkel maar leiden tot het

aanpraten van oncomfortabele maandstonden. Vrouwen werden vanaf de jaren 1930 de doelgroep

van reclame: actieve, vrolijke, slanke meisjes die bijna alles konden doen als ze hun regels

hadden, “zelfs dansen in de armen van een knappe man”.37 Wanneer in 1961 de pil op de

Belgische markt kwam, zou die de vrijheid van de vrouwen nog meer stimuleren. Menstrueren

ging niet langer gepaard met de opluchting dat men niet zwanger was.

34 COBER, Gynaecologie en gender, 43, 75, 76, 90 en 93.

35 STOLBERG, M., ‘The monthly malady: a history of premenstrual suffering.’, Medical History, 47 (2003), 301.

36 Voor de geschiedenis van de ontwikkeling van het maandverband en de tampon: zie infra.

37 STRANGE, ‘The assault on ignorance: Teaching menstrual etiquette in England, c. 1920 s to 1960 s.’, 264.

25

Doorheen de geschiedenis waren dus tegelijkertijd medische, mythische, en theologische

verklaringen gangbaar voor het fenomeen menstruatie. Deze stonden niet los van elkaar.

Christelijke kerkvaders grepen bovennatuurlijke argumenten aan, als het rot worden van vruchten

bij aanraking van menstruatiebloed, om een menstruerende vrouw weg te houden van het altaar.

Artsen konden door hun christelijke achtergrond eveneens beïnvloed worden om hen tot rust aan

te sporen. Niet alleen tijdgenoten uit verschillende maatschappelijke velden beïnvloedden elkaar

in hun visie op menstruatie. Sporen uit het verleden bleven soms zichtbaar. De antieke

humorenleer bleek zijn invloed nog eeuwen later uit te oefenen bij het uitvoeren van aderlatingen

of bij het vermijden van contact met water.38 Artsen ontdekten steeds meer de biologische

werking van de menstruatie. Ondanks initiatieven genomen door de katholieke en vrijzinnige

kringen zal deze informatie echter niet ver in de Vlaamse huiskringen doordringen.

2/ Seksuele Voorlichting

2.1 Seksuele voorlichting in Vlaanderen

Sinds het begin van het medisch beroep zijn bevindingen en resultaten van artsen neergepend en

gepubliceerd. In deze publicaties was vóór het begin van de twintigste eeuw echter nog nooit

informatie gebundeld over de seksualiteit van de mens, met als bedoeling het volk in te lichten.

Wetenschappelijke exposés zoals die van Freud en Kinsey in het begin van de twintigste eeuw

kenden dan wel vele oplages, het waren geen boeken waarin stap voor stap de werking van het

menselijk lichaam werd uitgelegd op vlak van seksualiteit. Door bepaalde personen, instanties en

socio-culturele bewegingen werden in de eerste helft van de twintigste eeuw pogingen

ondernomen om dit te realiseren. Wie nam in Vlaanderen de verantwoordelijkheid op zich om de

bevolking voor te lichten? In wat volgt, wordt onderzocht wie in de eerste helft van de twintigste

eeuw aandeel had in het voorlichten van de Vlaamse huisgezinnen en waarin de gelegde accenten

verschilden. Draaide seksuele voorlichting bovendien enkel om kennisoverdracht?

In 1914 publiceerde gynaecoloog en professor Frans Daels het voorlichtingsboekje Voor onze

jongens, bedoeld voor de Belgische soldaten aan het ijzerfront. Tot 1940 werden hiervan 75.000

38 Voor meer informatie over de invloed van de humorenleer in zake het in contact komen met water zie infra.

26

exemplaren uitgegeven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het herdrukt. Volgens historicus

Van Ussel is dit het eerste voorlichtingsboekje dat in België gepubliceerd werd. In 1924

verscheen een Vlaams voorlichtingsboekje voor een breder publiek. Arts Albert Bessemans,

docent aan de universiteit van Gent, schreef De biologische geslachtelijke voorlichting der jeugd,

acht jaar na de voorlichtingsboekjes van Daels voor de Belgische soldaten. De eerste

voorlichtingsboeken besteedden echter meer aandacht aan planten en dieren dan aan mensen.

Bovendien werden ze niet voor de beide seksen geschreven. Voor meisjes werden andere

voorlichtingsboeken geschreven dan voor jongens. Voor deze eerste werd bijvoorbeeld bijna

nooit gesproken over masturbatie, als was dat alleen voor jongens weggelegd. Pas na de Tweede

Wereldoorlog zal er een gesystematiseerde voorlichting tot stand worden gebracht. 39

Het meest bekende en gerenommeerde voorlichtingsboek was Het volkomen huwelijk van de

Nederlandse arts Theodoor van de Velde uit 1926. Het werd in erg veel talen vertaald en tot in de

jaren zeventig wereldwijd verspreid tot in Tokyo en Johannesburg.40 Van de Velde was één van

de vele artsen die in de twintigste eeuw een voorlichtingsboek schreef. Zijn boek was echter wel

een model waar andere schrijvers zich tot richtten. Het volkomen huwelijk beschreef eerst de

vrouwelijke en mannelijke geslachtsorganen, daarna voorspel, coïtus, naspel, en tenslotte

zwangerschap. Tot midden de jaren zeventig werd deze indeling behouden door schrijvers. Met

zijn boek richtte Van de Velde zich tot getrouwde koppels en wilde hij bijdragen tot een goed

huwelijk. Ondanks de wereldwijde belangstelling en populariteit werd dit nobel doel niet door

iedereen gesmaakt. In zijn encycliek Casti Cannubi in 1931 noemde Pius XI Van de Veldes boek

bij naam en veroordeelde het omdat de schrijver “dat zoogenaamde volkomen huwelijk tot niets

anders dan een ontaard huwelijk” herleidde.41 Van de Velde beschouwde seksualiteit immers als

een belangrijke factor voor een geslaagd huwelijk. De katholieke kerk vond seksualiteit eerder

“een noodzakelijk kwaad”. Bij het huwelijk hoorden de partners voor nakomelingen te zorgen

waar jammer genoeg intiem contact moest bij te pas komen. Seks hebben voor het plezier en niet

om zich voort te planten was uit den boze voor de christelijke autoriteiten. Seksualiteit werd in

39 VAN USSEL, J., Geschiedenis van het seksuele probleem, Amsterdam, 1982, 425 en 347. In 1897 was in

Nederland het eerste voorlichtingsboekje Als ’t kindje komt van de hand van Nellie van Kol.

40 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal in Vlaanderen 1955-1980., Onuitgegeven

Licentiaatsverhandeling, Universiteit Gent, departement geschiedenis, 1987, 256.

41 HOOGHE, M., ‘De seksuele evolutie: Vlaamse voorlichtingsboeken en de beheersing van seksualiteit’, Jaarboek

seksualiteit, relaties, geboortegeling, 8 (1992), 77.

27

katholieke kringen herleid tot onkuisheid. Volgens Van de Velde was een huwelijk echter

gedoemd te mislukken zonder een harmonisch, bloeiend geslachtsleven. Seksuele verveling kon

immers de doodsteek betekenen voor een huwelijk. Van de Veldes boodschap was niet volledig

parallel aan de katholieke visie op seksualiteit en kon dus niet op goedkeuring rekenen van de

paus. Hij schreef niet alleen vrijuit over seksualiteit, hij beschouwde het als meer dan een

huwelijksplicht.

Naast medische kringen hebben socio-culturele bewegingen op een bepaald moment eveneens de

seksuele voorlichting van hun leden tot doelstelling genomen. De periode vóór 1955 waren

Zedenadel en de Katholieke Actie zeker niet van ondergeschikt belang. Tussen 1955 en 1980

waren het volgens Hooghe vooral de Bond der Talrijke Gezinnen (voorloper van de Bond van

Grote en Jonge Gezinnen of BGJG), de Katholieke Arbeidersvrouwengilden (KAV), de

Socialistische Vooruitziende Vrouwen (SVV) en de Belgische Vereniging voor Seksuele

Voorlichting (BVSV) die een belangrijk aandeel hadden in het beïnvloeden van de Vlaamse

publieke opinie. Deze worden hieronder van naderbij bekeken.42

In het begin van de twintigste eeuw leefde er heel wat bezorgdheid over het dalend

geboortecijfer. Vanaf ca. 1880 was er een sterke afname van de nataliteit. Die daling gebeurde

vanaf 1900 in een opvallend snel tempo en zou pas stoppen na de Eerste Wereldoorlog door de

babyboom. De gezinsgrootte in België ging van 4,9 personen in 1830 terug naar 4,1 in 1910.

Mede daarom lieten kardianeal Mercier en Belgische bisschoppen zich negatief uit over

anticonceptie. Die bezorgdheid gaf aanleiding in 1921 tot de oprichting van de Ligue nationale

contre la dépopulation.43 Deze ging na de Eerste Wereldoorlog op in de Bond der Talrijke

Gezinnen, die in 1971 werd omgevormd tot de BGJG.44 De vereniging verdedigde vaak dezelfde

standpunten als de kerk, zonder zich evenwel op religieuze argumenten te beroepen. Zij

moedigde het vormen van grote gezinnen aan en zette zich in om voor hun leden de hoogste

noden van grote gezinnen te lenigen. De BGJG organiseerde kinderoppas, kortingen voor

42 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 11.

Voortaan worden enkel de afkortingen van die bewegingen gebruikt.

43 VAN MOLLE, Sociale geschiedenis van de nieuwste tijd, 59.

44 In 2002 heette de BGJG voortaan Gezinsbond.

28

openbaar vervoer, goedkopere leningen voor gezinnen, etc.45 Uit Nederland werden presaria en

condooms gehaald om die te verkopen aan de leden. Bij onze Noorderburen werd op een meer

open manier omgegaan met seksualiteit. Het eerste consultatiebureau voor geboorteregeling, de

invoering van co-educatie, het stichten van verenigingen voor gezinsplanning: alle vonden ze een

kwart tot meer dan een halve eeuw eerder in Nederland plaats dan in België.46 De BGJG had het

tot 1967 geregeld over seksueel gerelateerde zaken in hun tijdschrift De bond dat vanaf hun

stichtingsjaar werd verspreid. De BGJG publiceerde in 1967 en 1969 twee

voorlichtingsboekjes.47

De KAV, de socio-culturele vereniging voor vrouwen binnen het Algemeen Christelijk

Werkersverbond (ACW), is opgericht in 1922. Zij stond tot de jaren zeventig weigerachtig om te

publiceren over seksualiteit in het tijdschrift Vrouw en Wereld. Pas in 1959 behandelde het blad,

dat ieder KAV-lid in de bus kreeg, expliciet het thema seksualiteit. Er werd aangeraden hoe het

kind moest voorgelicht en seksueel opgevoed te worden. Men raadde de lezers wel aan het boek

van Pierre Dufoyer Voorlichting van kinderen en jonge mensen ter hand te nemen. Pierre Dufoyer

is een pseudoniem van de Waalse jezuïet René Boigelot.48 Net zoals bij de BGJG, bestond bij het

blad van de KAV de angst dat praten over seksualiteit de jeugd ertoe zou aanzetten. Men wilde

vooral, zoals haast alle toenmalige publicaties omtrent voorlichting, voorhuwelijkse seksuele

betrekkingen vermijden, zelfbeheersing bijbrengen en vermijden dat men elders “foute”

informatie zou opdoen. Vanaf 1967 stapte men echter af van de idee dat onwetendheid een deugd

was. In 1968 keurde Vrouw en wereld, hoewel katholiek, de pauselijke veroordeling van

anticonceptiemiddelen in de encycliek Humanae Vitae af door daar toch informatie over te

blijven publiceren.

De SVV, opgericht in 1922, was de grootste socialistische vrouwenorganisatie in België. Zij

bereikte tot de jaren zeventig honderdduizenden vrouwen. Dit deed zij onder andere via hun

ledenblad De stem der vrouw. Hun activiteiten zijn op lokaal vlak te vergelijken met die van de

45 DE MAESSCHALK, E.,Een bond voor alle gezinnen: geschiedenis van de gezinsbeweging in Vlaanderen,

Brussel, 1996, 2.

46 TROMMELMANS, W., Vlaanderen vrijt. 50 jaar seks in Vlaanderen, Leuven, 2006, 12; VAN USSEL,

Geschiedenis van het seksuele probleem, 321.

47 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 158.

48 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 122- 127.

29

KAV. Op nationaal vlak hield de SVV zich meer bezig met politieke thema’s.49 Omdat mijn

respondenten allen katholieke vrouwen waren ga ik niet verder op de SVV in.

In 1933 werd de Bond ter bevordering van de Openbare Zedelijkheid opgericht, beter bekend als

Zedenadel. Dit initiatief was één van de verwezenlijkingen van de Offensiefbeweging wiens doel

het was om het Vlaamse openbare leven terug katholiek te laten inspireren. Met Zedenadel wilde

men door middel van allerlei initiatieven en acties de openbare zedelijkheid doen zegevieren en

de strijd aanbinden tegen alles wat die zedelijkheid in het openbare leven en in het gezin in de

weg stond. In juni van het stichtingsjaar werd het eerste nummer van het tijdschrift Zedenadel

gepubliceerd. Verder steunde de Bond het uitgeven van allerhande brochures als Is dansen

kwaad?, Mag ik naar de film? en het geven van spreekbeurten. Zedenadel beschouwde zich als

een gespecialiseerde hulpdienst van de Katholieke Actie. Het stond in voor de verwezenlijkingen

van de algemene doelstellingen van die beweging.50 In 1956 werd Maria Schouwenaars

ondervoorzitster van Zedenadel. Via het gelijknamige tijdschrift verspreidde zij heel wat van haar

ideeën. Als onderwijzeres en later inspectrice voor lager en kleuteronderwijs zette Schouwenaars

zich in voor de verbetering van de meisjesopvoeding. Al in haar eerste jaar als onderwijzeres

sprak zij in de klas met meisjes over seksualiteit en beantwoordde hun vragen rond dit thema in

een maandelijks vragenuurtje.51 Schouwenaars’ streven naar openheid over seksualiteit werd niet

altijd positief onthaald. Kanunnik Vlerick, lector aan de Leuvense universiteit en inspecteur

godsdienstonderwijs, schreef in 1947 een reactie op het door Zedenadel eerder dat jaar

gepubliceerde boek van Schouwenaars Kiesheid en waarheid voor ouders en opvoeders. In

Correctieven bij het boek van Mej. Schouwenaars de kiese waarheid maakt Vlerick duidelijk dat

hij niet altijd akkoord ging met haar standpunten. Hij steunde Schouwenaars niet in haar

opvatting tegenover kinderen niets te verbergen over “het levensgeheim”.52

In 1955 werd de Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting gesticht. De BVSV was

vooral actief in linkse vrijzinnige middens, en was sinds 1906 uit de Nederlandse Nieuw-

49 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal,, 102.

50 DHAENE, L., De Offensiefbeweging in Vlaanderen 1933-1939: katholieken tussen traditie en vooruitgang,

Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 1984, 90.

51 MANS, A. en INDIGNE, P., Maria Schouwenaars: een bijzondere vrouw in de geschiedenis van de

meisjesopvoeding, Leuven, 1987.

30

Malthusiaanse beweging ontstaan. De BVSV wilde, net als haar zusterorganisatie mensen

verenigen om wijzigingen aan te brengen in de seksuele moraal.53 Uit een jaarverslag uit 1911

bleek dat zij uit Nederland afkomstige voorlichtingsboekjes, condooms en pessaria verkocht. Het

ledenaantal in die periode toont aan dat deze beweging niet echt veel succes had. Zij telde toen

slechts een driehonderd à vierhonderd leden. Pas op het einde van de jaren vijftig zou dit

ledenaantal opklimmen tot duizend. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat zij zich vooral richtte

tot linkse vrijzinnigen. In 1958 hadden zij een eigen tijdschrift Metterdaad, dat evenwel

verdween in 1967.54 Voor de katholieke vrouwen waar deze verhandeling over handelt, heeft

deze beweging dus waarschijnlijk weinig of geen invloed gehad. Toch wil ik op het bestaan van

een dergelijke vereniging wijzen omdat net de oprichting er van aantoont dat men meende dat het

volk meer en beter moest ingelicht worden.

Kortom, katholieke socio-culturele bewegingen waren terughoudender dan vrijzinnige om het

thema seksualiteit bespreekbaar te maken. Dat zij toch over het thema praatten, was in de hoop de

seksualiteit te kunnen beheersen. De BVSV en de SVV, als niet-katholieke bewegingen,

verdedigden in hun beginjaren als enige het gebruik van anticonceptie. De BGJG zou in de jaren

zestig bijdraaien, net als de KAV die in 1968 de pauselijke encycliek Humanae Vitae zou

misprijzen. Verder kondigden alle bewegingen ongeveer dezelfde normen op vlak van

seksualiteit: de afwijzing van masturbatie en voorhuwelijkse seks, het aanmoedigen van

zelfbeheersing en het aankweken van een schaamtegevoel. In 1967 en 1973 werd de

beheersingsmoraal verlaten en zou seks evolueren van een huwelijkse daad tot iets tussen

toestemmende volwassenen.55

Voorlichting lijkt op de eerste plaats te draaien om kennisoverdracht. Maar als men ze van

dichtbij bestudeert, dan lijkt deze literatuur niet enkel neutrale informatie te verstrekken.

Voorlichtingspublicaties werden gebruikt om een bepaald mens- en wereldbeeld op te dringen

aan de lezers. De wetenschappelijke informatie maakte dus slechts een deel uit van de

voorlichtingsliteratuur. Deze werd vaak gebruikt als middel om een ideologie te verspreiden. Tot

52 DE KEYZER, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot. Vier generaties vrouwen vertellen, Leuven, 2004,

58-59.

53HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 24

54 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 29-36.

55 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 175.

31

deze conclusie kwam Marc Hooghe na een studie van een dertigtal voorlichtingsboeken die

tussen 1940 en 1970 in Vlaanderen en Nederland uitgegeven werden. 56

De Amerikaanse arts Isabel Hutton geeft in haar Seksualiteit in het huwelijk bijvoorbeeld haar

mening mee aan de lezers over het gebruik van tampons. Dit boek werd in het Nederlands

vertaald, en uitgegeven in een reeks van andere voorlichtingsboeken. “In de laatste jaren zijn er

ook verschillende soorten tampons in de handel gebracht die inwendig worden gebruikt. (…)

Sommige vrouwen zijn er enthousiast over, maar voor gewone vrouwen zijn ze eigenlijk niet

noodzakelijk. (…) Zoals men zal begrijpen kunnen maagden deze tampons niet gebruiken en ze

moeten daartoe dan ook geen pogingen doen.”57 Ook Maria Schouwenaars deelde die mening in

1947 in haar Kiesche waarheid voor ouders en opvoeders. Niet alleen was er het fysieke bezwaar

dat het maagdenvlies kon geschonden worden, ook morele argumenten werden opgevoerd. “De

moeders dienen er dus heel bijzonder over te waken, dat haar meisjes, de “zedelijke” verbanden

dragen, die door de geneeskunde als de beste worden aangezien, namelijk de uitwendige.”58

Schrijvers zoals Schouwenaars schreven niet alleen hun mening op, maar trachten die ook te

legitimeren door mee te delen dat vele artsen hen in hun mening steunen en dat zij “erkende

bevoegdheden hebben geraadpleegd”.59

“Seksuele voorlichting is opvoeding tot zelfbeheersing” schreef professor en pedagoog Albert

Kriekemans op het eind van de jaren vijftig.60 Alle voorlichtingsmateriaal waarschuwde de jeugd

om vooral niet in onzedigheid te vervallen. Zonder de voorlichtingsboekjes en folders zou de

kans bestaan dat dit wel gebeurde, aangezien “op straat en plein, in school en atelier, bij sport en

spel een weten wordt meegedeeld dat ontdaan is van alle reinheid. (…) De vraag waarvoor men

zich althans gesteld ziet, laat zich eenvoudig zo formuleren: wie spreekt het eerst: de straat of de

opvoeder?” zo schrijven von Hornstein en Faller in hun Geslachtsleven.61 Om het voorlichten dus

niet over te laten aan wie daar niet voor geschikt werd geacht, werden pedagogisch verantwoorde

boeken en folders verspreid en werd het geven van voordrachten enkel door daarvoor bevoegd

56 HOOGHE, ‘De seksuele evolutie’, 73-77.

57 HUTTON, I.E., Seksualiteit in het huwelijk, Amstelveen, s.d, 122.

58 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid voor ouder en opvoeders, s.l. 1947. Dit boek werd uitgegeven door de

Zedenadel.

59 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid, 108.

60 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid, 74.

32

geachte personen zoals artsen, geestelijken en schoolhoofden uitgevoerd. Pas vanaf de jaren

vijftig zal een leerkracht of spreker voorlichting geven aan de leerlingen in de lagere school.

In voorlichtingsliteratuur werd meestal in verhullende termen gesproken. In 89% van de

katholieke voorlichtingsboeken tussen 1955 en 1980 werd meegedeeld dat de baby “onder het

hart” van de moeder groeit in plaats van in de baarmoeder.62 Vele vrouwen die geboren zijn voor

1950 zijn opgegroeid met het verhaal dat kinderen uit de kolen groeiden, gebracht werden met de

ooievaar, de kinderboot of –trein. Aan Sophie werd toen ze klein was in de jaren veertig verteld

dat haar zus was gekomen met Mieke Funesse, een verzonnen persoon. Deze verhullende stijl om

zaken uit te leggen is doorheen de twintigste eeuw geëvolueerd. Er werd een steeds grotere

openheid aan de dag gelegd. In Liefde, huwelijk, geluk gaf de arts Hervé Picard in 1960 mee in

het hoofdstuk “Hoe moet ik het mijn kind zeggen” dat seksuele opvoeding een kwestie van liefde

is en dat er elke dag aan die opvoeding gewerkt moet worden. Hij stelt zich negatief over het

“groene kolenverhaal” en adviseert te vertellen aan het kind dat “kindjes van de Goede God

komen”. Als het kind inziet dat kinderen enkel kunnen ontstaan door de liefde tussen de ouders,

dan “kan het niet zelfzuchtig zijn.”63

Maar die openheid heeft zijn grenzen: praten over seks kon slechts op voorwaarde dat dit op een

koele, neutrale manier gebeurde zonder dat er sprake was van emoties of plezier. Concrete

seksualiteitsbeleving werd verdrongen door technische informatie. “De seksuele propedeuse

ontstond in de achttiende eeuw. Het lag niet zozeer in de bedoeling voor te lichten, dan wel de

zelfbevrediging en de ongeoorloofd bronnen van informatie te bestrijden.” aldus Van Ussel.64

Toch zien we ook een evolutie in de boodschap die de voorlichting wil verspreiden. Terwijl men

tot de jaren zeventig seksualiteit in het huwelijk promootte, zou men later alles wat tussen

“toestemmende volwassenen” gebeurt aanvaarden.65 Ook het gebruik van anticonceptie werd

toelaatbaar. Masturbatie wordt wetenschappelijk bewezen niet schadelijk te zijn. Niet in contact

mogen komen met water tijdens de menstruatie wordt in de literatuur ook steeds meer als een

61 HOOGHE, ‘De seksuele evolutie’, 75.

62 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 266.

63 PICARD, H., Liefde, huwelijk, geluk, Brugge, 1960.

64 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 363.

65 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 71.

33

fabel beschouwd. Een belangrijke evolutie noemt Hooghe het verlaten van de beheersingsmoraal,

tussen 1967 en 1973. Na deze periode valt dit aspect in de voorlichtingslectuur weg. Die moraal,

die in de periode waarover deze thesis handelt nog steeds sluimert, beschouwt voorhuwelijkse

seksuele betrekkingen, seksuele spelletjes, masturbatie, doorgeven van informatie over

seksualiteit door onbevoegden als zaken die niet door de beugel kunnen. Maar ook vandaag zal

de voorlichtingsliteratuur oppassen om geen seksuele gevoelens wakker te maken en zal ze in

mindere mate over de seksuele daad zelf informatie geven. Terwijl vroeger de nadruk eerder op

het indijken van de onzedigheid lag, draait het er nu om te waarschuwen voor SOA’s en

ongewenste zwangerschappen.66

Waar ligt het belang van elk van deze bewegingen? Elk op zich heeft misschien niet zoveel

invloed kunnen uitoefenen op de publieke opinie, maar alle samen verkondigen zij met de

katholieke wereld dezelfde boodschap, weliswaar met soms andere nuances. Wanneer hetzelfde

wordt verkondigd door zowel paus, priester, bisschoppen, school, socio-culturele bewegingen,

professoren, artsen en door de eigen tijdgenoten dan blijkt daaruit de maatschappelijke relevantie

van elk van deze instellingen apart. Dit is het zogeheten synergisch effect. Dit betekent dat de

gezamelijke impact van de herhaalde boodschappen groter is dan de loutere optelsom van de

impact van elke afzonderlijke actor.67 Aangezien elke Vlaamse vrouw (en ook man) veelvuldig in

contact kwam met deze instellingen, kan men wel degelijk van een synergisch effect spreken.

Laten we dit synergisch effect van naderbij bekijken in het leven van vijftien katholieke Vlaamse

vrouwen

2.2 Rosette’s verhaal

Rosette (°1933) groeide op met een jongere zus en een oudere broer in een werkmansgezin in

Oost-Vlaanderen. Toen ze veertien jaar was, stopte ze met school lopen en begon ze te werken in

een spinnerij. Enkele maanden later kreeg ze voor het eerst haar maandstonden. Doordat ze er op

school vriendinnen had horen over praten, wist ze dat er zoiets bestond. Meisjes op school

hadden elkaar wel eens onderling gevraagd wie al haar regels had. Sommige onder hen

menstrueerden al. Toen het bij Rosette ook zover was, nam ze een paar zakdoeken, legde die in

66 HOOGHE, ‘De seksuele evolutie’, 73-77.

67 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 239.

34

haar onderbroek en ging werken. Ze durfde niets te zeggen aan haar moeder omdat die er nog

nooit over gesproken had. Toen haar moeder dan toch merkte aan de vuile onderbroeken van haar

dochter dat ze haar maandstonden had gekregen, riep ze Rosette bij zich en zei: “Ik zie dat je

groot geworden bent”. Daarna gaf ze haar enkele uitwasbare sponsen banden en een elastieken

gordeltje om die aan te bevestigen. Ze legde haar dochter uit wat ze daar mee moest doen want

Rosette wist helemaal niet wat ze daarmee moest aanvangen. De vuile banden moest Rosette in

een emmertje doen dat op haar kamer stond. “Ik weet nu hoe de kinderen er in geraken, maar ik

weet niet hoe ze er uit geraken” zei Rosette tegen haar moeder. In de fabriek was haar immers het

verband tussen maandstonden en vruchtbaar zijn uitgelegd. Haar moeder vertelde dat ze dat een

andere keer zou uitleggen. Het was de enige keer dat ze over menstruatie praatte met haar

moeder.

Alle met seksualiteit gerelateerde zaken kwam Rosette te weten in de fabriek. Eens het meisje

haar maandstonden had, mocht ze niet meer bij de jongens lopen want dat was gevaarlijk, zo

werd verkondigd. Vaak werden zaken op een vulgaire wijze uitgelegd, maar in de fabriek was er

ook een vrouw die Rosette op een normale manier uitleg gaf. Die vrouw vertelde aan Rosette dat,

als ze ooit zou aangerand worden door een jongen, ze dan heel hard op haar vlakke hand moest

blazen zodat er geen wind kon doorkomen. Op die manier zou het zaad er weer uitkomen.

Rosette wist echter niet wat er bedoeld werd met zaad. Rosette trouwde met Emile en kocht vanaf

toen zelf haar banden in een winkel waar allerlei ondergoed en kousen verkocht werden. Ze

bracht één meisje en twee zonen ter wereld.

2.3 “Het was alsof dat niet bestond”

Mijn respondenten waren gemiddeld veertien jaar oud toen ze voor het eerst menstrueerden. Die

leeftijd ligt hoger dan vandaag. De gemiddelde leeftijd waarop de eerste maandstonden thans

verschijnen is twaalf à dertien jaar.68 Dit is niets ongewoons daar de menarche in West-Europa

doorheen de jaren steeds vroeger optreedt. Sinds 1830 is de leeftijd elk decennium vier maanden

vervroegd. In 1830 was de gemiddelde leeftijd waarop de menarche verscheen zeventien. Het

opschuiven van die leeftijd is te wijten aan een hogere levensstandaard en veranderingen in het

68 http://www.e-gezondheid.be/nl/tijdschrift_gezondheid/adolescenten/menstruatie-14033-252-art.htm

35

voedingspatroon.69 Opmerkelijk is dat alle geïnterviewde vrouwen de precieze leeftijd nog weten

toen ze voor het eerst menstrueerden. Dit wijst er op dat dit toch een belangrijke gebeurtenis in

het leven van de vrouw moet zijn geweest. De trouwdag, de bevalling van de kinderen, de eerste

maandstonden: alle zijn het momenten die belangrijk genoeg zijn in het leven om de leeftijd te

onthouden waarop ze voorvielen. Acht van de vijftien vrouwen die ik geïnterviewd heb, wisten af

van het bestaan van menstruatie alvorens zij die meemaakten. Zeven van hen schrokken zich een

bult toen ze bloed ontdekten in hun onderbroek. Het was dus niet abnormaal om van niets af te

weten bij de eerste menstruatie, maar het was ook niet de regel. Waar werden inlichtingen

gewonnen over menstruatie, alvorens of na de meisjes die beleefden? Werd thuis, op school, in

de jeugdbeweging, op het werk en aan jonge koppels informatie verschaft over menstruatie en

seksualiteit?

Sommige meisjes zoals Rosette, waren vóór hun eerste bloedverlies op de hoogte van wat hen

zou te wachten staan. Meestal hadden zij tussen hun twaalf en vijftien jaar op school via

vriendinnen iets opgevangen over het bestaan van maandelijks bloedverlies. Doorgaans ging dat

niet veel verder dan het rondvragen wie al haar maandstonden had gekregen. Daardoor wisten

bepaalde meisjes van het bestaan van menstrueren af en begrepen ze enigszins wat hen

overkwam toen ze voor het eerst menstrueerden. Dit is duidelijk zo in het verhaal van Rosette.

Doordat zij meisjes had horen vertellen wie al of nog niet menstrueerde, wist ze wat er aan de

hand was toen ze ‘s morgens bloed ontdekte in haar onderbroek. Ook Yvette, Marie, Marianne,

Diane, Godelieve en Madeleine waren reeds door vriendinnen op de hoogte gesteld of legden het

verband met de vage dingen die ze al gehoord hadden, wanneer ze merkten dat ze bloed verloren.

Vaak waren leeftijdsgenoten de eerste die menstruatie ter sprake brachten, al gebeurde dat wel op

een heimelijke manier.

Als meisjes op de hoogte waren dat zij op een dag hun maandstonden zouden krijgen, dan was

dat in slechts weinig gevallen door de moeder. Mira’s moeder vertelde wel op voorhand aan haar

dochter wat haar binnenkort zou overkomen. Dat was bij haar het geval omdat ze de ziekte

hemofilie had en buikpijn kreeg. Daarom dacht haar moeder dat ze binnenkort voor het eerst zou

menstrueren. Liese werd dan weer door haar tante ingelicht aangezien haar moeder gestorven was

69 WEIDEGER, P., Menstruation and menopause: physiology and psychology, the myth and the reality, New York,

36

toen ze tien was. “In klas spraken ze daar een beetje over in onduidelijke taal, weet wel, en ik

moest zo maar gissen en gissen over wat zijn ze nu bezig, over wat gaat dat nu, ik kon dat niet

meevolgen, tot dat dan m’n tante ne keer da uitgelegd beeft, omdat ze dacht: de ouderdom is

daar, ze gaat zij da ook krijgen, da kind weet dat niet. En da zou zowel triestig en lastig geweest

zijn als je zo plots bloed ziet, dat je niet weet hoe of wat hé.” Voor meisjes wiens moeder

gestorven was, brak met de puberteit een moeilijke tijd aan. Zij moesten immers nog meer dan

andere meisjes alles zelf uitzoeken. Niet alleen het huishouden kwam op Lieses schouders te

vallen als enige dochter in het gezin. Ze moest bovendien zelf ontdekken wat het was om een

jonge vrouw te worden. Ook bij haar bevalling kon ze niet rekenen op de steun van haar

moeder.“Ja kheb heel m’n leven met veel vraagtekens gezeten. Als ik dan in verwachting was van

m’n eerste, ik kon ook aan niemand geen raad vragen é. Kmoest da ook allemaal vragen aan m’n

kameraden, aan m’n vriendinnen, en wa weet ik allemaal. Kmoest dat aan niemand ni vragen é.

Da was eigenlijk helegans een raadsel tot dat het eerste kind geboren was.”

Als meisjes wisten wat hen overkwam toen zij voor het eerst menstrueerden, hoe voelden zij zich

dan? Yvette was blij: ze was zestien jaar en was ongerust aan het worden want om “normaal te

zijn”, om gezond te zijn moest je nu eenmaal je regels krijgen. Ook bij Liese was er een gevoel

van opluchting: “Ik was al bang dat ik ni normaal was, en niet was gelijk de andere kinderen.”

Marianne vertelde “Ik was geloof ik vijftien al, iedereen moest dat hebben of je was niet gezond.

Dus ik was gezond”. Deze visie op menstruatie werd ook verspreid in voorlichtingsboeken. Isabel

Hutton schreef het al in haar Seksualiteit van het huwelijk: “De vrouw behoort blij te zijn, dat ze

dit symptoom van een goede gezondheid vertoont, dat tevens het bewijs vormt, dat ze in staat is

tot het moederschap.”70

Tot in de jaren vijftig waren er echter ook meisjes die plots een bloedvlek in hun onderbroek

zagen en helemaal niet wisten wat hen overkwam. Ze wisten totaal niet waar de andere meisjes

het over hadden als leeftijdgenoten hen vroegen op school of in de jeugdbeweging:“Ben je al

groot geworden?” Toen de priester in de biechtstoel aan Hélène vroeg of ze al bloed tussen de

benen had verloren, wist zij in de verste verte niet waarover hij het had. Wanneer

1975, 159.

70 HUTTON, I.E., Seksualiteit in het huwelijk, Amstelveen, s.d, 120.De datum van uitgave is ongekend maar

waarschijnlijk betreft het een publicatie uit de jaren veertig, misschien de jaren vijftig.

37

nietsvermoedende meisjes merkten dat ze bloed verloren, was dit voor hen vaak een schok

aangezien ze niet begrepen wat er met hen aan de hand was. Gebeurde de eerste menstruatie op

school of in het internaat, dan waren er meestal vriendinnen in de buurt die wel op de hoogte

waren en het meisje gerust stelden.

Madeleine had het over een echt drama voor een nietsvermoedend meisje die in het internaat

plots bloed opmerkte dat tussen haar benen. Ook bij Mira op school was er een meisje die van

niets wist en die dacht ze zou doodgaan. Linda wist evenmin dat alle meisjes vroeg of laat

menstrueerden. Toen ze op een dag bloed verloor wist ze niet wat haar overkwam. Omdat ze op

school in het vak ‘gezondheidsleer’ een les hadden gehad over zware ziekten, dacht ze dat ze

door zo één besmet was. Ze verloor bloed en had pijn aan haar hoofd, dus concludeerde ze dat ze

tyfus had. Enkel dagen stond ze doodsangsten uit omdat ze bang was het hele gezin te besmetten

met tyfus. Toen ze op een dag weigerde te dweilen en als reden uitriep “want ik heb tyfus”,

barstte haar zus in lachen uit en begreep wat er aan de hand was. Uiteindelijk heeft haar moeder

haar dan maandverbanden gegeven en een gordeltje om ze er aan te bevestigen. Linda mocht de

hele dag thuisblijven. De volgende dag werd ze naar de directrice geroepen om er een uitleg te

krijgen, waar ze overigens niets van verstond, over de haan, de kip en de eitjes. Hélène

herinnerde zich dan weer dat drie nonnen op de speelplaats rond een meisje gingen staan om wat

uitleg te geven. De vrouwen die zelf op voorhand hebben geweten dat zij op een dag ook hun

regels zouden krijgen, vertelden er meestal in het interview meteen bij dat er ook andere meisjes

waren die niet wisten wat hen op dat moment overkwam, alsof ze niet wilden dat ik het als een

normale situatie beschouwde dat zij en hun tijdgenoten allen voorbereid waren op die

gebeurtenis.

Meestal kwam menstruatie pas ter sprake tussen moeder en dochter bij de menarche van de

dochter. Als het meisje op dat moment uitleg kreeg van de moeder over menstruatie, dan moest

zij het met erg weinig informatie stellen. “Ne groten uitleg daarover da gaven ze ni in mijnen

tijd” zegt Marie. Rosettes verhaal is klassiek, en nu nog steeds herkenbaar. Moeder en dochter

zaten samen op de rand van het bed toen de moeder Rosette inlichtte. Anders dan vandaag het

geval is, kwam zo’n gesprek er vaak net na die eerste menstruatie en op initiatief van de moeder.

Van een echt gesprek was niet veel sprake. Telkens begon de moeder met: “Nu ben je een groot

38

meisje geworden.” Daarna volgde vaak de waarschuwing dat het meisje vanaf dat moment moest

opletten voor de jongens. “Ik kwam thuis en zei: ik ben helemaal in bloed, en die mensen

expliceerden dat dan en dat ik moest opletten van het mannevolk.” vertelt Godelieve. In één zin

vertelt Godelieve dat ze voor het eerst menstrueerde en dat haar gewaarschuwd werd voor het

andere geslacht. Voor haar zijn deze zaken dus met elkaar verbonden. Ook Rosette, die in de

fabriek meer door een oudere collega werd ingelicht dan thuis, hoorde van die vrouw dat ze vanaf

dan moest oppassen voor de jongens. In voorlichtingsboekjes werd vaak aangeraden het kind

vanaf de menarche te wijzen op de gevaren te vervallen in onzedig gedrag. De moeder van Yvette

zei haar dat ze moest zorgen dat de jongens het niet zouden zien wanneer ze menstrueerde.

Jolanda’s moeder zei dat ze dat moest verzwijgen voor de jongens in het gezin en daarbuiten.

“Het was alsof dat niet bestond” vertelt Rilke omdat het hele gebeuren verborgen moest worden

gehouden. “Zij moet zich zóó leeren gedragen dat niemand in haar omgeving bemerken kan, dat

zij ‘haar dagen’ heeft” staat te lezen in Puberteit, een voorlichtingsboekje van Zedenadel voor

pubermeisjes.71

Een echte uitleg waarom het vrouwelijk lichaam elke maand bloed afscheidde werd door de

moeder niet gegeven: zij had het enkel over de praktische kant van de zaak en was bekommerd

om het uiterlijke voorkomen van haar dochter. Ze gaf aan haar dochter maandverbanden en

verduidelijkte hoe ze die moest aanbrengen, en wat ze met de vuile banden moest aanvangen. Pas

later zouden de meisjes het verband met vruchtbaarheid begrijpen en de reden waarom hen

gezegd was op te passen voor de jongens. In Puberteit raadt de schrijver aan bij de eerste

menstruatie van het kind nog niet meteen “over den samenhang van dit verschijnsel met ’t

moederschap” te spreken. “De geslachtsdrift ontwaakt pas later” dan de menarche, dus dit zou

“aanleiding[kunnen] geven tot nuttelooze en gevaarlijke gedachten en droomerijen.”72 De moeder

van Hélène gaf bijvoorbeeld niets van uitleg aan haar dochter, maar zond haar met een briefje

naar de winkel om een aantal maandverbanden. “Ja, dat was eigenlijk de ondervinding dus: door

de moeder werd daar niet over gesproken: ze zond u met een briefke naar de winkel om vijf of zes

maandverbanden.” Hélène veralgemeent haar eigen situatie. Ze veronderstelt dat haar eigen

ervaring door alle vrouwen van haar generatie werd gedeeld.

71 COX, P., Puberteit (Huwelijk en Huisgezin), Antwerpen, 1942.

39

Als er dus al ouderlijke betrokkenheid was, dan kwam die van de kant van de moeder. In

voorlichtingsboeken riepen auteurs op tot een andere manier van seksuele voorlichting van het

kind. Een meisje niet op de hoogte stellen dat zij aan een bepaalde leeftijd zal menstrueren is

ongehoord, zo klinkt het. “Hier heeft ’t meisje absoluut behoefte aan een verklarend en

verlossend woord en ’t is onbegrijpelijk, hoe menige moeder haar kind in deze kritieken tijd aan

zich zelf kan overlaten Menig meisje is daardoor in grooten angst en zielenood geraakt of heeft

maandenlang getobd met de vrees dat ze ziek was!” staat in Puberteit te lezen.73 Ook in de

Verenigde Staten overkwam vele meisjes hetzelfde. “Er zijn echter maar weinig meisjes die thuis

behoorlijk worden voorgelicht, al doen ze hier en daar wel wat wijsheid op, maar dan meestal

nog van de ongewenste soort. (…) Indien het meisje niets weet van het optreden der menstruatie

dan zal ze de eerste maal lelijk schrikken; ze zal misschien denken, dat ze gewond is of aan een

vreemde ziekte lijdt.” merkte Hutton op.74

Uit de interviews bleek dat als er al sprake was van voorlichting door ouders of andere

opvoeders, dit eerder in negatieve zin gegeven werd dan in positieve zin. Het ontbreken van een

degelijke kennis over seksualiteit kon tot schrijnende gevolgen leiden. Zo vertelde Rilke me hoe

trots en blij ze was toen ze als ze achttien jaar was, voor het eerst naar de bioscoop mocht gaan

met haar verloofde met wie ze al een jaar en een half samen was. Toen ze de bioscoop verlieten,

schrok ze zich een ongeluk toen Marcel haar plots een tongzoen gaf. Eens thuis gekomen, vroeg

ze haar zus of ze nu zwanger was. Dit toont aan hoe bitter weinig men afwist van seksualiteit.

Hélène herinnerde zich dat de directeur op school een preek had gegeven om de meisjes te

overtuigen nooit een tongkus te geven. “Hij overtuigde ons zodanig dat het was alsof we ’s

anderendaags een kindje gingen baren.” Hélène vond het jammer dat voorlichting enkel draaide

om “alles wat seksueel was te remmen en tegen te houden.”

Dat vele meisjes van niets wisten toen zij voor het eerst menstrueerden en daardoor erg

schrokken, hoeft niet te verbazen. Op school werd in de klas immers geen voorlichting gegeven

door leerkrachten. Het vak “gezondheidsleer” werd dan wel gedoceerd, maar daarin werden enkel

zaken behandeld als de dagelijkse hygiëne, bepaalde ziektes, etc. Merkwaardig is dat Hélène, die

72 COX, Puberteit,24.

73 COX, Puberteit,19.

74 HUTTON, Seksualiteit in het huwelijk, 119.

40

verder studeerde voor een diploma regentaat wiskunde-wetenschappen, geen enkele les anatomie

heeft gehad over de voortplantingsorganen. Een blik in haar vroegere nota’s toont inderdaad aan

dat geen enkel woord gerept werd over voortplanting. De behandelde thema’s bleven beperkt tot

nieren, cellen, beenderen, etc. Enkel Liese heeft ooit eens met de klas van een kloosterzuster les

gekregen over de geboorte en hoe kinderen ter wereld kwamen. Pas vanaf de jaren vijftig

moesten scholen verplicht seksuele voorlichting geven.

De meeste van mijn respondenten gingen pas tot veertien jaar naar school. Andere genoten tot

zestien of achttien jaar onderwijs. Rosette ging toen ze veertien was, werken in een spinnerij met

een ploegensysteem. Daar heeft ze heel wat opgestoken over seksualiteit. “Door naar de fabriek

te gaan hé” antwoordt Rosette als ik haar vraag waar ze dergelijke zaken te weten was gekomen.

“Ja, daar hebben wij alles gehoord. Maar ja, er zaten daar ook serieuze mensen tussen hoor, die

dat schoon allemaal zeiden, da was geen vuile praat dat ze zeiden hoor.” Rosette spreekt met

genegenheid over een vrouw die haar en haar vriendinnen geregeld op een niet-vulgaire manier

inlichtte over seksualiteit. Soms werd, vaak uit eigen onwetendheid, ook foute informatie

doorgegeven. Rosette kreeg op haar werk te horen dat wanneer ze door een jongen zou aangerand

worden, dat ze dan hard op haar vlakke hand moest blazen zodat er geen lucht uitkwam. Op die

manier zou ze niet van die jongen zwanger raken. Marianne dacht dat ze maar zwanger kon raken

als ze haar regels had. Ook Madeleine heeft het over een vulgaire manier van praten over zaken

die met seksualiteit gerelateerd waren op het bedrijf van haar echtgenoot. Yvette ging toen ze

zestien was, thuis werken op de boerderij met haar ouders en broers en zussen. Daar werden geen

zaken besproken die verband hielden met seksualiteit: alles wat daar naar verwees werd

verborgen gehouden. Daarom zorgde ze altijd dat haar broers en vader niet zagen dat ze haar

maandstonden had. Linda was een bediende in het bedrijf Bekaert, Godelieve was een naaister.

Op hun werk vormden menstruatie of seksualiteit nooit een gespreksonderwerp. Liese deed thuis

het huishouden aangezien haar moeder er niet meer was. Jolanda ging als dienstmeid in een gezin

in Ieper werken. Voor ongeschoolde katholieke meisjes van eenvoudige komaf werd een

betrekking als dienstmeid als ideaal bevonden. De beslotenheid van het nieuwe huishouden

waarin ze terechtkwamen werd aanzien als een goede leerschool voor jonge meisjes, die hen goed

zou voorbereiden op een latere rol als huismoeder. Dit in tegenstelling tot werken in fabrieken

41

waar meisjes bloot werden gesteld aan zedenverwildering.75 Enkel Hélène studeerde verder.

Pierre Dufoyer vond het gevaarlijk meisjes naar de werkvloer te sturen zonder ze ingelicht te

hebben op vlak van seksualiteit. “Het is dwaas meisjes van veertien tot zestien jaar naar de

fabriek te sturen zonder ze te hebben ingelicht omtrent de dingen die samenhangen met het

vaderschap en zonder haar een zeer hoge opvatting te hebben van de liefde, het huwelijk en van

het moederschap: vijf en negentig van de honderd keren zullen zij al reeds op hun eerste werkdag

of in ieder geval kort daarna, met veel ruwheid over de echtelijke dingen worden voorgelicht.”76

Katholieke meisjes zaten vaak in een katholieke jeugdbeweging. In de jaren twintig bond de kerk

onder impuls van Pius XI de strijd aan met de vrije jeugdbewegingen door de jeugd in te

schakelen in de Katholieke Actie. In zijn encycliek Ubi Arcano Dei had paus Pius XI in 1922 zijn

bezorgdheid geuit over de zedenverwildering die na de Eerste Wereldoorlog had plaatsgevonden.

Hij riep daarom op tot een bevordering van het lekenapostolaat onder het gezag van de kerkelijke

machtsstructuur. Om een secularisering van de samenleving tegen te gaan, werden katholieke

organisaties in Europa die aan dit doel meewerkten onder de noemer Katholieke Actie gebracht.

In 1928 werd in België het Jeugdverbond voor Katholieke Actie (JVKA) opgericht. Het

Vrouwelijk Jeugdverbond voor Katholiek actie kwam er drie jaar later. Het JVKA was in België

een overkoepelende beweging voor de Boer(inn)enjeugbond (BJB, later Katholieke Landelijke

Jeugd of KLJ), de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ), de Katholieke Burgers- en

middenstandsjeugd (KBJ) en de Katholieke Studentenactie (KSA). Ook in de vrije tijd zorgde de

kerk dus voor kaders waarin de jeugd zich aangepast aan leeftijd, geslacht en stand zich op

gepaste wijze kon uitleven.77

Diane was leidster in het Vrouwelijk Jeugdverbond voor Katholieke Actie. Daar kreeg ze

voorlichtingsboekjes te lezen. Als leidster gebeurde het wel eens dat zij en haar

medeleidsters“meiskes die niet leefden gelijk dat ze moesten […] trachten bewust te maken dat

dat niet schoon [BET: niet passend78], dat dat niet goed was en dat dat niet christelijk was”

Meisjes die op het matje geroepen werden, gingen volgens de VJKA bijvoorbeeld te veel (elke

75 LEPLAE, S., Vader worden en moeder zijn: een analyse van de sekseverhoudingen in de jaren vijfitg,

Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement geschiedenis, 1999, 36.

76 DUFOYER, Voorlichting van kinderen en jonge mensen.Beginselen en concrete formulering, Brussel, 1961, 25.

77 VERSTRAETE, L., Invetaris van het archief van de BJB-KLJ 1925-1980, Leuven 1998, 3.

78 BET: betekenis

42

zondag) en te lang naar bals. Dit werd als niet passend bij een goed opgevoed katholiek meisje

beschouwd. De leidsters van de Katholieke Actie hadden als taak dergelijke meisjes aan te sporen

tot een meer sober leven.

Yvette was lid van de Boerinnenjeugdbond. In 1927 besloot de Boerenbond om naast de

bestaande volwassenwerking voor land- en tuinbouwers ook een werking voor jonge boeren en

boerinnen op te richten. De BJB-werking had de totale ontplooiing van land- en

tuinbouwjongeren tot doel op beroepstechnisch, cultureel, sociaal en religieus vlak. De leuze van

BJB “Voor ploeg en kruis” maakte duidelijk dat de beweging zowel van de Boerenbond als van

de Katholieke Actie afhankelijk was. In 1965 krijgt BJB een nieuwe naam: Katholieke Landelijke

Jeugd (KLJ). Vanaf 1969 ontstonden gemengde groepen. Yvette meent zich niet te herinneren dat

daar seksualiteit ter sprake kwam. Pas vanaf de jaren vijftig zou de BJB relationele en seksuele

vorming organiseren voor hun leden.79

Sophie was dan weer lid van de Vrouwelijke Katholieke Bond voor Burgers en

middenstandjeugd (VKBJ), maar kan zich niet te herinneren dat daar over seksualiteit gesproken

werd. De in 1919 gestichte Christelijke Landsbond van de Belgische Middenstandsbeweging

stichtte in 1931 de VKBJ om de vrouwelijke middenstandjeugd “voor Christus te herwinnen”.

Dit gebeurde vijf jaar na de Katholieke Actie-organisatie voor zonen van middenstanders. De

VKBJ was bestemd voor meisjes boven de achttien jaar die uit middenstandskringen afkomstig

waren. Het doel was hen een vorming op godsdienstig, zedelijk, intellectueel, esthetisch,

familiaal en sociaal vlak mee te geven.80

Vanaf 1936 evolueerde de doelstelling van de arbeidersverenigingen voor de christelijke

arbeidersjeugd die in de jaren twintig ontstaan waren. Door met een jongerenwerking de vrije tijd

van jongeren in te vullen hoopten zij in het begin van hun oorsprong de ontkerkelijking tegen te

gaan. Vanaf 1936 kwam de nadruk te liggen op een verovering van het familiale milieu of gezin.

In 1939 en 1941 organiseerden VKAJ en KAJ voor het eerst verloofdencursussen. Ook

79 VERSTRAETE, Inventaris van het archief van de BJB-KLJ, 1- 16.

80 HEYRMAN, P., Middenstandsbeweging en beleid in België 1918-1940. Tussen vrijheid en regulering, Leuven,

1998, 141 en 396. LOWIE, J., Vrouwelijke Katholieke Burgers- en middenstandsjeugd: Organistatie en werking,

Gent, 1932, 3-32.

43

verloofdenkampen konden gevolgd worden. Gedurende twee weken konden meisjes en jongens

in een apart kamp bijleren over het huwelijksleven.81 Voor Madeleine trouwde ging ze naar een

verloofdencursus, georganiseerd door de VKAJ. Elke zondag werd een ander thema toegelicht

zoals de inrichting van het huis. Een zekere week was het thema voorlichting. Maar erg veel kon

de vrouw die uitleg gaf tegen de cursisten niet zeggen net omdat ze nog niet getrouwd waren.

Telkens als ze iets wilde uitleggen moest ze haar uiteenzetting staken:“maar dat kan ik u nog niet

zeggen want u bent nog niet getrouwd”. Madeleine vroeg zich af waarom ze daar dan eigenlijk

zat, en ging er niet veel wijzer terug buiten. Ze vond dat je daar geen voordeel bij had dat het in

haar tijd allemaal zo verborgen werd gehouden. Ook Linda kreeg van een vriend die pastoor was

vlak voor ze trouwde een voorlichtingsboek aangereikt, dat ze met rode wangen las. Zij en haar

man moesten net zoals andere verloofden bovendien even op gesprek bij de pastoor.

De BJB organiseerde net als de VKAJ verloofdencursussen. Vanaf 1943 werden deze op

provinciaal vlak georganiseerd voor meisjes, vanaf 1962 waren deze gemengd. 82 Toen Yvette in

verwachting was, ging ze naar de een aparte vergadering voor jonge moeders, georganiseerd door

de BJB. De jonge vrouwen mochten er zelf hun onderwerpen kiezen. Daar heeft Yvette veel

opgestoken over wat haar en haar baby te wachten stond.

Het huwelijk werd als een breuklijn ervaren in het leven.83 Dit was het geval op professioneel,

persoonlijk en seksueel vlak. Veel vrouwen stopten met werken eens ze gehuwd waren. Linda

vertelt me dat het de gewoonte was dat alle vrouwen uit het katholiek onderwijzend personeel, de

verpleegkundigen en de bedienden het werk neerlegden eens ze getrouwd waren. Dit schreef de

traditie voor. Op die manier konden getrouwde vrouwen zich volledig wijden aan hun gezin en

huishouden. Enkel wie in een fabriek werkte, bleef dit na het huwelijk ook doen. Huwen

betekende voor vrouwelijke leerkrachten in het katholieke onderwijs het einde van de loopbaan.

Men huldigde de traditionele stelling dat men kinderen, die op school nauwelijks seksuele

voorlichting kregen, best niet met zwangere vrouwen confronteerde. Pas in 1963 werd de

81 LEPLAE, S., Vader worden en moeder zijn: een analyse van de sekseverhoudingen in de jaren vijfitg,

Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement geschiedenis, 1999, 33 en 37.

82 VERSTRAETE, Invetaris van het archief van de BJB-KLJ, 14.

83 VERRELST, W., Trots en schaamte van de Vlaming. Een essay over de Vlaamse cultuur in de twintigste eeuw,

Kapellen, 1992, 90.

44

celibaatplicht voor onderwijzeres opgeheven, hoewel al sinds 1922 kritiek uit katholieke en

linkse middens klonk.84

Ook op persoonlijk vlak betekende het huwelijk een verandering in het leven van de vrouw. In de

eerste helft van de vorige eeuw maakten jongeren een zelfde patroon van statuspassages mee. Een

statuspassage is een stap die wordt gemaakt in de overgang van jeugd naar volwassenheid. Een

belangrijke statuspassage is bijvoorbeeld de overgang van de schoolomgeving naar de

arbeidsmarkt door het beëindigen van een opleiding en het starten van een eerste betaalde baan.

Een andere belangrijke stap in het volwassen worden is de overgang van het gezin van herkomst

naar het stichten van een eigen gezin. Tot de jaren zestig was het standaardpatroon zich verloven,

trouwen, het ouderlijk huis verlaten en een eerste kind baren. Als de vrouw trouwde of beviel van

haar eerste kind, dan zegde ze haar werk op om zich volledig te wijden aan een leven als

huismoeder. Sinds de jaren zestig is dit model aan verandering onderhevig: getrouwde vrouwen

bleven werken, koppels gingen ongehuwd samenwonen en stelden de komst van een eerste kind

uit. De standaardlevensloop is sindsdien vervangen door een keuzebiografie: men kiest een eigen

levenloop uit. Standaardisering heeft plaats gemaakt voor individualisering. Jongeren konden in

toenemende mate zelf bepalen wanneer en in welke volgorde zij de statuspassages naar de

volwassenheid zouden nemen. Met gaat de volgorde van statuspassages uitstellen of ermee

variëren. Volgde bijna 80 procent van de jongeren geboren voor of tijdens de Tweede

Wereldoorlog een patroon van uit huis gaan, gelijktijdig of kort daarop trouwen, en vervolgens

een kind krijgen, bij jongeren geboren na 1960 volgde nog slechts een minderheid dit patroon.85

Het huwelijk betekende een toegang tot seksualiteit. Pas als men getrouwd was, kwam men door

ondervinding seksueel gerelateerde zaken te weten. Maar net wanneer het nodig was om er meer

over te weten, was het vaak niet meer mogelijk om er met leeftijdsgenoten over te spreken.

Praten over seksualiteit was immers geen deftig gespreksonderwerp. Marianne vertelde me

bovendien dat je als getrouwde vrouw niet vaak je vriendinnen meer zag aangezien je je volledig

84 SABBE, B., Van de klas naar de Kamer. Leerkrachten in de Belgische kamer van volksvertegenwoordigers,

Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling (1950-1959), Katholieke Unversiteit Leuven, departement geschiedenis,

2002, 66.

85 LIEFBROER, A.C. en DE JONG-GIERVELD, J., ‘Veranderingen in de overgang van jeugd naar volwassenheid.

Een vergelijking van cohorten geboren tussen 1903 en 1965.’, DU BOIS- REYMOND, M. en DE JONGGIERVELD,

J. red., Volwassen worden. Generaties van toen en nu: transities in de levensloop, Houten, 1993, 7-16.

45

toewijdde aan je gezinsleven. Volgens Sophie was het ook niet mogelijk om oude

vriendschappen te onderhouden eens je getrouwd was. Eens getrouwd koos elk z’n eigen plek om

te wonen. In een tijd waarin auto’s en fietsen amper gebruikt werden, waren afstanden soms te

groot om te overbruggen. Bovendien konden vrouwen niet zomaar de kinderen mee nemen.

Meestal verwaterden oude vriendschappen en werden nieuwe opgebouwd met buren. Sophie

vertelt dat je dan meestal wel goed bevriend raakte met een buurvrouw. Toch werden ook dan

geen intieme zaken uitgewisseld met elkaar.

Door de grote onwetendheid bij pasgehuwde koppels, speelde de huisdokter een grote rol in het

inlichten van vrouwen. Hij stond dicht bij de vrouwen en kende hen meestal persoonlijk.

Wanneer zij zwanger waren, stelde hij hen op de hoogte van wat er hen te wachten stond. Linda

heeft veel steun gehad aan haar dokter: zowel wanneer zij pas getrouwd was, als wanneer er

kindjes op komst waren. Ook Hélène en haar man gingen naar de dokter wanneer zij vragen

hadden op seksueel vlak. Enkele vrouwen gingen zelf informatie opzoeken die ze elders niet te

horen kregen. Zowel Marianne als Mira gingen in boeken lezen om meer te weten te komen over

seksualiteit.

Meestal was het zo dat moeders van mijn respondenten en zijzelf wanneer zij op hun beurt

moeder waren nooit voorlichtingsboeken ter hand namen om hun dochters in te lichten.

Dergelijke boeken waren nochtans eerder tot hen gericht dan tot hun kinderen. “Ouders, en

vooral gij moeders, wanneer gij niet wilt, dat uw kinderen op onbehoorlijke wijze worden

voorgelicht, tot grote schade voor de ongereptheid van hun verbeelding, hun hart en hun ziel, dan

moet gij deze voorlichting absoluut zelf in handen nemen.” schreef Pierre Dufoyer.86 De dochters

van de vrouwen die ik geïnterviewd heb waren op een andere manier opgevoed dan hun moeders,

wiens generatie was opgevoed met één standaard opvoedingsmodel waarlangs het leven gedacht

en geleefd behoorde te worden. Die lijn diende gevolgd te worden. Toch hebben weinig vrouwen

die moeder waren in de eerste helft van de twintigste eeuw hun kinderen zelf voorgelicht. Hun

zonen of dochters kregen voorlichting in school, waardoor het vaak de kinderen waren die hun

moeder inlichtten in plaats van omgekeerd. “Ja, ze wisten het eerder van op school dan da wij

het vertelden” vertelt Liese, net zoals alle andere respondenten. Alle vrouwen vonden dit een

46

verbetering met hun eigen situatie, al vonden sommigen dat de voorlichting soms té vroeg wordt

gegeven nu. Ze vonden het ook gemakkelijker: zelf wilden ze wel dat hun kinderen niet zo

onwetend als zij door het leven moesten gaan, maar het maakte hen erg verlegen en onzeker om

er over te beginnen praten. Doordat opvoeders op school aan leerlingen vertelden hoe de vork aan

de steel zat, hoefden de moeders dit niet meer te doen. Dit was vaak een gemak voor de moeders

omdat zij er zich ongemakkelijk bij voelden om over het onderwerp te praten. “Da was pure

schaamte in feite (…) da was heel het gevolg van die opvoeding geweest é.” zegt Linda. Doordat

hun ouders maar heel weinig over seksualiteit spraken met hen, waren zijzelf het niet gewend een

openheid aan de dag te leggen tegen over hun kinderen. Rosette vond het duidelijk jammer dat

zijzelf geen seksuele voorlichting gehad had. “Jeja, we werden dom gehouden. Maar nu is dat

heel anders é. Ik vind da nu beter. Vroeger was het een beetje té weinig, en nu is ’t misschien wel

een beetje te veel. Ze beginnen der aan bij kinders van goh de kleuterklaskes, allé. En een kind

gaat toch ni meer begrijpen dan ze verstaan hé. Maar langs de andere kant, aje van niets weet,

tis ook wat hé”

Omdat vrouwen weinig afwisten van de werking van de eigen vruchtbaarheid, wisten ze ook niet

goed wanneer en hoe die tot een einde kwam. Rilke vroeg aan mij aan welke leeftijd dat normaal

plaats vond; ze wist niet of haar menopauze vroeger of later was gekomen dan die bij haar

leeftijdsgenoten. Linda was eenenvijftig en dacht dat ze in verwachting was omdat ze haar regels

niet meer kreeg. Erg beschaamd om op haar leeftijd nog een kind te verwachten, ging ze naar een

dokter op vijftien kilometer van haar huis vandaan. Dat ze daarvoor speciaal ver ging zodat

niemand de dokter zou kunnen kennen uit haar omgeving, toont aan hoe bang en beschaamd ze

was om in verwachting te zijn. Die dokter stelde haar gerust dat haar maandstonden uitbleven

omdat ze in haar menopauze gekomen was. Vast staat alleszins dat alle geïnterviewde vrouwen

erg blij waren toen ze hun maandstonden niet meer hadden. Vooral het wegvallen van de last die

het maandelijks verliezen van bloed met zich meebracht, werd op enthousiasme onthaald. Marie

vond het ook handig dat zij en haar echtgenoot niet meer hoefden te denken aan

geboortebeperking. Enkel zij had een dubbel gevoel: enerzijds was ze blij dat ze dat ongemak

niet meer hoefde te verdragen, anderzijds vond ze het jammer dat dit het einde betekende van

haar vruchtbaarheid. Net als de precieze leeftijd van de eerste menstruatie, wisten al mijn

86 DUFOYER, Voorlichting van kinderen en jonge mensen, 12-13.

47

respondenten de leeftijd waarop hun menopauze begon door te breken en hun maandstonden

onregelmatig verliepen. Het vormde dus blijkbaar een belangrijk moment in hun leven.

Hoewel het niet tot de kern van mijn onderzoek behoorde, polste ik in de interviews toch ook

naar hoe het zat met de kennis van seksualiteit bij de echtenoten van de vrouwen. Vaak wisten de

vrouwen wel dat hun man wel op de hoogte was van die zaken, maar waar ze die informatie

vandaan gehaald hadden, wisten ze eigenlijk niet. Of dit een gevolg is van de moeizame

communicatie over seksualiteit die toen ook tussen een getrouwd koppel heerste, is moeilijk te

zeggen. Het kan even goed zijn dat de geïnterviewde vrouwen het zich gewoonweg niet meer

voor de geest kunnen halen waar en hoe hun echtgenoten ingelicht werden.

Mannen werden het meest voorgelicht in het leger. Wanneer Liese’s man er in het interview komt

bijzitten, vertelt hij dat het leger een tweede opvoeding was voor hem. De aalmoezenier van het

leger had hem en zijn medesoldaten ingelicht “over geslachtsziekten en allemaal.” Door naar het

leger te gaan wisten jongens dus soms meer af van seksualiteit dan meisjes, maar die informatie

werd vooral verschaft om mannen ervan te weerhouden er seksuele betrekkingen op na te

houden. Volgens Linda waren de jongens “toch wel een beetje voor op dat gebied.”: jongens

hadden volgens haar een voorsprong op vlak van kennis van seksualiteit. De man van Rilke

merkte bijvoorbeeld dat zijn echtgenote niet veel afwist van seksualiteit en dus stuurde hij haar

een boekje op dat hij in het leger kreeg. Misschien was het boekje dat Rilke door haar man

toegestuurd kreeg het door Daels voorlichtingsboekje Voor onze jongens geschreven, bedoeld

voor de Belgische soldaten. Toen ik Yvette vroeg of haar man meer op de hoogte was van

seksualiteit dan haar, zei ze: “Ja, hij was soldaat geweest en ze wisten zij dat.” Yvette zegt dus

spontaan dat mannen in het leger seksueel gevormd werden waardoor ze soms meer dan vrouwen

op de hoogte waren van seksualiteit. Maries man wist af van het fenomeen menstruatie maar hij

had dat uiteraard nog nooit gezien. Hij kon zich niets voorstellen bij die maandelijkse bloedingen

en vroeg aan zijn vrouw Marie of hij dat eens mocht zien.

Kortom, tienermeisjes wisten erg weinig van wat hen te wachten stond op seksueel vlak. Vele

menstrueerden voor het eerst en wisten niet wat hen overkwam. Zelf kregen jonge meisjes

nauwelijks informatie van ouders en opvoeders, en ook wat ze te weten kwamen van

48

leeftijdsgenoten was vaak iets vaags en onbegrijpelijk. “We moesten dat allemaal een beetje zelf

ondervinden en zoeken.” zegt Liese. Beetje bij beetje kwamen ze meer te weten. Ook

jeugdbewegingen speelden een rol in de seksuele en algemene opvoeding van de jeugd. Eerder

dan het verstrekken van seksuele informatie ging het in dat geval om seksuele preventie. Vooral

in katholieke bewegingen wou men, door de Katholieke Actie beïnvloed, werk maken van het ver

weg houden van jongeren van seks en het afremmen van onzedelijk gedrag. Onzedelijke en

vulgaire praat over seksualiteit was meestal te vinden in fabrieken, zo werd verkondigd. Er werd

nooit iets uitgelegd, maar toch stelden de jonge meisjes nooit vragen. Madeleine vat als volgt

samen hoe ze alles rond seksualiteit is te weten gekomen: “zoveel mogelijk alles uitpluizen en

alles zelf ondervinden als je getrouwd was.” Seksualiteit behoorde toe aan het huwelijk, maar

slechts weinigen stapten op dat vlak goed voorbereid in het huwelijksbootje. Mira’s moeder wist

bijvoorbeeld niet hoe kinderen ter wereld werden gebracht. Ze wist niet “of het vanvoor er uit

kwam of van achter”. Ook Sophie wist niets van seksualiteit af in het begin van haar huwelijk.

Hoewel in de medische wereld tegen midden van de twintigste eeuw redelijk goed geweten was

waarom een vrouw elke maand bloed verloor, was de bevolking niet van hetzelfde op de hoogte.

Niettegenstaande na het huwelijk de kennis toenam over seksualiteit, bleef die erg beperkt. De

reden hiervoor lag bij de schaamte en angst om over een dergelijk, intiem onderwerp te praten.

49

Deel 2: Wat men vertelde over menstruatie,

het communicatieve aspect

1/ Taboe-onderwerp

1.1 Rilke’s verhaal

Rilke (°1931) groeide op in een Oost-Vlaams dorpje als dochter van een schoolhoofd en een

schoolinspectrice. Ze had één oudere en één jongere zus. Ze liep tot haar achttien jaar school in

een internaat waar nonnen lesgaven. Daar kreeg ze voor het eerst haar regels. Omdat niemand

haar er ooit iets over had verteld, wist zij niet wat haar overkwam. Een vriendin gaf haar wat

uitleg en vroeg haar of haar moeder haar daar dan nooit iets over had gezegd. Dat was niet het

geval. Toen ze naar huis ging, vertelde Rilke wat haar overkomen was aan haar moeder. Die zei:

“Dat is goed.” Enigszins verontwaardigd dat zij haar niet voordien op de hoogte had gebracht zei

Rilke: “Ik dacht dat ik ziek was en heb het gezegd aan een vriendin.” Daarop zei haar moeder dat

ze dit niet had moeten doen. Met haar moeder sprak ze behalve die ene keer nooit over

menstruatie. Rilke en haar oudere zus spraken er evenmin over, behalve als Rilke haar iets vroeg.

Haar jongere zus was acht jaar jonger, te jong om er met haar over te spreken. Op school praatten

zij en haar vriendinnen nooit over menstrueren. “Het was alsof dat niet bestond,” vertelt Rilke.

Omdat er zelf nooit iets aan haar werd gezegd over menstruatie, vroeg ze ook nooit iets.

Menstruatie werd verzwegen; het kwam dus nooit in haar op om vragen te stellen. Nog steeds is

ze verontwaardigd over hoe “hulpeloos” haar ouders en de nonnen waren. Na 75 jaar wordt ze

nog steeds kwaad als ze denkt aan de nonnen en de veel te strenge sfeer op school, waar zij hen

verantwoordelijk voor acht. Net als bij Rilke thuis, heerste er op school een autoritair en rigide

klimaat. Op een bepaalde ochtend had Rilke door haar maandstonden erg veel buikpijn. Ze wou

daarom niet zoals gebruikelijk knielen voor haar bed alvorens naar de eucharistieviering te gaan.

Toen een non haar toch verplichtte dit te doen, viel Rilke flauw. In het internaat werden alle

banden in een linnenzak gegooid bij de rest van de vuile was. Na twee maand mochten de

leerlingen naar huis en werd het vuile wasgoed gewassen. Haar moeder zweeg dan wel in alle

talen over menstruatie of seksualiteit, ze zorgde er wel voor dat Rilke steeds genoeg banden

bijhad op internaat.

50

Omdat haar zus getrouwd was ‘van moeten’, werd Rilke bij haar nonkel geroepen die

missionaris was om raad van hem te krijgen. “Eens de trouwdag gekend is, is de man niet meer te

houden. Maakt dat ge hem wel kunt houden!”, zo herinnert Rilke zich het advies. Als

zeventienjarig meisje had Rilke een relatie met Marcel, die haar latere echtgenoot zou worden.

Toen zij met hem, na meer dan een jaar samen te zijn, eindelijk naar de cinema mocht, kreeg ze

daar haar eerste tongzoen. Thuisgekomen vroeg ze aan haar zus of dit betekende dat ze zwanger

was. Rilke’s echtgenoot merkte dat zijn vrouw niet veel wist over seksualiteit. Daarom stuurde

hij haar, toen hij gekazerneerd was, een voorlichtingsboekje op dat hij in het leger gekregen had.

Rilke ging later aan het werk als schooljuffrouw in het lager onderwijs, waar ze haar leerlingen

voorlichting moest geven. Dit vond en vindt ze een verbetering met de opvoeding die zij gehad

heeft Toch vond ze het niet gemakkelijk om zo’n intieme dingen uit te leggen aan de leerlingen.

Toen ze tenslotte ongeveer vijftig jaar was, bleven haar regels uit. Ze dacht dat ze opnieuw

zwanger en besefte niet dat haar menopauze aangebroken was.

1.2 “We waren daar eigenlijk erg bedekt over”

Menstruatie is een gebeurtenis die omgeven wordt door schaamte en geheimzinnigheid. Ook

vandaag zal een vrouw het niet van de daken schreeuwen dat ze haar maandstonden heeft. In de

eerste helft van de vorige eeuw was menstruatie echter nog een veel groter taboeonderwerp. Men

sprak er eigenlijk nauwelijks over. Alleen al het verwoorden zelf van de menstruatie gebeurde in

codetaal. De woorden menstruatie of maandstonden werden niet in de mond genomen. Als een

vrouw er al voor uitkwam dat ze haar maandstonden had, dan werd dat op een creatieve manier

verwoord. Deze uitdrukkingen worden nu nog vaak gebruikt, menstruatie is immers nog steeds

geen alledaags onderwerp. Tante Marie of tante Rosette is op bezoek, de rode vlag hangt uit, de

Russen zijn geland, de socialisten zijn op bezoek, op zijn regels zijn, zijn regels hebben, op zijn

tijd zijn: alle worden ze gebruikt om het zo verbloemd mogelijk mee te delen. Elke Vlaamse

provincie heeft bovendien zijn eigen uitdrukkingen. In West-Vlaanderen zegt men “ik heb mijn

brol” of “ik zit met mijn bucht.” In Oost-Vlaanderen verwoorden vrouwen het als “ik heb mijn

bazaar.” Antwerpse vrouwen hebben het over “loeten” of “vodden” hebben. In Limburg zeggen

vrouwen wel eens “ik heb mijn prul.”87

87 Zie interviews en navraag bij kennissen

51

Doorheen alle interviews gebruikten de vrouwen spontaan steeds hetzelfde woord om aan te

tonen dat menstruatie erg vaak met schroom behandeld werd. Alles was meer “bedekt”, zo

vertellen velen. Men sprak amper over het thema, en in geen geval met mannen. Zoals in het

vorig hoofdstuk reeds is aangetoond, was de menarche vaak de eerste maal dat vrouwen iets te

horen kregen van het fenomeen menstruatie. Het was niet ongewoon dat dit de eerste en laatste

maal was dat het jonge meisje over menstruatie sprak met haar moeder. De moeder van Julia

Room zei zelfs letterlijk aan haar dochter: “‘Je houdt dat nu gezwegen.’ Ja m’n andere zuster was

bijna drie jaar jonger dan ik en dat mocht dan niet geweten zijn.” Zowel Sophie als Rosette

vertellen met nadruk hoe in alle talen gezwegen werd over alles wat met menstruatie te maken

had. “Geen woord, geen woord!” beklemtonen beide.

In de huiskring werd onder zussen ook bijna nooit over menstruatie gesproken. Meisjes wisten

bijvoorbeeld vaak niet wanneer hun zussen menstrueerden en of ze al ooit gemenstrueerd hadden.

Madeleine zegt nooit te hebben geweten wanneer haar zus haar maandstonden kreeg. “Ik heb dat

niet geweten, en kijk kweet het zelfs nu nog niet” Sophie zag bijvoorbeeld aan de hoop

maandverbanden in de ketel die groter was dan normaal dat haar jongere zus ook haar regels had

gekregen. Toen droeg men immers maandverbanden in spons of flanel die terug uitgewassen

dienden te worden. Men deed de vuile banden dan in een emmer water met zout zodat de vlekken

er makkelijker uit zouden gaan. Dat zussen niets van elkaars maandstonden afwisten, is enigszins

vreemd want ze sliepen meestal in eenzelfde kamer. Toen Sophie voor het eerst menstrueerde,

was het haar oudere zus die aan Sophies slaapkleed zag dat zij ’s nachts bloed had verloren en

hun moeder inlichtte. De moeder probeerde Sophie, die in paniek was omwille van het bloed op

haar kleren, gerust te stellen. Zelf had haar zus het voor Sophie altijd verborgen gehouden

wanneer ze menstrueerde. Ook Linda had nooit iets gemerkt bij haar zussen. Rosette dan weer

wel: zij had een zus die twee jaar jonger was dan haar en die op de hoogte werd gesteld door

Rosette. Marie wist door haar zus eveneens dat vrouwen menstrueerden. Normaal gesproken

werd zowel thuis als op school echter nauwelijks een woord gerept over menstruatie. Hoewel

52

moeder en dochters vaak samen menstrueerden, spraken zij daar bijna nooit over.88 “Ze zeiden

het niet maar ge voelde dat je daar niet mocht over spreken,” vertelt Sophie.

Menstruatie was een onbespreekbaar thema. Het was een vicieuze cirkel: omdat niemand er over

sprak, durfde men er zelf ook niet over te spreken. “Aangezien dat ons ouders ons niets gezegd

hebben en aangezien dat ze in de school niets zeiden, zeiden wij natuurlijk ook niet te veel é.”

vertelt Rosette. Wie toch sprak over maandstonden, zei gewoon dat ze op dat moment haar regels

had, of dat ze pijn had. In dat geval werd dat verteld aan de moeder, misschien een goede

vriendin of later aan de echtgenoot. Maar het bleef bij het summier vermelden van de toestand.

Verder werd er geen woord over menstruatie gerept. “We klapten daar niet van” vertelt Diane.

Ook andere vrouwen vertellen in de we-vorm als ze me vertellen hoe het onderwerp nauwelijks

ter sprake kwam. Rosette zegt bijvoorbeeld: “We waren daar eigenlijk vre bedekt in.” In een

artikel van Snow en Johnson wordt op basis van 40 interviews met Amerikaanse vrouwen

betoogd: “Menstruation is a topic not discussed by nice people […] it is a sin and a shame for a

menstruating woman to go out in public”89 Rosette herinnert zich het antwoord dat haar moeder

gaf op de vraag van haar broer waarvoor de banden dienden die aan de waslijn hingen: “Dat is

een plastron van uw vader” Omdat hun vader eigenlijk nooit een das droeg was dit een vreemd

antwoord. Dat Rosette zich deze anekdote herinnert, toont aan dat dit antwoord van haar moeder

haar erg verbaasde. Men kwam dus op de proppen met absurde antwoorden om verdere vragen

over intieme onderwerpen te ontwijken.

Niet enkel een menstruerend lichaam werd met schroom behandeld, ook het lichaam in het

algemeen. Op kostscholen werd angstvallig in de gaten gehouden of leerlingen zich letterlijk niet

te veel bloot gaven. Ongeveer een derde van de vrouwen die geïnterviewd werden, liepen school

in een internaat. De geïnterviewde vrouwen vertelden allen dat alles zeer “bedekt” werd

gehouden. Dat is een figuurlijke beschrijving voor het stilzwijgen rond het thema, maar dit kan

ook zeker letterlijk genomen worden. In internaten was het leven streng en gedisciplineerd. Ook

over de omgang met het lichaam bestonden strikte regels. Linda vertelt dat een kennis van haar

88 Vaak is het zo dat samenlevende vrouwen op hetzelfde moment menstrueren. Dit is wetenschappelijk verklaard

door een uitwisseling van feromenen.

89 SNOW, L.F. en JOHNSON, S.M., ‘Myths about menstruation: Victims of our folklore’, International journal of

women’s studies, 1 (1978), 66.

53

zich op kostschool moest wassen in een bad dat bedekt was met een zeildoek waar enkel een gat

voor het hoofd in zat. Op andere kostscholen moesten meisjes zich wassen terwijl ze een

badhemd of -schortje droegen. Vanaf de jaren vijftig raakten deze gewoontes in onbruik.90

Schouwenaars vermeldt deze gebruiken in haar Kiesche Waarheid. “Het amerikanisme van het

dagelijksch bad zal in het oude Europa waarschijnlijk nog niet zoo vlug wortel schieten, maar

intusschen kan, naast de dagelijksche intieme verzorging, het wekelijksch bad of de totale

wasgelegenheid met warm water, ruim en vrij worden voor meisjes. En in die bepaalde

omstandigheid kunnen wij het geenszins zondig vinden, dat zij haar lichaam zouden zien, als zij

door practische vorming weten, dat het slechts schuldig aanschouwelijk wordt, wanneer er

ongemotiveerd en opzettelijk gestreefd wordt naar het genieten van het sexueel-getinte

lustgevoel, wat in de gewoonteverzorging normaal achterwege blijft bij goede meisjes.”91

Yvette maakte een gelijkaardige situatie mee in het internaat. Zoals in zoveel kostscholen sliep zij

in een chambrette in een grote slaapzaal of dormoir. Elk meisje had haar eigen klein kamertje dat

bovenaan open was, en afgesloten was met houten panelen en een gordijn. In een chambrette was

er net genoeg plaats voor een bed, een kastje, een kan en een kom om ’s ochtends het water in te

gieten om zich te wassen. Als zij zich ‘s morgens wasten dan kwam een non geregeld het gordijn

opendoen om de meisjes te controleren. De meisjes mochten zich immers niet uitkleden tijdens

het wassen. Zij moesten een vers onderhemdje aandoen boven het vuile, en zich onder dat

onderhemd met een washandje wassen. “We mochten niet met ons lichaam bezig zijn” verklaart

Yvette. Zij vond dit toen erg overdreven. Ook bij de voetwassing waren er strenge regels. Elke

zaterdagnamiddag moesten de internen voor een voetbadje met een handdoek op de knieën zitten.

Ieder moest voor zich uitkijken, om te vermijden dat geen enkel meisje de billen van een ander

zou zien. Blijkbaar werden benen als een erotisch lichaamsdeel beschouwd. Rokken kwamen

steeds onder de knieën, waaronder steeds kousen werden gedragen. Linda herinnert zich dat deze

niet naar beneden mochten worden gestropt in de zomer. Ook bij Hélène was ingeprent haar

lichaam en benen niet zomaar bloot te geven. Haar vader was brandweerman. Toen hij op een

dag bij het alarm slaan van de trompettier ontdekte dat zijn brandweerhelm nog thuis lag, moest

Hélène die gaan brengen. Vooraleer Hélène zich haastte naar haar vader, nam ze eerst nog de tijd

90 HILHORST, M., Bij de zusters op kostschool : geschiedenis van het dagelijks leven van meisjes op roomskatholieke

pensionaten in Nederland en Vlaanderen, Utrecht, 1989, 106-107.

91 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid, 113.

54

om kousen aan te doen. “Is dat niet geïndoctrineerd zijn?” zegt Hélène. Niet alleen de anekdote

is opmerkelijk. Het feit dat Hélène zich dit herinnert, duidt aan dat dit betekenisvol was voor

haar. Ook de man van Liese vertelt me spontaan een gelijkaardige anekdote. Hij vond het altijd

vreemd dat zijn zus in een andere kamer ging om haar kousen aan te doen, en vindt dit nog steeds

een overdreven reactie van haar.

Naast het keurige voorkomen van de meisjes, werd ook angstvallig in de gaten gehouden wat er

op de speelplaats verteld werd. Jeanine, het knapste meisje van de klas zo vertelt Linda, onthulde

op de speelplaats aangebrande verhaaltjes die ze van volwassenen gehoord had. De hoofdzuster

kwam dit te weten en wou uitvissen wie daar allemaal bij was geweest. Jeannine mocht haar

examens niet meer afleggen en moest de school verlaten. De andere meisjes die naar Jeanines

verhaaltjes geluisterd hadden, moesten als straf in het weekend in het internaat blijven en

moesten te biecht gaan. Ook Liese is nog gestraft geweest omdat ze op de speelplaats in met een

groepje meisjes over menstruatie bezig was. De meisjes mochten niet meer in groepjes bij elkaar

lopen maar moesten spelen. “Ja, er mocht daar feitelijk niet over gesproken worden. En daarmee

spraken de meesten daar onder mekaar ook niet over. En in ’t huisgezin ook niet. Er werd daar

ook niet over gesproken, dat werd allemaal erg bedekt gehouden.” aldus Liese. Onder

vriendinnen kon het dus wel gebeuren dat meisjes over menstrueren spraken. Leeftijdgenoten

waren in dat geval ongeveer tussen dertien en zestien jaar: een leeftijd waarop de menstruatie

ieder moment kon verschijnen. Meestal vroegen zij dan op een heimelijke manier onder elkaar of

de ander haar regels al had. Sommige meisjes die rijper waren, lichtten de andere meisjes in.

“Awel, da was zo: ge ging bijvoorbeeld naar een jongerenvereniging en dan werd er al eens

gefluisterd: ‘zije gij al groot?’ Wa wist je gij wat dat dat was als je groot of klein waart. Dus da

wilde dan zeggen: heb je al uw maandstonden?” zegt Hélène. Zijzelf wist echter niet wat bedoeld

werd met “al groot zijn”, en dus verzon ze maar een antwoord. Wanneer het lerarencorps echter

opmerkte dat meisjes over dergelijke thema’s spraken, werden meestal sancties getroffen. In het

begin van de twintigste eeuw was surveilleren en straffen een vaak gebruikte opvoedingsmethode

in kostscholen. Door strenge reglementen hoopte men de orde te handhaven en discipline bij te

brengen.92 Het imago van de school speelde eveneens mee in het straffen van bepaald gedrag.

Meisjes die spraken over prikkelende of seksueel getinte onderwerpen waren niet alleen een

92 HILHORST, Bij de zusters op kostschool, 60.

55

slecht voorbeeld voor anderen; dit kon de school ook een slechte naam bezorgen. Om dergelijk

gedrag niet aan te moedigen, werd deze aan straffen onderworpen. Soms spraken goede

vriendinnen helemaal niet over menstrueren. Linda had in het pensionaat een zeer goede vriendin

met wie ze veel gepraat en beleefd heeft. Toch hebben zij het nooit gehad over menstruatie. Het

was dus afhankelijk van de vriendinnengroep of over menstruatie werd gepraat.

Thans vertellen ze er makkelijker over, maar toch weerden enkelen hun man uitdrukkelijk uit de

ruimte waar m’n respondent en ik zich bevonden. Bij Marie- Hélène vond het gesprek plaats in

de woonkamer naast de keuken. Toen ze hoorde dat haar man in de keuken binnenkwam stond ze

op om de deur te sluiten tussen de keuken en de woonkamer en zei: “Dat is toch geen

mannenpraat hé.” Wanneer ze even later aan het zoeken was op zolder naar een oud

maandverband om me te laten zien, gaf ze een vaag en afschepend antwoord aan haar man toen

die vroeg wat ze aan het zoeken was. Bij Marie en Rosette ging de man op eigen initiatief weg.

Julias man zei voor hij zich afzonderde: “Dat is vrouwenpolitiek.” Christelles man kwam er dan

weer bijzitten, terwijl haar vrouw op dezelfde manier en met hetzelfde gemak verder vertelde. Bij

het zoeken naar vrouwen die bereid waren geïnterviewd te worden, stuitte ik op een aantal

vrouwen die niets voelden om over dit onderwerp te spreken. Vrouwen waren sneller bereid tot

een interview als ze mij persoonlijk of via een kleindochter kenden. Dit bewijst eveneens dat

menstruatie nog altijd een taboe-onderwerp is, toch zeker voor die generatie.

Kortom, over het algemeen kan men dus stellen dat gewoonlijk niet over het menstruatie werd

gesproken. Menstruatie was in de eerste helft van de twintigste eeuw een taboeonderwerp. Niet

alleen een menstruerend lichaam werd verborgen gehouden, ook wanneer meisjes niet

menstrueerden werd op kostscholen in de gaten gehouden of het lichaam niet te veel werd bloot

gegeven. Als menstruatie toch ter sprake werd gebracht, was dit meestal door tienermeisjes die

wilden weten of uitleggen wat datgene dat een aantal onder hen al meemaakten, inhield. Op

oudere leeftijd werd menstruatie maar vermeld als er lichamelijke klachten waren. Om schaamte

te vermijden, meed men het onderwerp. Menstruatie was daarom bijna onbestaande als

gespreksonderwerp in het begin van de twintigste eeuw. Anders dan de gesprekken, beheerste het

soms wel het handelen van vrouwen, zoals te merken is bij de menstruatietaboes.

56

2/ Menstruatietaboe(s)

Het gros van de literatuur dat expliciet het thema menstruatie behandelt, brengt menstruatietaboes

ter sprake. Een taboe wordt door de antropologische literatuur gedefinieerd als een

bovennatuurlijk gesanctioneerde wet. Het verschil tussen een taboe en een opgelegde regel is dat

taboes een spirituele, mystieke of symbolische fundering hebben. Bij menstruatietaboes gaat het

om “symbolic pollution”, de symbolische vervuiling die menstruatiebloed zou teweeg brengen.

Contact of aanraking met een menstruerende vrouw of haar menstruatiebloed kan ernstige

gevolgen hebben. Voedsel zou immers bederven als het in aanraking komt met een

menstruerende vrouw, planten zouden verwelken, mannen kunnen impotent worden, zo wordt of

werd in vele culturen beweerd.93 Om die vervuiling tegen te gaan, respecteert een gemeenschap

het taboe en isoleert zij menstruerende vrouwen fysiek of symbolisch van de gemeenschap. In

sommige culturen werden of worden menstruerende vrouwen in menstruatiehutten geïsoleerd van

de rest van groep zodat zij geen bevuiling kunnen veroorzaken. Deze menstruatiehutten worden

meestal in de literatuur naar voor gebracht omdat zij het meest opvallende voorbeeld zijn van het

taboe dat heerst rond menstruerende vrouwen. Vrouwen werken gedurende deze dagen niet en

nemen niet deel aan de activiteiten van de gemeenschap. Tijdens deze periode kookt de vrouw

enkel voor zichzelf of voor andere vrouwen. Dergelijke menstruatiehutten bestaan nog steeds in

bepaalde continenten.94 Of dergelijke menstruatiehutten in West-Europa hebben bestaan is niet

gekend. Omwille van de universele vind- en bestaanplaatsen van dergelijke hutten, lijkt het

aannemelijk dat ook in onze streken dit gebruik aanwezig was. Omdat dit niet met zekerheid is

vast te stellen, en in de eerste helft van de twintigste eeuw geen sporen hiervan terug te vinden

zijn, houd ik het bij deze verhandeling bij een vermelding van het gebruik. Ik ga wel dieper in op

andere menstruatietaboes die in Vlaanderen te vinden zijn.

Naast menstruerende vrouwen fysisch isoleren door ze tijdens hun maandstonden van de

gemeenschap onder te brengen in speciaal daarvoor opgerichte hutten, bestaan er bij culturen ook

taboes die indirect contact vermijden met menstruerende vrouwen. Door hen niet in de nabijheid

93 BUCKLEY, Blood magic, 4 en 24.

94 WEIDEGER, Menstruation and menopause, 95-97. Op 14 december 2005 besliste het hooggerechtshof in Nepal

dat de chhaupadi, de wetten die menstruerende vrouwen opleggen zich af te zonderen en verbieden aan religieuze

actviteiten deel te nemen, verboden waren. http://ayaanhirsiali.weblog.

nl/ayaanhirsiali/2005/09/169_geen_afzond.html

57

te laten komen van voedsel, voorraadplaatsen of plaatsen waar geoogst wordt wil men een

vervuiling vermijden. Een andere groep menstruatietaboes zijn deze die het seksueel contact met

een menstruerende vrouw verbieden. In hoeverre zijn dergelijke taboes in de twintigste eeuw in

Vlaanderen te vinden?

2.1 Menstruerende vrouwen voedsel niet laten aanraken

In veel culturen gelooft men dat menstruerende vrouwen beter niet in aanraking met voedsel

komen. Dit is geen recente overtuiging. Plinius de Oudere schreef in 65 dat wijn zuur zou worden

en dat gewassen, vruchten en zaden zouden aangetast worden. Staal, ijzer, brons en ivoor werden

beschadigd, bijen stierven en hondenbeten werden giftig na de smaak van menstruatiebloed.95 Als

een menstruerende vrouw in de Middeleeuwen bier tapte dan zou de schuimkraag neerslaan, zo

werd verkondigd. Menstruerende vrouwen mogen of mochten in vele culturen niet door velden

lopen om de oogst niet te laten mislukken of werden er juist in gestuurd om ongedierte te doden.

In Lapland mag een vrouw de plaats waar gevist wordt niet naderen. 96 In Spanje gaven

menstruerende vrouwen tot een generatie geleden geen water aan planten omdat die zouden

verwelken, plukten ze geen bloemen en werden de druiven dan niet platgestampt om er wijn van

te maken.97

Dichter bij huis zijn dergelijke taboes eveneens te vinden. In Vlaanderen was het meest

aanwezige en nog steeds gekende taboe dat de mayonaise zou mislukken als ze door een

menstruerende vrouw werd gemaakt. Deze saus werd in de jaren dertig door vrouwen die in

dienst waren bij de burgerij meegebracht naar het thuisfront en werd zo bekend in de

volkskeuken.98 Bij de bereiding ervan kan van veel fout gaan, zodat de saus gaat schiften. Zo

moeten alle ingrediënten bijvoorbeeld dezelfde temperatuur hebben. Bepaalde vrouwen hielden

nog tot midden vorige eeuw vast aan dit gebruik. Zo maakte de helft van de door mij

geïnterviewde vrouwen geen mayonaise wanneer ze menstrueerden. Andere schreven dit af als

95 WEIDEGER, Menstruation and menopause, 95.

96 BRAAM, W. en LEEMHUIS A., 100 vragen over de menstruatie, Antwerpen, 1978, 25.

97 THUREN, B.M., ‘Opening doors and getting rid of shame. Experiences of first menstruation in Valencia, Spain.’,

Women’s studies international forum, 17 (1994). De hier boven vermeldde taboes kunnen ondertussen achterhaald

zijn. Het gaat in deze verhandeling echter alleen om het gebruik van taboes in vele culturen aan te tonen.

98 DE KEYZER, D., Madame est servie. Leven in dienst van adel en burgerij, Leuven, 1995, 184.

58

bijgeloof en trokken er zich niets van aan. Vrouwen die toch mayonaise maakten tijdens hun

maandstonden, waren niet altijd overtuigd of wat men beweerde fout was.

Enkele vrouwen, zoals Marie, weten nog altijd niet zeker of maandstonden inderdaad mayonaise

kunnen doen mislukken. “Aja, maar daar heb ik nooit op gelet. Da schijnt wel hé, da als je

mayonaise maakt, dat dat gaat kapot gaan of zoiets. Zou da waar zijn?” Yvette vroeg me of de

adem daar iets mee te maken had. “ Ze hielden daar rekening mee, was dat mogelijk dat die

adem daar wat aan deed? Aja want da ging, da kwam ni in aanraking met vuile banden of iets, of

was da dan uw gesteltenis of zoiets?” Ze is er dus nog steeds niet zeker van waarom dat gebruik

er was en stelt het niet in vraag. Zonder nadenken onthield ze zich van het maken van mayonaise,

aangezien dat zo hoorde. Andere vrouwen zoals Rosette, Madeleine en Hélène schonken geen

aandacht aan dergelijke uitspraken. Als ik haar vraag waarom, zegt Rosette: “Omdat ik daar nog

ni zoveel van geloof, kwil het eerst ondervinden, tmislukte anders al ne keer mayonaise, dus wa

kun je al gaan weten dat dat daarvan is? Aja, tis em nog geweest dat ik mayonaise maakte en da

ze mislukte als ik op m’n regels ni was dus ja. Hoe kun je gij dan zeker gaan zeggen: ja maar tligt

daar aan. Banee é, want ge zijt dan op u regels ni en ze mislukt ook. ‘T kan em van iets anders

ook zijn é da ze mislukt. Ja want aje ze zelf maakt moet dat azo nog vre gepast zijn, u eieren

moeten schoon dezelfde temperatuur hebben als uw vloeistof dusja,’t kan em aan iets anders

liggen ook é. Kheb daar lik nooit echt [rekening mee gehouden]” Proefondervindelijk

constateerde Rosette dus dat de mayonaise wel eens durfde te mislukken, of ze nu haar regels had

of niet. Ze maakte dus mayonaise wanneer het haar paste, zonder rekening te houden met haar

menstruatiecyclus.

Een andere activiteit die tijdens het menstrueren vaak werd vermeden, was het steriliseren van

groenten of andere voedselwaren. Het voedsel zou bederven als men dit toch deed, zo werd

verkondigd. In een tijd zonder koelkasten of diepvriezers kon een aangetaste voedselvoorraad een

kleine ramp betekenen voor een huisgezin. Daardoor nam men alles in acht om het bewaren van

voedsel niet te laten mislukken. Een menstruerende vrouw mocht daarom bijvoorbeeld niet

aanwezig zijn bij het slachten of het geslachte vlees dat in de pekel lag aanraken. Ook in Spanje

zijn dergelijke gebruiken terug te vinden bij vrouwen van vorige generaties.

59

Yvette, een boerendochter die later zelf boerin werd, vertelt dat zij en haar man de slachting niet

lieten doorgaan op een moment dat zij menstrueerde. Ze lette er ook op om dan niet te

steriliseren: “Ge steriliseerde dat dan en ik was nooit op m’n regels, voor aan’t vlees te werken

ook niet, maar tzou verzeker niet goed gebleven hebben en misschien groenten azo ook, ge kon

groenten en fruit ook inleggen é, en boontjes, maja we deden dat ni [als we ons regels hadden].

Kijk ‘t is raar zeggen maar automatisch deed je het niet voor uw ding [BET: wanneer je uw

regels had], je wrocht [BET: werkte] daar niet aan.” Ook Julia, eveneens een boerendochter,

ging dergelijke menstruatietaboes in haar leven inpassen. “En vlees, gow, steriliseren: de potten

gingen ook ni houden. En als je een varken dood deed aje aan die week was […]. mocht je ni

helpen. Ze zeiden jah dat euh het vlees ging reageren daarop zeiden ze.”

Ook vrouwen die geen boerendochters waren, zoals Linda, pasten die ongeschreven regel toe. “Ik

heb enorm veel confituur gemaakt en gesteriliseerd maar ik ging dat nooit doen als [ik mijn

regels had], neen. En bij donderweer en als ik m’n regels had ging ik dat nooit doen. Was da nu

euh bijgeloof ik weet het niet, twas toch iets dat we gehoord hadden, of zat er daar waarheid in,

kweet het niet.“ Het lijkt er op dat het merendeel van de oudste generatie in Vlaanderen deze

stelling dus voor waar aannam wanneer zij zelf in de keuken stonden. In landelijke streken

werden dergelijke gebruiken vaker gerespecteerd. Van de generatie die geboren werd in en na de

jaren vijftig kwam het uitstellen van het maken van mayonaise tot na de maandstonden steeds

zeldzamer voor.

Menstruatietaboes hebben vaak ook te maken met de angst dat koude in het lichaam zou dringen.

Zo werd menstruerende vrouwen vaak aangeraden geen koude dingen te eten zoals ijs.99 Uit

interviews bleek dat men best niet in contact kwam met water tijdens de menstruatie. Het was

beter geen bad te nemen, het haar niet te wassen, niet te gaan zwemmen en geen permanent te

laten zetten want die zou toch mislukken, enz. “Toen wasten de mensen ulder alle dagen, en wij

waren opgeleid da we binst da we menstrueerden, ons niet moesten wassen” vertelt Liese.100

Maar ook met de voeten in het water lopen mocht niet. Als ik haar vraag naar zaken die men niet

99 MERSKIN, D., ‘That time of the month: adolescence, advertising, and menstruation’, M.G., CARSTARPHEN en

S.C., ZAVOINA red., Sexual rhetoric : media perspectives on sexuality, gender, and identity, Westport, 1999, 96;

THUREN, ‘Opening doors and getting rid of shame. Experiences of first menstruation in Valencia, Spain.’, 222.

100 Voor meer informatie over de hygiëne tijdens de maandstonden: zie infra.

60

mocht doen als men menstrueerde zegt Madeleine: “Ahja, dat je ni moest met uw voeten in’t

water lopen dat dat lik trok, allé da je dan nog meer ging verliezen, kweet ni of dat dat waar is

wei (lacht). Kweet het niet.”Ook in Puberteit wordt die stelling verkondigd: “zij hoede zich voor

kou-vatten en vooral voor natte voeten.”101 Hélène heeft na haar diploma van regentaat

wiskunde-wetenschappen in Brussel gestudeerd om het diploma turnen te halen. Wanneer een

studente haar maandstonden had, ging ze niet mee zwemmen met de anderen. De docent had daar

begrip voor.

Koude zaken die met het lichaam in contact kwamen zouden het bloeden doen stoppen, zo dacht

men. Onregelmatige of uitblijvende regels werden als ongezond beschouwd. Dergelijke taboes

zijn een overblijfsel van de hier reeds boven vernoemde humorenleer, een theorie uit de klassieke

oudheid, waar vooral in de Middeleeuwen veel belang aan werd gehecht maar waarvan in de

moderne tijd nog steeds sporen te vinden zijn. Bloed werd gezien als warm en vochtig. Als het

omgekeerde, dus iets koud of droog, in het lichaam zou dringen dan zou dit het bloeden stoppen

en het lichaam uit evenwicht brengen. Hoewel artsen zich reeds in de negentiende eeuw verzetten

tegen dergelijke overtuigingen werd, zoals bleek uit de interviews, tot in de twintigste eeuw van

de overtuiging uitgegaan dat vrouwen beter geen contact hadden met water. Geneesheer E.

Depasse verkondigde in 1894 in tegenstelling tot zijn tijdgenoten dat koud water geen invloed

had op de menstruatie, eens men het water gewoon was. Hij haalde in zijn artikel “L’eau froide

pendant les règles” in Journal d’accouchements het voorbeeld aan van vissersvrouwen die dag in

dag uit in het koude zeewater stonden en wiens menstruele cyclus daarvan geen hinder

ondervond.102 Toch moet de rol van artsen niet overdreven worden. In het begin van de twintigste

eeuw werd dan wel verkondigd dat het niet goed was voor een menstruerende vrouw om te

zwemmen of op een andere manier met water in aanraking te komen, toch denk ik dat als

vrouwen in de twintigste eeuw deze verwittigingen serieus namen, dit ook omwille van

persoonlijke redenen was. Zwemmen zonder menstruele bescherming lijkt me zowel

ongemakkelijk als onhygiënisch, zeker in een tijd zonder tampons. Thans vindt men in West-

101 COX, Puberteit, 21.

102 COBER, Gynaecologie en gender, 52.

61

Europa nauwelijks vrouwen die nog vasthouden aan het gebruik om contact met water te

vermijden tijdens de menstruatie.103

2.2 Verbod op seks

Taboes staan niet altijd los van de religie door wiens cultuur ze wordt beleefd. Religies spelen

vaak een rol in het ontstaan of in stand houden van taboes. In zowel de Koran als de Bijbel staan

aanwijzingen over hoe met menstruatie moet worden omgegaan. De geschriften van het

jodendom, het christendom en de islam bevatten een verbod op seksuele contacten met een

menstruerende vrouw, die als onrein wordt beschouwd. Het Oude Testament verwoordt dit

menstruatietaboe bij Leviticus. “Als een man gemeenschap heeft met een vrouw tijdens de

menstruatie, de bron van haar bloeding ontbloot, en zij stemt daarmee in, dan moeten beiden uit

hun volk worden verwijderd.”104 De Koran vermeldt: “En zij zullen u ondervragen over de

bloeding der vrouwen. Zeg: dat is een letsel onthoudt u dus van de vrouwen tijdens de bloeding

en nadert haar niet totdat zij rein zijn worden. Maar wanneer zij zich gereinigd hebben komt dan

tot haar zoals God u bevolen heeft. God bemint waarlijk hen die zich berouwvol tot Hem keren

en bemint hen die zich reinigen.”105 Hieruit concluderen dat godsdiensten een negatieve houding

propageren tegenover menstruerende vrouwen, zou te voorbarig zijn. Immers, in elke religie zijn

vele strekkingen te vinden, die elk vele gradaties kennen. Enkel de meest orthodoxe gelovigen

houden streng vast aan de overgeleverde leer en geschriften.

Bovendien vormen niet alleen de Heilige Geschriften een leidraad voor het dagelijks leven van

joden en moslims. Voor de orthodoxe joden worden de familiereinigheidswetten nauwgezet

gevolgd. De regels die seksualiteit en de vrouwelijke voortplantingscyclus omvatten worden

Niddah genoemd en zijn gebaseerd op Leviticus. Doorheen de eeuwen zijn deze wetten aangepast

en verengd. Ook de menstruatiewetten werden minder streng: in plaats van elk contact met een

menstruerende vrouw te mijden, werd dit vanaf 70 na Christus enkel verboden binnen het

huwelijk, en dat gedurende twaalf dagen. Daarna werd de vrouw terug rein wanneer ze zich van

103 In Latijns-Amerika leeft deze overtuiging wel nog door. Zie: SNOW, ‘Myths about menstruation: Victims of our

folklore’, 68. Ook in sommige Afrikaanse en Aziatische volkeren maakt de humorenleer deel uit van traditionele

gezondheidtheorieen. Zie: OBERMEYER, C., ‘Pluralism and Pragmatism: Knowledge and Practice of Birth in

Morocco’, Medical Anthropology Quartery, 14 (2000), 180-201.

104 Bijbel, Oude Testament, Levitivus, 20:18. Vertaling: http://www.willibrordbijbel.nl

62

kop tot teen waste en een ritueel bad had genomen.106 Voor de moslims is de hadieth (letterlijk de

traditie) naast de Koran een belangrijk naslagwerk dat een moslim de raad geeft hoe als een

goede gelovige te leven. In de hadieth staan overgeleverde tradities die teruggaan op uitspraken

en handelingen van Mohammed en zijn tijdgenoten. Er wordt bijvoorbeeld vermeld dat de

echtgenoot zijn vrouw tijdens haar menstruatiedagen niet mag verstoten daar zij in die dagen het

meest emotioneel is en dus veel aandacht nodig heeft. Hij moet juist dicht bij haar zijn en haar

steunen want juist in die momenten heeft de vrouw de steun nodig van haar echtgenoot.107

Godsdiensten worden op basis van een oppervlakkige blik op hun geschriften vaak te snel als

boegbeelden van misogynie aanzien. Zij moeten echter steeds in hun ontstaanscontext moeten

worden verklaard. Menstruatiewetten zijn aan verandering en interpretatie onderhevig. Niet alle

gelovigen volgen bovendien even nauwgezet deze gedragsregels. Ook dient men rekening te

houden met de houding van gelovige vrouwen in het ondergaan en percipiëren van deze

gebruiken, voor men een godsdienst op basis van zijn geschriften als vrouwonvriendelijk

afschrijft. De menstruatiewetten en riten kunnen door gelovige joodse vrouwen soms als een

bevestiging van het vrouw-zijn worden beschouwd. Anderen vinden de afstand die de man

gedurende enkele dagen moet bewaren een teken van respect zodat hij toont dat hij zijn

echtgenote niet enkel als een seksobject beschouwt. Bovendien zijn het niet alleen de

godsdienstige voorschriften die controle hebben op de cyclus van de vrouwen. Zijzelf kunnen het

hebben van maandstonden manipuleren door bijvoorbeeld de rituele reiniging uit te stellen, om

hun eigen seksuele wensen in de hand te kunnen houden.108 Voorzichtigheid is dus geboden in

het interpreteren van religieuze geschriften.

Het christendom is zowel gebaseerd op het jodendom als op opvattingen van klassieke geleerden.

De terughoudendheid tegenover het lichaam en seks nam het christendom over van klassieke

artsen en filosofen. Het was dus niet zo dat het christendom zelfcontrole en ascetisme in een

105 Koran, Tweede süra, 2:222. Vertaling: prof.dr.J.H. Kramers, De koran, Amsterdam, 2007.

106 LONGMANN,C., ‘Joodse menstruatieriten: Symbool van vrouwenonderdrukking of vrouwelijke identiteit?’,

Tijdschrift voor seksuologie, 16 (2002), 146-152.

107 MOIN, S., ‘Status of women: islamic view’, Social Scientist, 4 (1967), 70-71. en SPELLBERG, D, ‘Writing the

Unwritten Life of the Islamic Eve: Menstruation and the Demonization of Motherhood’, International Journal of

Middle East Studies, 28 (1996), 313-314.

108 LONGMANN,‘Joodse menstruatieriten: Symbool van vrouwenonderdrukking of vrouwelijke identiteit?’, 149-

152.

63

heidense wereld bracht.109 Wat betreft geslachtsgemeenschap met een menstruerende vrouw,

baseerde het christendom zich net zoals het jodendom op Leviticus en beschouwde de

menstruerende vrouw als onrein. Doorheen de geschiedenis van het christendom waarschuwden

kerkvaders en andere kerkelijke autoriteiten voor seks met een menstruerende vrouw. Meestal

werd hieraan het verwekken van gehandicapte kinderen gekoppeld. De Latijnse kerkvader

Hiëronymus schreef in de eerste helft van de vijfde eeuw: “Wanneer een man in die tijd

geslachtsgemeenschap heeft met zijn vrouw, zullen melaatse of met een waterhoofd geboren

kinderen verwekt worden, en het verdorven bloed zorgt ervoor dat de bedorven lichamen van

beide geslacht hetzij te klein, hetzij te groot worden.”110 Ook Thomas Van Aquino beweerde

samen met andere theologen in de dertiende eeuw dat kinderen die verwekt waren tijdens de

maandstonden misvormd, blind, lam of lepreus waren.111 Zelfs Jan Hus, die in 1415 op de

brandstapel gezet werd, was van mening dat misvormde kinderen zouden verwekt worden als

men seks had met een menstruerende vrouw.112 Tot de elfde eeuw werden biechtvaders

aangeraden, bijvoorbeeld door Regino van Prüm, abt in Eiffel en Burchard, bisschop van Worms,

in de biechtstoel de vraag te stellen of de man betrekkingen gehad had met zijn vrouw terwijl ze

haar regels had.113

Dankzij de medische vooruitgang verminderden in de daarop volgende eeuwen dergelijke

uitspraken over de gevolgen van seks met een menstruerende vrouw. Toch zou Alphonsus

Liguori in de achttiende eeuw verder de toon zou zetten voor het blijven afwijzen van

geslachtsgemeenschap tijdens de maandstonden van de vrouw in de negentiende en begin

twintigste eeuw, aldus Uta Ranke-Heinemann. Liguori was een spirituele leider die een

congregatie van redemptoristen stichtte en na zijn dood heilig werd verklaard. In hoeverre werd

met deze visies van de christelijke traditie op seks tijdens de menstruatie in Vlaanderen rekening

gehouden? Wat was de impact van de katholieke kerk op het seksueel leven van haar gelovigen?

109 RANKE-HEINEMANN, Eunuchs for the kingdom of heaven, 9-10.

110 RANKE-HEINEMANN, Eunuchs for the kingdom of heaven, 22.

111 PHIPPS, ‘The menstrual taboo in the Judeo-Christian tradition’, 300. en VAN BAAREN, J., e.a, Het rooie kruis :

een verslag over menstruatie, Leiden, 1980, 50.

112 RANKE-HEINEMANN, Eunuchs for the kingdom of heaven: women, 22.

113 HERING, Die unpäßliche Frau, 16; RANKE-HEINEMANN, Eunuchs for the kingdom of heaven, 22.

64

Voorhuwelijkse seks

Zonder inzicht in het katholicisme is de Vlaamse cultuur niet te verstaan. Vlaams zijn betekende

tot het midden van de twintigste eeuw meestal katholiek zijn. De kerk hield het dagelijkse leven

in zijn greep. Religiositeit was een existentiële dimensie van het bestaan.114 Dit gold zowel voor

de Vlaamse huisvrouwen als voor hun echtgenoten die via kerkelijke preken, priesterbezoeken en

de biecht de katholieke moraal ingeprent kregen. Maar ook van jongsaf aan werden kinderen

bewust gemaakt van de katholieke normen en waarden. Eerst en vooral via hun opvoeding thuis,

maar ook op school en in jeugdbewegingen. Kloosterpensionaten en internaten waren bastions

van de katholieke zeden. In België was de meerderheid van de kostscholen katholiek. Het aantal

Belgische kostscholen in de twintigste eeuw lag vermoedelijk tegen de vierhonderd. Vanaf de

jaren vijftig en vooral de jaren zestig verminderde het aantal kostscholen in België.115

Godsdienstigheid was het belangrijkste middel en doel van de opvoeding in internaten. Hoewel

de katholieke kerk na de Tweede Wereldoorlog aan een mentaliteitsverandering onderhevig was,

bleef de katholieke religie centraal staan in het leven thuis en op school.116 De katholieke

pedagogiek bepaalde het dagelijks leven van leerlingen in kostscholen. Slecht gedrag werd

misprezen en soms zwaar gestraft. Handelingen die ongepast en dus niet katholiek werden

beschouwd, werden als “zondig” afgeschreven. Het idee van zondigheid kwam vooral tot uiting

in het denken over lichamelijkheid en seksualiteit. Zoals hierboven is aangetoond, vond men het

ongepast om met het lichaam bezig te zijn, of er naar te kijken. Tijdens het wassen werd er op

gelet zich zo weinig mogelijk bloot te geven. Goed gedrag werd dan weer beloond met lintenvan-

verdienste, medailles, kruisen, en beloningskaarten.117

Om seksuele gevoelens in te tomen, leefden jongens en meisjes apart tot aan het huwelijk. Zowel

het onderwijs als de jeugdbewegingen waren seksegescheiden. Het samen onderwijs volgen van

meisjes en jongens was in 1929 door paus Pius XI met de encycliek Divini illius Magistri

verboden. Vele pedagogische auteurs volgden de paus in die aanbeveling, aangezien bij gemengd

114 VERRELST, Trots en schaamte van de Vlaming, 56.

115 In Frankrijk, Engeland en Nederland bestonden kostscholen die door leken waren opgericht. VERLINDEN, C., In

de spiegel van de “ancilla domini”. De opvoeding en het dagelijks leven op een meisjeskostschool in de eerste helft

van de twintigste eeuw, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Departement geschiedenis, Leuven, 2000, 4.

116 HILHORST, Bij de zusters op kostschool, 89.

117 HILHORST, Bij de zusters op kostschool, 89.

65

onderwijs het risico bestond dat de goede zeden in gedrang werden gebracht.118 De opvoeding in

katholieke scholen was bovendien seksespecifiek: het lessenpakket van meisjes was afgestemd op

de voorbereiding van hun latere rol in de samenleving. Zij kregen vakken als koken, naaien, enz.

Madeleine vertelt dat de meisjesafdeling van de lagere school waar zij school volgde vijf minuten

later gedaan was dan de jongensschool. Op die manier zouden de jongens en meisjes elkaar niet

zien of opzoeken. Ook jeugdbewegingen hadden een aparte werking voor mannelijke en

vrouwelijke leden. “Het is veel gemakkelijker geworden nu in de omgang.” aldus Madeleine. In

de eerste helft van de twintigste bestonden weinig mogelijkheden voor meisjes en jongens om

elkaar te ontmoeten. Vrouwen vertelden me bovendien dat van zodra een jongen en een meisje

samen stonden, dit geïnterpreteerd werd als verloofd zijn. “We wisten niet wat dat een man was!”

roept Hélène tijdens het interview uit. Doordat meisjes nauwelijks in contact kwamen met

jongens, wisten zij niets af van het andere geslacht. De weinige momenten waarop meisjes dat

toch in contact kwamen met jongens, waren vaak momenten van uitgelaten gedrag. Linda

herinnert zich hoe ze in de wolken was wanneer ze Léon, haar latere man, toevallig op de bus en

of op de fiets zag. Dit vertelde ze dan opgewonden aan haar vriendin. Léon en Linda waren beide

duidelijk geïnteresseerd in elkaar maar een relatie kwam er niet meteen van, omdat zij elkaar

enkel toevalligerwijs konden zien. Kermissen en bals betekenden voor de jeugd dan ook vaak een

moment “om alle zeden los te laten.”119

Het huwelijk betekende dus voor vrouwen in het begin van de twintigste eeuw een kennismaking

met het andere geslacht. Het katholieke geloof tekende niet alleen het religieuze leven uit voor

haar gelovigen. Zij verkondigde ook welk parcours haar gelovigen het best volgden op seksueel

vlak. De kerk was aanwezig tot in de Vlaamse slaapkamer. Mijn respondenten geven allen aan

zich aan de regel te hebben gehouden om geen seksuele betrekkingen te hebben voor het

huwelijk. “Het katholiek geloof zei: ge moet u daar aan houden, en wij als brave jongens en

meisjes we hielden wij ons daar heel eenvoudig aan. (….) En stel dat je dan toch betrekking zou

gehad hebben dan was het ten eerste vre gevaarlijk da je in verwachting zou geweest zijn, en ten

tweede was het zonde hé als je iets deed dat je niet mocht doen, dan moesten we naar de biecht é

heel eenvoudig Maar ge mocht wel niet iets speciaals doen om niet in verwachting te raken”

vertelt Linda.

118 VAN USSEL, Geschiedenis van het seksuele probleem, 321.

66

Huwelijkse seks

Voorhuwelijkse seks was dan wel ongehoord, maritale seks werd dan weer aangemoedigd. Seks

was niet alleen gereserveerd voor het huwelijk, het was bovendien een huwelijksplicht. Paus Pius

XI legde in zijn encycliek Casti Connubii in 1930 vast dat seks geen persoonlijke maar een

morele kwestie was. Wie als gehuwde man of vrouw seksuele betrekkingen weigerde te hebben,

pleegde inbreuk op Gods plan en beging een doodzonde.120 Tien jaar eerder had de Nederlandse

arts Kindermann in zijn Handleiding tot zedelijkheid hetzelfde verkondigd. In het hoofdstuk

Huwelijk, opvoeding, en gezin maakt de derde zin al melding van het geslachtsleven. Het

hoofdstuk handelt over het niet toegeven aan de “geslachtsdrift” en betoogt dat in het huwelijk

het celibaat niet alleen onnatuurlijk maar ook tegennatuurlijk is. Het “verraadt een diepe

minachting voor het menschelijk bestaan” want het zou tot een “vernietiging der menschheid

voeren.”121 Alle voorlichtingsboeken die over het gezinsleven handelen, plaatsten tot ongeveer de

jaren zeventig het thema seks in een apart hoofdstuk handelend over het leven als een getrouwd

koppel.

Buiten de literatuur zijn eveneens voorbeelden te vinden die het samenvallen van huwelijk en

seksualiteit aantonen. Zo werden alle pasgehuwde koppels sinds het begin van hun ontstaan

automatisch gratis één jaar ingeschreven bij de Bond van Grote en Jonge gezinnen. De Bond wou

daarmee de echtparen niet enkel laten kennismaken met hun diensten, zij hoopten hiermee een

associatie los te maken tussen gehuwd zijn en een kroostrijk gezin vormen. Zij stimuleerden de

vorming van grote gezinnen door hen fondsen, beursen en kortingen aan te reiken en door de

artikels van het tijdschrift De Bond te laten kleuren met die visie. Pas in 1962 werd er voor het

eerst melding gemaakt van de pil.122 Ook de priester moedigde in de preekstoel kroostrijke

gezinnen aan. Sophie dacht op zo’n momenten bij zichzelf: “Maar hij is het toch niet die ze [de

kinderen] moet kweken [BET: doen opgroeien].” Linda klaagde eens in de biecht bij de priester

toen hij haar vroeg hoeveel kinderen zij al had. Zij antwoordde drie en vervolgde dat een groter

gezin praktisch niet haalbaar zou zijn. Daarmee bedoelde ze dat ze paste voor een verdere

gezinsuitbreiding door zoals het hoorde geen anticonceptie te gebruiken. Door deze reactie kreeg

119 TROMMELMANS, Vlaanderen vrijt, 23.

120 TROMMELMANS, Vlaanderen vrijt, 8.

121 KINDERMANN, C., Handleiding tot zedelijkheid, Rotterdam, 1921, 123.

122 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 122- 127.

67

Linda na de biecht de absolutie niet van de priester. “Kijk ja, zo erg jaagden ze u in het vuur”

zegt Linda.

Hoewel de kerk een grote invloed had op het leven van Vlaamse gezinnen in de eerste helft van

de twintigste eeuw, toch betekende dit niet dat katholieke gelovigen de kerk volgden in al haar

visies. Dit is bijvoorbeeld duidelijk in de standpunten van de kerk op geboortebeperking. Uit mijn

interviews blijkt dat de pil met enthousiasme werd onthaald omdat die een makkelijke

gezinsplanning in de hand werkte. Daardoor kon de angst tijdens de seksuele betrekkingen dat

deze misschien tot een zwangerschap zou leiden, achterwege blijven. De pil betekende de start

om ongestoord van seksualiteit te kunnen genieten. Vóór de komst van de pil was het doorkomen

van de maandstonden een teken dat men niet zwanger was, en kon men opgelucht adem halen.

“Da was altijd maar zeggen ‘voorzichtig’, ‘opletten’. Dus da was niet zo aangenaam hé.” zegt

Marianne. “Kindjes kopen da was gaja, uw plicht é. Kindjes kopen en periodieke onthouding was

het enige dat toegelaten was: de pil was doodzonde. De morning after pil was moord, begin maar

te noemen,” vertelt Linda.

Wanneer anticonceptiemiddelen op de markt kwamen zoals de pil in België in 1961, zouden

Vlamingen deze middelen kopen en gebruiken tegen het advies van de kerk in. Doordat alles wat

met seksualiteit te maken had met schaamte omringd werd als gevolg van de katholieke

opvoeding en beïnvloeding, was het voor Vlamingen niet altijd evident deze producten te kopen

van zodra ze op de markt verschenen. Hélène had drie kinderen en vond dit op een bepaald

moment genoeg. Toen ze hoorde dat condooms op de markt gekomen waren wilde ze dit product

graag gebruiken. Voor haar was het echter helemaal niet eenvoudig om dit te kopen: met

schaamrood op de wangen stond ze in de apotheek en vroeg naar een pakje

voorbehoedsmiddelen. Het katholieke gewicht droeg zwaar of Vlaamse vrouwen en mannen en

beheerste vaak hun handelen.

Een vaak gebruikte stelling is dat de pil de seksualiteit losmaakte van de voortplanting. Dit wordt

volgens Hooghe verkeerdelijk voorgesteld. Immers, in het pré-piltijdperk daalde vanaf de tweede

helft van de negentiende eeuw het geboortecijfer veel sterker dan met de opkomst van de pil in

1961. Aangezien nog niet gekend was wanneer de vruchtbare periode van de vrouw plaats vond,

68

was de meest gebruikte anticonceptiemethode de coïtus interruptus. Men trachtte dus al vóór de

pil om seksualiteit los te koppelen van een mogelijke zwangerschap. Zonder de pil, zo verkondigt

Schoenmakers, zou het geboortecijfer toch gedaald zijn door de wijzingen die hebben plaats

gevonden in de culturele en economische levensomstandigheden en in het waarden- en

normenpatroon. Wel werd, aldus Hooghe, vanaf de pil de wens om seks en voortplanting te

scheiden voor het eerst gerealiseerd.123 De duidelijke veroordeling van het gebruik van de pil

door de paus in 1930 kon het gebruik ervan in katholieke kringen in Vlaanderen niet

tegenhouden.124 In 1968 liet paus Paulus VI het gebruik toe van de periodieke onthouding in zijn

encycliek Humanae Vitae.125 Ook de Belgische overheid trachtte het gebruik van

anticonceptiemiddelen te ontmoedigen. In 1923 was het grondwettelijk verboden anticonceptie

met winstbejag te verkopen door middel van reclame en uitstalling. Dit wilde echter niet zeggen

dat de verkoop, het bezit of neutrale informatie er over verboden werd.126 In 1973 werd die

wetgeving afgeschaft.127

Uit mijn interviews bleek dat vrouwen niet hielden van seksuele betrekkingen wanneer zij

menstrueerden. De redenen hiervoor waren echter niet van religieuze aard, hoewel hun religie dit

eigenlijk voorschreef. Een goede christen moest zijn driften kunnen inhouden, en er niet altijd

aan toegeven. Seks met een menstruerende vrouw betekende dat de man zijn seksuele lusten niet

de baas kon, hetgeen als zondig gedrag werd beschouwd. Mijn respondenten vermeldden wel

spontaan dat hun geloof hen verbood voorhuwelijkse seks te hebben, maar niet dat hun geloof

hen van hetzelfde weerhield tijdens de menstruatie. Wanneer ik hen vroeg of de reden om geen

intiem contact te hebben met hun echtgenoten van religieuze aard was, vielen zij uit de lucht. De

kerk propageerde weliswaar om geen seks te hebben tijdens de “moeilijke dagen” van de vrouw,

maar die boodschap drong blijkbaar niet door tot in de Vlaamse slaapkamers. Vrouwen hadden

eerder esthetische en praktische bezwaren tegen seksuele betrekkingen in die dagen, dan ethische.

Hoofdpijn, ongemak, geen zin en het gewoonweg vies vinden waren de voornaamste redenen om

de echtgenoot ver te houden. Marie beschreef het als “Dan was het vakantie” Madeleine hield er

evenmin van om intiem te zijn met haar man tijdens haar maandstonden “Goja, allé aje dan

123 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 351-357.

124 VERRELST, Trots en schaamte van de Vlaming, 133.

125 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 258.

126 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 216, 217.

127 HOOGHE, Aspecten van het discours inzake sexuele moraal, 350.

69

betrekkingen had [tijdens je menstruatie], da gaat toch ni. Gow, in mijn ogen was da toch zo, en

hij reageerde daar ook een beetje zo op.”

Niet enkel de katholieke kerk waarschuwde voor geslachtsgemeenschap gedurende de

menstruatie, ook artsen deden dat in hun publicaties. De Leuvense arts Eugène Hubert

verkondigde in 1892 bijvoorbeeld dat dit de menstruatie zou doen stoppen. Dit werd schadelijk

werd geacht voor de vrouw, hetgeen eeuwen eerder eveneens verkondigd was door christelijke

kerkvaders. In extreme gevallen zou dit tot onvruchtbaarheid leiden bij de vrouw, en tot een

ontsteking van de urinewegen bij de man.128 “Normaal gesproken mag de geslachtsgemeenschap

tijdens deze dagen plaatsgrijpen”, schreef dokter Hervé Picard meer dan een have eeuw jaar later.

Medisch gezien waren er volgens Picard geen bezwaren, maar toch raadde hij seksuele

betrekkingen af tijdens de menstruatie als de vrouw pijnlijke maandstonden had, als haar

gezondheid zwak was of wanneer de maandstonden later voorkomen dan gewoonlijk want “het

zou dan misschien een miskraam kunnen zijn.” Men vertrouwde het dus blijkbaar toch nog altijd

niet om in intiem contact te komen met een menstruerende vrouw.129 Picard toonde begrip voor

de vrouw tijdens haar menstruatiedagen in zijn voorlichtingsboekje Liefde, huwelijk, geluk.

“Meestal heeft de vrouw in die dagen weinig zin in seksuele betrekkingen en in dit geval moet de

man zich kunnen onthouden.”130 De arts Norman schreef rond dezelfde tijd in 1965 in zijn boek

Met lichaam en ziel iets gelijkaardigs: “Echtgenoten dienen de toestand te begrijpen en begrip en

geduld betonen: vrouwen behoren te weten wat de oorzaak is van deze indrukken, er niet aan

toegeven, er meesteres over blijven.”131

De generaties die deze volgden op deze van mijn respondenten werden op een totaal andere

manier opgevoed. Dit beseffen zij maar al te goed. Spontaan vertelden de geïnterviewde vrouwen

me telkens wat ze vonden van de manier waarop generaties na hen omgingen met thema’s als

menstruatie en seksualiteit. Bijna alle vrouwen vinden dat er vroeger te veel werd verzwegen,

maar zijn van mening dat er in de huidige maatschappij vaak te “los” wordt geleefd. “Van

bepaalde dingen da ze nu op televisie tonen, dat wij schrikken, nog altijd schrikken, dat we

128 COBER, Gynaecologie en gender, 52.

129 PICARD, Liefde, huwelijk, geluk, 107.

130 PICARD, Liefde, huwelijk, geluk, 111.

131 NORMAN, J., Met lichaam en ziel, Brugge, 1965, 31.

70

zeggen ‘we hadden wij dat ne keer moeten horen of we hadden wij dat ne keer moeten zien’”

vertelt Linda.

Op vlak van voorlichting is Rosette van mening dat toen zij jong was eind jaren veertig en vijftig,

te weinig aandacht werd gegeven aan seksuele vorming. Kinderen worden in hun tienerjaren in

de huidige samenleving volgens haar te snel op de hoogte gesteld van dergelijke zaken. “Nu is

het een beetje te, ze beginnen der nu gelijk te vroeg aan, en vroeger was ’t niets, twas ook ni

goed é. Ge moest het al zelf ondervinden,” aldus Rosette. Linda verkondigt ongeveer hetzelfde:

“Ik ben ni rouwig da we het zo geweten hebben maar nu zeggen we toch, gow ze hebben ons toch

vre euh vre kort gehouden. Nu is het ook té, veel té, maar wij: twas allemaal zonde daje maar kon

peizen. Zelfs als we getrouwd waren.” Linda is verontwaardigd dat een jong getrouwd koppel

dan wel eindelijk intiem mocht zijn, maar zelfs in het huwelijk moest worden opgepast om niet in

zondigheid te vervallen. Dit kon gebeuren door andere methoden dan de periodieke onthouding

toe te passen. Dat de zondigheid een koppel achtervolgde vóór maar ook tijdens het huwelijk ligt

Linda nog steeds dwars. Het oppassen om niet zwanger te worden, stond daarenboven het

zorgeloos genieten van seksualiteit in de weg. Linda vindt het enorm jammer dat men hen zo “in

de hel gejaagd” heeft. “Ze hebben ons enorm, enorm angstig gemaakt. Angstig voor iets die

schoon [BET: mooi] was.” Met “ze” bedoelt Linda de katholieke wereld die vertegenwoordigd

werd door opvoeders en de priesters. Vooral het feit dat elk gedrag dat niet paste bij het

katholieke gedachtegoed als “zondig” bestempeld werd, verontwaardigt Linda nog steeds. “Da

vind ik enorm jammer da ze ons zo in de hel gejaagd hebben met altijd maar die zonde daar op te

plakken. (…) We hebben heel ons leven, jah ons best moeten doen en ge zijt dan getrouwd en ge

moogt dan weer ni en nog en ni en dan ni en euhm terwijl dan het nu, allé tis eigenlijk schandalig

in feite é.”

Ook Madeleine vindt het betreurenswaardig dat het handelen van hun generatie werd afgestemd

op het vermijden van “zondigheid”. In de lagere school kwamen ieder jaar missie-priesters

preken. Zij hadden het over niets anders dan “hel en verdoemenis, alsof Onze Lieve Heer

eigenlijk een boeman was, alsof er niets anders bestond dan slechte dingen.”, vertelt Madeleine.

Die priesters hadden het vooral over zaken waarvoor de meisjes moesten oppassen en “dat alles

zo slecht was: net alsof er niets goeds bestond.” Madeleine besluit: “Ik zeg zeker niet dat het

71

beter was toen. ’T was een beetje té dan, maar dan aan de andere kant.” Daarmee bedoelt ze dat

ze de in haar tijd de gedragsregels wat te streng vind, maar dat ze de huidige “losse” manier van

omgaan met zeden toch ook niet helemaal een goede evolutie vindt. “Het gedoogde vroeger niet,

maar nu deugt het ook niet” vat ook Rilke samen. De meeste respondenten vinden dat men van

het ene extreem in het andere is gevallen wat betreft de omgang en openheid ten opzichte van

seksualiteit.

Toch betreurt Linda het niet dat de intieme momenten pas plaats konden vinden in het huwelijk:

“Ja tederheid, oh gottekes toch wij hadden nog alles te bieden als we trouwden. en nu, in feite ja.

kweet nog die eerste morgen als we getrouwd waren, dan zaten wij aan tafel te ontbijten, goh

handje in handje weet wel, daje zegt nu hoe ist mogelijk, ja stelt u ne keer voor[…] Twas

alleszins heel anders. En kga ni zeggen wa dat er beter is: onzen tijd geweest, of nu. Maar vind je

da nu ni jammer: ze hebben al alles gezien en uitgeprobeerd voor dat ze trouwen en ze zijn zij

mekaar toch beu, en waarom zouden ze dan ni ne keer met een anderen proberen” Blijkbaar

vindt Linda de lossere manier van omgang van jongeren vandaag geen positieve evolutie. Ook de

seksuele contacten die vóór het huwelijk plaatsvinden dragen haar goedkeuring niet weg. Ze

koppelt ontrouw aan die andere manier van seksualiteit beleven.

Het merendeel van de geïnterviewde vrouwen vindt de geslotenheid die heerste rond seksuele

thema’s in hun jeugd in de jaren dertig, veertig en vijftig jammer, vooral omdat sommige meisjes

daardoor te weinig geïnformeerd waren. Rilke is tijdens haar interview nog steeds

verontwaardigd over de hulpeloosheid van haar ouders inzake seksualiteit. Dat zij zich nu nog

kan opjagen om de zaken waar zij als jong meisje niet op de hoogte van werd gesteld, duidt aan

hoe graag ze meer ingelicht had willen zijn. Trouwen zonder dat men wist hoe men zwanger kon

raken, menstrueren zonder dat men wist wat men overkwam: het leidde vaak tot frustraties die in

het interview naar boven kwamen. Anderzijds vinden zij de openheid waarmee seksualiteit

vandaag de dag wordt behandeld, toch wat verregaand. Toch staan mijn respondenten niet los van

die huidige openheid. Doordat zij bereid zijn te praten over een onderwerp waarover vroeger niet

kon en mocht over gepraat worden, nemen ze onbewust afstand van de mentaliteit waarmee ze

opgegroeid zijn. Madeleine zegt zelfs dat ze door ouder te worden veel minder problemen heeft

om te praten over intieme zaken. “Maar ja kzeg het er wordt daar gelijk nu veel ongemakkelijker

72

over gebabbeld dan vroeger. Ik ging da vroeger hier al niet verteld hebben ze. Kging da niet

gezegd hebben.”

2.3 Kerkgang

Net zoals menstruerende vrouwen werden ook pas bevallen vrouwen in hun religieuze

activiteiten beperkt omwille van haar onreine status. De kerkgang is een katholiek ritueel dat een

pas bevallen vrouw tot in de jaren zestig onderging om terug in de kerk te worden geleid door de

priester. Na een periode verondersteld te zijn buiten de kerk te blijven en de communie niet te

ontvangen, werd zij opnieuw symbolisch gereinigd. Die reiniging was nodig doordat de vrouw

door het bloed dat zij had verloren tijdens en na de bevalling onrein was geworden.132 Bij die

eerste kerkgang na de geboorte van haar kind, gewoonweg “de kerkgang” genoemd, moest de

vrouw geknield aan de kerkdeur op de pastoor wachten met een brandende kaars in de hand. De

pastoor besprenkelde de vrouw met wijwater en las psalm 23 voor, waarin de nadruk werd gelegd

op een rein leven en op de glorie van Gods koningschap. Om de kerk terug te betreden moest de

vrouw de stool van de pastoor vastnemen om zo in de kerk te worden binnen geleid. Vervolgens

werd de brandende kaars bij het Maria-altaar geplaatst. Een kleine offerande in de vorm van geld

werd van de vrouw verwacht. Na het voorlezen van gebeden aan het hoofdaltaar werd de vrouw

nogmaals met wijwater besprenkeld en door de priester gezegend. Dit betekende dat zij terug deel

mocht uitmaken van de eucharistievieringen.133

Dit ritueel is vanaf de Hoge Middeleeuwen tot de jaren zestig door katholieke vrouwen

uitgevoerd. Het christendom haalde voor dit ritueel de mosterd bij het jodendom. In het Oude

Testament schrijft Leviticus het isoleren van kersverse moeders van de communie voor, totdat zij

gereinigd waren. Die periode van onreinheid was dubbel zo lang wanneer het kind een meisje

was. Maria gold hierbij als voorbeeld: zij hield zich aan deze joodse wet en liet zich na de

geboorte van Jezus tijdens haar eerste tempelgang plechtig zuiveren. Ook al was zij als moeder

132 Obermeyer verklaart de onreinheid die zowel aan menstruatiebloed als aan kraambloed wordt toegeschreven in

bepaalde culturen, door het geloof dat de foetus uit menstruatiebloed gevormd is. OBERMEYER,C., ‘Pluralism and

Pragmatism: Knowledge and Practice of Birth in Morocco’, 191.

133 DRESEN, G., Is dit mijn lichaam? Visioenen van het volmaakte lichaam in katholieke moraal en mystiek.

Nijmegen, 1998, 43.

73

van God niet onrein, toch hield zij zich trouwhartig aan de priesterlijke voorschriften.134 In

middeleeuwse strafwetboeken geschreven tussen 600 en 1200 staat dat een pas bevallen vrouw de

kerk niet meteen mocht binnentreden en de communie ontvangen. Pas na veertig dagen mocht ze,

nadat ze gezuiverd was, terug de kerk betreden. Gewoonlijk werd een vrouw die gestorven was

tijdens de bevalling niet begraven worden op het kerkhof omdat zij nog niet gereinigd was. De

synode van Rouen in 1074 en van Keulen in 1279 herriepen dit principe. Ondanks de bepalingen

in middeleeuwse strafwetboeken, was de houding in de christelijke wereld omtrent de kerkgang

net zo min eenduidig als die tegenover de communie voor menstruerende vrouwen.135 Volgens

paus Gregorius de Grote mochten pas bevallen moeders in de zesde eeuw niet tegengehouden

worden om de kerk te betreden vóór de voorgeschreven reiniging na veertig dagen. Ook Paus

Innocentius III schreef in 1198 dat de Leviticuswet niet langer gold en dat vrouwen daartoe niet

belemmerd mochten worden. De synode van Trier bepaalde in 1227 eveneens dat de vrouw niet

mocht weerhouden worden van een reiniging meteen na de bevalling in plaats van na de

voorgeschreven 40 dagen. Toen het concilie van Trente in 1632 de Rituale Romanum afkondigde

als norm voor de liturgische praktijk, verschoof het accent van de kerkgang. Het klassieke

zuiveringsmotief van de kerkgang werd er vervangen door dankbaarheid dat het kind en de

moeder in een gezonde toestand verkeerden. Verder werd ook geen periode meer vastgelegd voor

wanneer de kerkgang precies na de bevalling moet plaatsvinden.136 Deze Rituale Romanum

werden courant toegepast in het kerkelijk leven van 1614 tot 1964. Toch bleven vrouwen de

reden voor deze kerkgang aanzien als een reiniging. In het nieuwe doopritueel van 1968 werd het

ritueel van de kerkgang opgenomen als slotzegen na de doop van het kind.137

Vrouwen geboren vóór de Tweede Wereldoorlog waren de laatste die het ritueel van de kerkgang

toepasten. Wat mijn respondenten vooral onthouden hebben van de kerkgang is dat er een lezing

werd gehouden en dat er iets met een kaars gedaan werd. Wat er precies chronologisch gebeurde,

herinneren zij zich niet meer. De meeste onder hen hebben na de geboorte van al hun kinderen de

kerkgang gedaan. Yvette vertelt: “We moesten dat eigenlijk doen: dat werd verwacht en we

betaalden een mis en we moesten gezuiverd werden hé, we moesten gezuiverd worden é. (…) En

134 DRESEN, Is dit mijn lichaam, 45.

135 Zie supra

136 ROLL, S., ‘The old rite of churching women after childbirth’, DE TROYER, K., Wholly woman, holy blood: a

femenist ritique of purity and impurity, Harrisburg, 2003, 117-141.

137 DRESEN, Is dit mijn lichaam, 52.

74

ge moet die kerkgang gedaan hebben voor dan gewoon in de kerk weer te mogen komen.”

Yvette is de enige die vermeldt dat de kerkgang diende om terug in de kerk te mogen. Andere

vrouwen wisten niet goed wat de betekenis er van was; slechts enkelen hadden het over een

zuivering die moest plaatsvinden. De kerkgang doen was geen verplichting maar wel een

gewoonte waar bijna iedereen zich tot de jaren zestig aan hield. “Ja, ‘t was dan een beetje de

gang van zaken hé. Er waren uitnemers [BET: vrouwen die er niet aan deelnamen] maar niet

veel” aldus Christelle. Linda heeft bijvoorbeeld enkel de kerkgang gedaan bij haar eerste twee

kinderen. Sophie en Rosette hebben geen kerkgang gedaan.

Na de geboorte van haar zoon Philip ging Sophie naar haar schoonmoeder toe omdat haar zoontje

zo erg weende. Toen haar schoonmoeder Sophie zag zei ze:” Ge moogt ni, ge mocht ni komen.

Ge moogt ni uit uw huis eer dat je gereinigd bent in de kerk en je de zegen hebt van de pastoor.”

Sophie reageerde daarop verbaasd. “Ik zei: wablief? Wat heb ik misdaan? Ik heb gedaan wat er

in de Bijbel staat: gaat en vermenigvuldig u. Er staat nergens dat we ons moeten reinigen. Ik heb

gedaan wat dat Ons Here gezegd heeft: moet ik dan gereinigd zijn?” Sophie heeft geen kerkgang

gedaan. Ze beschouwde dat toen als een vernedering en begreep niet waarom ze moest gereinigd

worden. Ook nu vindt Sophie dit een belediging dat ze als pas bevallen moeder moest gereinigd

worden. Ze vindt het hele gebruik dan ook ouderwets. Volgens haar waren het enkel zeer

landelijke gebieden die nog aan het gebruik vast hielden in haar tijd. Sophie was opgegroeid in

Kortrijk en verhuisde naar Zwevegem toen ze trouwde. “Maar hier [Zwevegem], da was een

achterlijk nest: de plaatse da was niets. [BET: de markt stelt niets voor] Da was lik een

achterhoek en ze hadden al die gebruiken.”

Als ik Rosette vraag waarom ze geen kerkgang gedaan heeft, zegt ze: “Ik was wel gelovig, maar

dan was ik al zoveel ouder é. Ik peisde in m’n eigen: ik ga het hier ni allemaal meer doen wat dat

zij zeggen é. Nee, dat heb ik ni gedaan. En pas op, we zijn altijd gelovig en katholiek geweest, en

nu nog: we zijn nog gelovig, we gaan nog naar de mis. Maar ‘t heeft z’n grenzen é.” Rosette is

net zoals Sophie erg gelovig, maar wil ook niet te ver gaan in die kerkelijkheid. De kerkgang

doen vinden zij niet noodzakelijk om het geloof te belijden.

75

In haar artikel “Het betere bloed. Over het ritueel van de kerkgang en het offer in de katholieke

traditie” stelt Grietje Dresen zich de vraag waarom het vrouwelijke bloedverlies negatief wordt

gewaardeerd terwijl het bewust bloedvergieten van de soldaat, de offerpriester, de beul, de

geneesheer, en andere mannen ontzag inboezemt. De geslachtloze substantie bloed wordt van de

ene sekse eervol en sacraal opgevat, en van de andere eerloos en onrein makend. Voor deze

paradoxale opvatting van bloed zoekt Dresen naar een verklaring van de kerkgang. In dat ritueel

is die ambivalente waardering van bloed immers aanwezig. Het misoffer is een herhaling van het

bloed dat Jezus vergoten heeft ter verlossing van de zonden van de mens en kan alleen herhaald

worden door iemand die zich ver afhoudt van het lichaam en bloed van vrouwen, nl. een

ongehuwde man. Dat lichamelijkheid van de vrouw en met name haar voortplantingsfuncties niet

te verzoenen zijn met het allerheiligste blijkt duidelijk in het katholieke ritueel van de kerkgang.

Daarom moet de vrouw na de bevalling gereinigd worden door een priester om terug in de

kerkgemeenschap te worden opgenomen. Dresen voert Nancy Jay op die een verklaring van de

centrale plaats van het bloedoffer in verschillende religies heeft gezocht. Daarbij ging ze op zoek

naar de reden waarom vruchtbare vrouwen geen actieve rol spelen bij het bloedoffer. Jay oppert

als verklaring dat het doelbewust doden een manier is om het “leven geven” waartoe vrouwen in

staat zijn, te overtreffen. Het gecontroleerd bloedvergieten acht men superieur aan het

onwillekeurig, passief, chaotisch bloedverlies van de vrouw.138

Kortom, we zien opvallende gelijkenissen in het bestaan van en de aard van menstruatietaboes

die religies kennen. Vrouwen worden haast altijd onrein geacht tijdens de menstruatieperiode en

mogen bijgevolg niet deelnemen aan religieuze activiteiten. Vooral het taboe op seks met een

menstruerende vrouw wordt verkondigd door alle godsdiensten. Of gelovigen deze voorschriften

respecteren hangt af van hun religiositeit en vrije keuze. De katholieke kerk heeft in het begin van

de twintigste eeuw een grote invloed gehad op het leven van de Vlaamse gelovigen. Nu

onderzocht is welke menstruatietaboes in Vlaanderen bestaan, moet de vraag worden gesteld

welke de betekenis hier van is.

138 DRESEN, Is dit mijn lichaam, 41-60.

76

2.4 Waarom bestaan menstruatietaboes?

Menstruatietaboes en -rituelen hebben vele decennia als voer gediend voor antropologen, en doen

dat nog steeds. Antropologen zijn er nog steeds niet uit welke betekenis schuilt achter

menstruatietaboes die over de hele wereld in culturen schijnen voor te komen of hebben

voorgekomen. Vaak werden menstruatietaboes zonder meer beschouwd als een manier van

patriarchale samenlevingen om vrouwen te onderdrukken. Uit angst voor de procreatieve

krachten wordt een vrouw tijdens haar maandstonden bijvoorbeeld geïsoleerd in

menstruatiehutten, zo werd geredeneerd. De oorsprong van die angst ligt volgens antropologe

Mary Douglas in het vermeende gevaar dat schuilt in menstruatiebloed. Een menstruerende

vrouw verliest immers elke maand bloed zonder te sterven: zij brengt dus zowel tekenen van

leven en dood voort. De onbegrijpelijke reden waarom vrouwen regelmatig bloed verliezen en

hierdoor het monopolie op bloedvergieten door de man op de helling zetten kan niet worden

gevat. Deze symbolische anomalie wordt omgezet in een beschermingsmechanisme. De vraag

“Who can tell us, that if she can give life, she can not also take life?” houdt mannen in de ban.139

Door het afwijkend karakter betekent het menstruatiebloed dus een gevaar voor de symbolische

of culturele orde, vandaar dat aanraking met het menstruatiebloed door middel van taboes moet

worden uit de weg gegaan. Deze “pollution theory” heeft een grote invloed gehad op

antropologen als Julia Kristeva en Margaret Mead die het vaak als uitgangspunt voor hun analyse

van menstruatietaboes namen.140

De meest recente literatuur houdt er een andere mening op na. In Blood magic. The anthropology

of menstruation willen Thomas Buckley en Alma Gottlieb samen met andere auteurs de

bestaande menstruatietaboes niet samenvatten onder de noemer van een defensief sociaal

mechanisme. Voor elk taboe trachten zij een verklaring te zoeken die past in de religieuze en

culturele context waarvan ze afkomstig zijn, in plaats van ze er van los te maken. Vroegere

verklaringen voor het bestaan van menstruatietaboes schoten op bepaalde vlakken tekort, aldus

Buckley en Gottlieb. Vaak schonken antropologen geen aandacht aan de verschillende

139 Perzische mythe uit WEIDEGER, Menstruation and menopause, 115.

140 BUCKLEY, T.,e.a., Blood magic : the anthropology of menstruation, Berkeley, 1988, 6-33; YANAY, N. en

RAPOPORT, T., ‘Ritual impurity and religious discourse on women and nationality’, Women’s studies international

forum, 20 (1997), 652.

77

betekenissen die menstruatietaboes krijgen in culturen. Bij bepaalde culturen is het

menstruatiebloed een bedreiging voor de vruchtbaarheid van het land, bij andere wordt het met

vruchtbaarheid verbonden. Sommige culturen stellen immers dat gewassen slecht worden indien

een menstruerende vrouw over het veld loopt; in andere samenlevingen wordt menstruatiebloed

in rituelen gebruikt om geluk af te dwingen tijdens de jacht. Ook negeerden antropologen vaak de

houding van de vrouwen die deze gebruiken ondergaan. Sommige vrouwen hebben er

bijvoorbeeld alle belang bij het menstruatietaboe in stand te houden, hetgeen de theorie van de

vrouwenonderdrukking ontkracht. Menstruatiehutten kunnen verder ook een toevluchtsoord

betekenen voor vrouwen. Hun verblijf daar kan een breuk vormen in de dagelijkse sleur, een

moment om niet te hoeven koken voor het gezin of voor de kinderen te zorgen maar in plaats

daarvan rustig te keuvelen of weven met andere vrouwen. Op die manier kan het de solidariteit

tussen de vrouwen bevorderen. In sommige culturen is de afzondering geen plicht, maar isoleert

de vrouw zich vrijwillig. Tenslotte moet steeds in de gaten worden gehouden wiens gedrag wordt

beperkt door de taboes: dat van de menstruerende vrouw of dat van haar omgeving? Zouden

mannen niet liever hebben dat hun vrouw voor hen kookt en met hen de liefde bedrijft in plaats

van een paar dagen alle contact met haar te moeten verbreken? Wat eveneens onderzocht moet

worden, alvorens te vervallen in een te snelle conclusie dat de menstruatietaboes enkel in het

leven zijn geroepen door mannen om vrouwen te domineren, is wie schade ondervindt wanneer

het taboe wordt verbroken. Vormt de menstruerende vrouw een gevaar of is zij eerder zelf in

gevaar?141

Mijn onderzoek laat meer aanleunen bij de recente literatuur die achter de taboes geen universele

verklaring zoekt als een door mannen gecreëerd systeem om het andere geslacht te onderdrukken.

In plaats van een passief slachtoffer te zijn, leken mijn respondenten immers zelf ervoor te kiezen

of ze mayonaise maakten tijdens hun maandstonden. Zij beslisten zelf wat ze in de keuken deden

of lieten wanneer ze hun regels hadden. Als ze er voor kozen om het taboe te respecteren, dan

was dit uit eigen keuze. Het waren niet mannen die vrouwen aanzetten het maken van mayonaise

uit te stellen tot de “moeilijke dagen” voorbij waren. Eigenlijk werd deze fabel, die overigens niet

door alle vrouwen als een fabel werd afgeschreven, door andere vrouwen verkondigd. Mannen

spraken immers niet over menstruatie, en hadden meestal ook geen ambities om zich te mengen

141 BUCKLEY, Blood magic, 6-33.

78

in wat er in de keuken gemaakt werd. In Vlaanderen lijken menstruatietaboes dus geen manier te

zijn van een patriarchaal systeem die zijn vrouwelijke leden wil onderdrukken. Het geloof

hechten aan de verkondiging dat er negatieve gevolgen verbonden waren aan het doorbreken van

het taboe (dat overigens nooit als een taboe wordt beschouwd door wie het respecteert), zette

vrouwen er toe aan dit gebruik toe te passen. De taboes die het contact met water verbieden

tijdens de menstruatie, zijn wel door mannen ingesteld. Dit was echter enkel het geval omdat de

meeste artsen mannelijk waren. Hun raadgevingen waren echter gebaseerd op toenmalige kennis

over de menstruele cyclus, en niet op het willen onderdrukken van vrouwen.

Met andere woorden, Buckley en Gottlieb waarschuwen voor het zoeken naar één

generaliserende universele verklaring van de menstruatietaboes. De auteurs roepen op om

menstruatietaboes niet zonder meer als bron van bevuiling te aanzien, zoals vaak gedaan wordt in

navolging van het werk van Douglas. Wel moet er in elke cultuur en gemeenschap onderzoek

verricht worden naar de oorsprong van die taboes, zonder daarbij de specifieke religieuze en

culturele context uit het oog te verliezen. Niet overal wordt menstruatie immers als negatief

ervaren: men mag de houding van vrouwen tegenover hun maandstonden en bijkomende

gebruiken niet vergeten te onderzoeken. Evenmin mag men zich blindstaren op de dominantie

van mannen in vele gemeenschappen aangezien vrouwen vaak een grote invloed uitoefenen via

informele structuren. Vrouwen als onderdrukt beschouwen omdat zij geïsoleerd worden van de

gemeenschap tijdens hun menstruatie is fout, aldus Buckley en Gottlieb.142 De vrouw is dan op

het hoogtepunt van haar spirituele krachten en dat is het moment bij uitstek om rust te nemen en

het werk even neer te leggen.143

142 BUCKLEY, T.,e.a., Blood magic : the anthropology of menstruation, Berkeley, 1988, 6-33

143 OWEN, L., ‘Vrouwensabbat’, ’t Fameke, 01 (1994), 10-11.

79

Deel 3: Wat men kon gebruiken voor menstruatie,

het materiële aspect

1/ Geschiedenis van het maandverband

De geschiedenis van het maandverband staat

niet los van die van de onderbroek. Het dragen

van een onderbroek is voor vrouwen maar

vanzelfsprekend geworden sinds de

negentiende eeuw. Voordien droegen vrouwen

helemaal niets onder hun rokken en

onderrokken en was het dragen van een

onderbroek enkel voor mannen weggelegd.

Mannen droegen een ‘onder’broek onder een

gewone broek om die minder snel vuil te laten

worden. De eerste onderbroeken voor onderbroeken waren “open” onderbroeken: het waren twee

pijpen die werden samengehouden door een band in de taille. In die onderbroeken was geen

‘kruis’: de pijpen waren niet aaneengenaaid tussen de benen. Er was dus een gat tussen de pijpen

waardoor de vrouwelijke genitaliën en het achterwerk zichtbaar waren. Om zijn behoefte te doen

ging men, zonder de onderbroek naar beneden te doen, neerzitten. Daarom werd die wel eens

snelzeiker genoemd in de volksmond. Kortere gesloten onderbroeken waren tegen de jaren dertig

helemaal ingeburgerd, maar in sommige landelijke streken bleef de open onderbroek een

alledaags kledingstuk tot het midden van de twintigste eeuw.144

In de literatuur is niet veel informatie te vinden over hoe vrouwen die open onderbroeken

droegen, het menstruatiebloed opvingen. Shorter, Bisschop en Hering en Maierhof schrijven dat

menstruerende plattelandsvrouwen die open onderbroeken droegen tot het begin van de twintigste

eeuw het bloed gewoon tussen de benen op de grond lieten druppen, of het met het onderhemd

144 BISSCHOP, C., Ondergoed. Een geschiedenis van betekenisgevende praktijken in Vlaanderen 1930-2006,

Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Departement geschiedenis, 2007, 137-141.

Afb. 1: Open onderbroek, eind 19e-begin 20e eeuw

80

wegveegden.145 Dit was voor vele vrouwen inderdaad het geval,146 maar anderen waren

vindingrijk genoeg om op één of andere manier het bloed op te vangen.

Het in 1888 door natuurgenezer Friedrich Eduard Bilz gepubliceerde Das Neue

Naturheilverfahren illustreert wat vrouwen op het einde van de negentiende eeuw gebruikten om

menstruatiebloed op te vangen. Bilz was een wever zonder geneeskundige opleiding. Zijn boek

was een samenvatting van bekende natuurgeneeskundige methodes aangevuld met eigen

ervaringen en commentaar. Bilz keurde in zijn boek af dat vrouwen uit zijn omgeving niets

gebruikten om het menstruatiebloed op te vangen. Dit vond hij weerzinwekkend, niet alleen

omwille van de slechte reuk maar ook omwille van hygiënische redenen. Vele vrouwen deden

immers niet iedere dag vers ondergoed aan en wasten zich niet gedurende die periode. Vrouwen

die wel banden gebruikten, wendden vaak ongeschikte doeken aan zoals samengevouwen oude

handdoeken of beddengoed.147 Deze zelfgemaakte en uitwasbare banden vond Bilz verre van

ideaal. Hij raadde vrouwen aan de in die tijd nieuw op de markt verschenen middelen te kopen,

zoals wegwerpbanden en gordeltjes om die aan te bevestigen.148 In 1899 schreef Hope Bridges

Adams Lehrman, één van de eerste vrouwelijke artsen in Duitsland, in haar Die gesundheit im

Haus. Eine ärtzliche Anleitung eveneens dat ze het walgelijk vond en gevaarlijk voor infecties dat

vrouwen ook tijdens de maandstonden vier tot acht dagen hetzelfde onderhemd droegen.149

Laura Kidd heeft onderzoek verricht naar patenten die tussen 1854 en 1921 in de Verenigde

Staten werden toegekend aan menstruatieproducten. Het hoge aantal patenten dat werd

aangevraagd en toegekend tussen 1854 en 1921 toont aan dat de huisgemaakte bescherming

inadequaat was. In Amerika werden vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw systemen

ontwikkeld om menstruatiebloed op te vangen. Het vroegste patent dat Kidd op het spoor kwam

dateerde van 1854. Alfred A. Starr ontving dat patent voor een gordeltje waaraan een doek kon

worden bevestigd om het bloed te absorberen. In de tekst die bij het patent hoorde staat

145 KIDD, Menstrual technology in the United States, 21; BISSCHOP, Ondergoed, 139; HERING S, Die unpäßliche

Frau, 36.

146 Sophie vertelt bijvoorbeeld dat haar schoonmoeder die open onderbroeken droeg, haar menstruatiebloed gewoon

liet stromen.

147 Gislène vertelde me “ge had er zelfs vroeger die de versletenen kinderdoeken [Bet: luiers] gebruikten”

148 BILZ, F.E., Das neue Naturheilverfahren. Lehr- und Nachschlagebuch der naturgemäßen Heilweise und

Gesundheitspflege, Leipzig, 1888, 374-376.

149 http://www.mum.org/whatwore.htm

81

Afb. 2: Patent

voor

menstruatiebretellen

in 1875,

gegeven aan

Stephen Ellis.

geschreven dat de gordel een aanpassing en verbetering was van de touwen of linten die vrouwen

rond hun heupen spanden om er de uiteinden van een doek aan vast te hechten.150 In de periode

tussen 1854 en 1921 kwam Kidd 185 patenten op het spoor waarvan 34,3 % door vrouwen

ontwikkeld waren. Bij andere patenten die niet met menstruatie gerelateerd waren, was slechts

1% van de uitvinders een vrouw.151 Blijkbaar vonden vrouwen de middelen om menstruatiebloed

op te vangen, verre van ideaal.

De patenten werden toegekend aan gordels, absorberende doekjes, houders om die doekjes in te

steken, middelen om de voorgaande aan elkaar te hechten, aangepaste kledij voor menstruerende

vrouwen en uitvindingen die inwendig het bloed opvingen. Vaak werd bij het patent vermeld dat

het product het reizen voor vrouwen vergemakkelijkte. Heel wat menstruatiebanden konden

bovendien verbrand worden met behulp van een brander die eveneens te koop werd

aangeboden.152 Zo hielp men vrouwen af van het meedragen van vuile

banden tijdens een reis, of moest men de dienstmeid die niet laten wassen.

Vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw zouden maandverbanden op

de markt komen die geparfumeerd waren, dit in de eerste plaats om de geur

van ontsmettende chemicaliën te verbergen. Doorheen de jaren werden

steeds aanpassingen uitgevonden en werden de uitvindingen steeds

eenvoudiger. 153

Een maandverband kon worden vastgehouden door de uiteinden ervan aan

een gordeltje vast te maken dat rond de taille werd gedragen. Een andere

mogelijkheid om het menstruatieverband tussen de benen vast te houden,

was door middel van een soort van bretellen.154 In 1905 schreef de

Amerikaanse arts Mary Wood-Allen in haar boek What a young girl ought

to know: “As a minor item, I would suggest that the napkins be fastened to

straps that go over the shoulder and are then joined together in front and back to an end piece, on

150 KIDD, Menstrual technology in the United States, 36.

151 KIDD, Menstrual technology in the United States, 27.

152 KIDD, Menstrual technology in the United States, 159.

153 AL-KHALIDI, A., ‘The greatest invention of the century: menstruation in visual and material culture.’,

ANDREWS, M., All the world and her husband : women in twentieth-century consumer culture, London, 2000.

74.

82

Afb. 3: Gebreide maandverbanden met knoopsgaten en lusjes

each of which a button is sewn.” Wood-Allen vond de maandverbanden die aan gordeltjes rond

de taille moesten gehecht worden veel comfortabeler.155 In hoeverre dit systeem van bretellen

door alle lagen van de bevolking is doorgedrongen is niet duidelijk. Bovendien is het moeilijk

voor te stellen dat lagere klassen dit een handig systeem zouden vinden tijdens het werk op het

land, thuis of in de fabriek. Of deze ook in België te verkrijgen waren is onbekend. Mijn

respondenten vermeldden alvast niets van deze bretellen.

Volgens Kidd waren de open onderbroeken voor vrouwen makkelijker om van

menstruatieverband te wisselen. De vrouw had immers de keuze het maandverband te dragen

onder of boven de onderbroek aangezien de pijpen tussen de benen toch niet aan elkaar waren

genaaid.156 Als men naar de tekeningen, die bij de patenten horen kijkt, worden die op een bloot

lichaam voorgesteld. Dit zou er op kunnen wijzen dat de gordels en banden onder de

onderbroeken op de blote huid werd aangedaan. Het zou natuurlijk ook kunnen dat dit zo werd

afgebeeld om de tekening duidelijker te maken.157

Toen het dragen van gesloten

onderbroeken in de twintigste eeuw

een evidentie werd, betekende dit

dat het menstruatiebloed kon

opgevangen worden in het

ondergoed. Net zoals in de vorige

eeuw gebruikten vrouwen banden

die men net zoals luiers kon

uitwassen en hergebruiken. Aan de

uiteinden van het maandverband

zaten lusjes of knoopsgaten die aan

beide kanten ter hoogte van de taille

van vrouw kwamen. De banden werden met een knoop, een veiligheidsspel of via de lussen

154 http://www.mum.org/suspend.htm#anchor948222

155 KIDD, Menstrual technology in the United States, 13.

156 KIDD, Menstrual technology in the United States, 137.

157 Voor tekeningen van patenten zie KIDD, L.K., Menstrual technology in the United States 1854-1921,

Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling, Departement Filosofie, Iowa, 1994.

83

Afb. 4: Gordeltjes waarmee het maandverband werd vastgehouden, eerste helft twintigste eeuw

bevestigd aan het gordeltje. Ze moesten in drie worden geplooid om in de onderbroek te leggen,

of werden zelf door vrouwen gemaakt en op een gepast formaat gebreid of genaaid. “Je plooide

dat tesamen, tot dat het halverwege u rug en u buik kwam.” zegt Liese. Deze doeken kon je

kopen of zelf maken. Yvette herinnert zich dat er meisjes in de BJB vertelden dat je zelf

maandverbanden kon breien; zijzelf maakte er uit flanel. Die gebreide banden kon je ook kopen,

zoals Sophie’s moeder deed. Van vierkante doeken die vrouwen in drie plooiden en in hun broek

legden, evolueerden de maandverbanden naar modellen die gemakkelijker in de onderbroek te

leggen waren. Mijn respondenten beeldden met gebaren uit hoe de maandverbanden die zij

gebruikten, er uit zagen. Dit deden ze omdat dit historische objecten zijn waarvan zij willen dat ik

me er een beeld van kan vormen.

Een vaak voor waar aangenomen en overgenomen stelling in de literatuur is dat de moderne

wegwerpmaandverbanden het licht zagen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Verpleegsters

van het Rode Kruis zouden tijdens de Eerste Wereldoorlog celstofverbanden van Kimberly-Clark

benut hebben om oorlogswonden te verzorgen. Deze verbanden waren een substituut voor katoen

dat tijdens de oorlog moeilijk te verkrijgen was. Verpleegsters zouden die verbanden als

maandverband gebruikt hebben omdat die het bloed beter absorbeerden dan katoen. Net na de

Eerste Wereldoorlog zijn deze verbanden voor oorlogswonden dan een commercieel product voor

menstruerende vrouwen geworden.158 In 1920 werd dit verband Kotex gedoopt (naar cotton

158 DE KEYZER, De schaamte en de schrik,188-189. Deze informatie staat ook vermeld op de website van

Kimberly-Clark.

http://www.kimberly-clark.com/aboutus/product_evolution.aspx en

http://www.kimberly-clark.com/pdfs/Feminine%20Pads%20evolution.pdf

84

texture) en als eerste consumentenproduct van Kimberly-Clark op de markt gebracht door hun

bedrijf Cellucotton Products.159

Kotex mag dan wel het eerste commercieel succesvolle wegwerpmaandverband zijn, toch

bestonden al vóór 1920 maandverbanden in wegwerpmateriaal.160 In haar onderzoek van patenten

naar menstruatieproducten ontdekte Kidd dat heel wat van de maandverbanden tussen 1854 en

1921 uit wegwerpmateriaal gemaakt waren. Amerikaanse artsen en gezondheidsspecialisten

vroegen patenten aan voor dergelijke verbanden en leidden verloskundige verpleegsters op om

steriele verbanden bij hun patiënten te gebruiken. Deze leerden op hun beurt de pas bevallen

vrouwen aan hoe ze zelf de banden konden maken en weggooien in plaats van de hygiënisch

minderwaardige herbruikbare doeken te gebruiken. Door een samenwerking van enerzijds artsen

die verpleegsters trainden in het inlichten van

patiënten en anderzijds het verkrijgbaar maken van

de middelen door apotheken, raakte het vrouwelijk

publiek vertrouwd met deze producten. Tussen

1902 en 1920, dus het pre-Kotextijdperk,

adverteerden bedrijven voor deze producten in

kranten in tijdschriften. Kimberly-Clark pikte dus

met Kotex in 1920 een reeds bestaand gebruik op

en commercialiseerde het.161

Toch zou het nog lang duren eer deze

wegwerpverbanden de uitwasbare banden zouden

vervangen in Europa en België. Pas vanaf eind

jaren veertig, begin jaren vijftig zou in België

wegwerpmaandverband gebruikt worden, maar

lang niet door iedereen. Vijf van de vijftien

159 KLOOTWIJK, W.,‘Het genadeloze gevecht om zijklep en inlegkruisje’, Vrij Nederland, 54 ( 1993), 18-19.

160 KIDD, Menstrual technology in the United States, 58-62 en 78. Kidd is de enige auteur die het verhaal van Kotex

als eerste wegwerpmaandverband in vraag stelt en aan de hand van patenten bewijst dat voordien al maandverbanden

uit wegwerpmateriaal gemaakt waren.

161 KIDD, L.K., The roles of health professionals in the development and dissemination of women’s sanitary product

1880-1940, Journal of medicine and allied science, 51 (1996), 325-352.

Afb. 5: Advertentie voor maandverbanden in

badstof, begin twintigste eeuw

85

geïnterviewde vrouwen hebben zelfs nooit wegwerpbanden gebruikt in hun leven. Hun dochters

zouden die wel gebruiken. Het merendeel van de vrouwen kocht meteen wegwerpbanden als ze

er weet van had, zo moest zij niet langer “zulke vuiligheid wassen”162 en een ongemakkelijk

zittend maandverband in hun onderboek dragen. Naast de maandverbanden, konden ook rubberen

broekjes aangekocht worden om vlekken in de kleren tegen te gaan. Mira gebruikt deze omdat ze

teveel bloedverlies had door haar ziekte hemofilie. Om te slapen legde ze bovendien een rubberen

doek in haar bed. Madeleine vond die broekjes onhandig omdat ze daar erg in zweette, vooral in

de zomer. Marianne droeg ook zo’n broekje om het doorlekken op de kleren te vermijden. In het

begin van de twintigste eeuw vond er dus een evolutie plaats van artisanale naar commerciële

menstruatieproducten. Wanneer vrouwen niet langer menstrueerden, hadden ze hun

menstruatiebanden niet langer nodig en gebruikten sommige vrouwen deze als stofvodden, zoals

Liese en Rosette.

De maandverbanden van Kotex konden aan een

gordeltje gehangen worden, maar later werden er

speciale onderbroeken op de markt gebracht.

Daardoor konden de uiteinden van het verband

via haakjes of touwtjes aan het daarvoor

gemaakte onderbroekje vast gehangen worden.

Het aanbrengen van kleefstof in de jaren zeventig

op de banden betekende het einde van het gebruik

van gordeltjes en aangepaste onderbroeken.163

In 1993 brengt Procter & Gamble in Nederland

Always op de markt en voert daarvoor een grote

reclamecampagne op. De reeds gekende merken

Libresse en Kotex boetten er aan populariteit

in.164 In de jaren negentig introduceerde Always

162 Gesprek met Sophie

163 http://www.mum.org/staynet72.htm

164 KLOOTWIJK, ‘Het genadeloze gevecht om zijklep en inlegkruisje’, 18-19.

Afb. 6: Stayfree, maandverband met kleefstrip,

jaren zeventig

86

Afb. 7: Fax tampon, begin 20e eeuw

de vleugeltjes aan het maandverband. Deze vleugels waren twee plakstrookjes, die zich

halverwege de lengte van het maandverband aan beide kanten bevonden. Door de vleugels rond

de rand van de onderbroek om te vouwen en de plakstrookjes aan de onderkant van de

onderbroek vast te plakken, bleef het maandverband nog beter op zijn plaats. Andere merken

volgden Always daarin. Vanaf de jaren negentig verschenen steeds meer merken op de markt met

alsmaar meer verscheidenheid in hun productengamma. De vrouwelijke hygiëne producten

werden klein, plat, compact en kleurrijk gemaakt. Het maandverband evolueerde van enkele

centimeters naar enkele millimeters dikte. Nachtmaandverband, maandverband voor weinig of

veel bloedverlies, inlegkruisjes, geparfumeerde inlegkruisjes, etc.: vanaf het einde van de

twintigste eeuw kon elke vrouw uit een uitgebreid gamma aan menstruatieproducten kiezen.

2/ Geschiedenis van de tampon

Tampons bestaan al sinds mensenheugenis. Egyptische vrouwen gebruikten papyrusrollen,

Romeinse vrouwen rolden repen linnen of wol op. Elke cultuur gebruikt en gebruikte natuurlijk

materiaal dat in zijn directe omgeving te vinden was om die op te rollen en inwendig het bloed op

te vangen.165

De eerste tampons verschenen in Amerika op de markt

in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Zij hadden

geen inbrenghulzen. Misschien was de Fax tampon de

eerste op de markt. Fax gebruikte bij de handleidingen

van zijn producten immers niet het woord tampon maar

“pad-type napkin.” Dit kan er op duiden dat men het

woord tampon niet gebruikte, simpelweg omdat het een

nog ongekend woord en product was. Bovendien had de

Faxtampon geen koordje om de tampon gemakkelijk

terug te verwijderen. Rond de tampon moest een groter

doekje in verbandgaas worden aangebracht alvorens men de tampon inbracht. Wanneer men de

tampon wou verwijderen moest men dat gaas er met een haal uittrekken, zodat de tampon ook

mee verwijderd zou worden. Het lijkt aannemelijk dat men eerst een dergelijk doekje gebruikte

87

Afb. 8: Wix tampon,

begin 20e eeuw

om de tampon te verwijderen, om dan later te ontdekken dat een touwtje dat in de tampon is

verwerkt, handiger is.166 De “wixtampon” kon bijvoorbeeld met een

touwtje verwijderd worden en kreeg een patent in 1933. Met

slogans als “No belts, no pins, no bulging pads” voerden zij en

andere tamponproducenten in de Verenigde Staten en Europa

campagne. Het gebruik van deze tampons betekende immers dat

vrouwen niet langer hoefden gordeltjes te gebruiken, het verband

vastspelden en dikke maandverbanden dragen. Net zoals vandaag

werd er bij de tampons een handleiding gestoken om uitleg te geven

hoe die dienden te worden ingebracht. Ook bestonden handleidingen

voor de verkopers, meestal gericht tot “saleswomen”, zodat zij

vrouwen konden inlichten hoe zij dit nieuwe product op een goede manier konden inbrengen. 167

Procter & Gamble produceerde begin jaren twintig in Amerika “Lox: theatrical tampons.” De

tampons waren speciaal bedoeld voor balletdanseressen, actrices en andere vrouwen die op het

podium stonden. In de negentiende en begin twintigste eeuw waren het enkel danseressen en

actrices die bescherming gebruikten voor het menstrueren. Het spreekt vanzelf dat wanneer men

voor een publiek stond het niet zichtbaar mocht zijn dat men menstrueerde. Immers, “The show

must go on” en dus droegen deze vrouwen verbanden of katoenen tampons. Gewone vrouwen

vingen, zoals eerder aangetoond, het bloed op in hun kleren. Deze “loxtampons” hadden één

kartonnen inbrenghuls, in plaats van twee inbrenghulzen zoals de tampax.168

De eerste commerciële tampon mét inbrenghuls is een uitvinding van de Amerikaanse dokter

Earle Haas in 1933. Hij vond de tampon uit met een binnenste en buitenste inbrenghuls en een

verwijderingstouwtje. Haas verkocht zijn uitvinding aan Gertrude Tenderich, een zakenvrouw die

met haar bedrijf “Tambrands” de tampons van het merk “Tampax” op de markt bracht. Tampons

kwamen niet zonder moeilijkheden op de markt. Artsen en gynaecologen vertrouwen het

165 FRIEDMAN, N., Everything You Must Know About Tampons, Burkley, 1981.

166 http://www.mum.org/faxdocuments.htm Voor meer merken uit de beginjaren van de commerciële tampon zie

http://www.mum.org/comtampons.htm

167 http://www.mum.org/wix.htm

168 http://www.mum.org/lox.htm

88

Afb. 9: Patent voor tampon met

inbrenghuls, 1933

“inwendige verband” niet, en waarschuwden voor het gebruik ervan. Vooral voor maagden zou

het gevaarlijk zijn voor de gezondheid.169

In 1950 is de O.B (Ohne Binde), een tampon zonder

inbrenghuls, door de Duitse gynaecologe Carl Hahn

ontwikkeld en op de markt gebracht. Het was de eerste

inwendige bescherming die verscheen op de Duitse markt die

niet van de Verenigde Staten afkomstig was.170 Tampons

werden in België in de jaren vijftig op de markt gebracht en

werden pas in de jaren zestig een veel gebruikt product.

Begin de jaren tachtig boette de tampon aan populariteit in

toen het gebruik van tampons in verband gebracht werd met

het Toxic Shock Syndrome (T.S.S.). T.S.S is een zeldzame

maar ernstige aandoening, die zelfs de dood kan veroorzaken,

die verschijnt door een bacterie in de neus en vagina. De ziekte wordt geassocieerd met

(verkeerd) tampongebruik en wordt daarom de tamponziekte genoemd. Producenten zijn thans

verplicht waarschuwingen voor het T.S.S te vermelden.171

Ook tampons zijn doorheen de jaren van uitzicht veranderd. De kartonnen inbrenghuls is bij

tampax inmiddels vervangen door een plastieken, en het bedrijf heeft bijvoorbeeld

geparfumeerde tampons in zijn aanbod toegevoegd. Net zoals maandverbanden zijn de tampons

en hun verpakking veranderd in kleur en geur. In wat volgt, zal vooral de nadruk worden gelegd

op het gebruik van maandverband aangezien het gebruik van tampons pas echt werd ingeburgerd

in de generatie die kwam na die van de vrouwen die ik geïnterviewd heb.

169 zie infra

170 http://eu.itsmybody.com/phppages/parser.php?path=%2Fnf_index.html&country_id=31 (site van o.b.)

171 MUYS, L., ‘Tampons: bondgenoot van emancipatie?’, Stem der vrouw,78 (1992), 31.

89

3/ Van in de winkel tot in de onderbroek

3.1 Yvette’s verhaal

Yvette werd in 1918 geboren in een landbouwersgezin van drie jongens en vier meisjes. Ze was

de derde oudste: ze had nog één oudere broer en zus. Op de lagere school had ze het één en ander

opgevangen over maandstonden. Omdat haar ouders door het zware werk op de boerderij niet de

tijd hadden haar en haar zusters naar school te brengen, gingen zij en haar broers en zussen naar

een internaat op school. Ze was intern van haar dertiende tot haar zestiende jaar. In het internaat

heerste een strenge opvoedingssfeer. De nonnen zorgden er voor dat de leerlingen hun eigen

lichaam zo weinig mogelijk zagen, om geen zondig gedrag uit te lokken. Het was strikt verboden

zich naakt te wassen, of zelfs tijdens het omkleden naakt te zijn. Dit vindt Yvette achteraf gezien

nogal overdreven.

Toen Yvette zestien jaar was, stopte ze met school lopen en ging ze thuis meewerken. In dat jaar

menstrueerde ze voor het eerst. Haar moeder had nooit iets gezegd, en zou er behalve toen nooit

meer over spreken. Wat ze Yvette vooral wou duidelijk maken was dat de jongens van het gezin

en daarbuiten nooit iets mochten merken. Yvette droeg banden die haar moeder maakte, en moest

de vuile in een ketel met water ergens in een schuurtje doen. Wanneer ze aan het werk was met

de vrouwen van het gezin en het nodig was een vers maandverband aan te doen, ging ze even

naar haar slaapkamer. De taken van de mannen en vrouwen waren grotendeels gescheiden.

Wanneer ze echter met het gezin op het veld werkte, kon ze niet onopvallend even naar huis gaan

om zich te verversen en dan moest ze wachten tot ze met z’n allen gingen eten.

Yvette was leidster in de BJB tot ze 29 jaar was en trouwde. Zij en haar echtgenoot wisten niets

van geboortebeperking, ze pakten het gelijk het kwam, zoals Yvette het verwoordt. Yvette en haar

echtgenoot hadden zelf een boerderij. Ze heeft twee dochters ter wereld gebracht. Wanneer ze

haar regels had, zorgde ze dat ze niet aan het vlees kwam dat in pekelzout lag, en wachtte met

bokalen te steriliseren. Ze is niet helemaal zeker waarom het niet goed was voor een

menstruerende vrouw om dit te doen, maar denkt dat het iets met de adem te maken heeft. Yvette

heeft haar hele leven uitwasbare maandverbanden gebruikt: eerst zelfgemaakte, daarna gekochte.

Ze heeft er geen idee van hoe een wegwerpmaandverband er uitziet.

90

3.2 Maandverband kopen

Toen mijn respondenten in hun tienerjaren hun maandstonden hadden, gebruikten zij eind jaren

dertig, veertig of vijftig uitwasbare banden. Vaak maakten vrouwen op het platteland zelf hun

maandverbanden, want dat was goedkoper. Yvette maakte net zoals haar moeder flanellen

banden. Op een bepaald moment toen ze al getrouwd was, stapte ze echter af van die

zelfgemaakte doeken en kocht sponsen doeken. In het midden van die doeken was de stof in

spons gemaakt. De band werd in drie geplooid zodat de sponsen middenstrook het bloed opving.

Daarna werd de band aan een gordeltje vast gehangen zodat het in de onderbroek bleef zitten.

Yvette vond die sponsen doeken aangenamer om te dragen omdat die zachter waren dan de egaal

uitgestreken flanellen doeken die ze voordien droeg. Julia was net als Yvette een boerendochter.

Haar moeder maakte eveneens banden uit flanel. Toen ze achttien was, ging ze als dienstmeid

werken in Ieper. Daar kreeg ze andere, waarschijnlijk sponsen banden van de vrouw voor wie ze

werkte. Deze banden droeg ze Godeliever omdat ze gemakkelijker aanvoelden. Madeleine wees

me er op dat vrouwen toen geen wasverzachter gebruikten, en dat de doeken dus minder zacht

waren dan het wasgoed vandaag het geval is. Madeleine vond het vervelend dat die banden soms

schuurden aan haar billen. De meeste vrouwen kochten maandverbanden in plaats van er zelf te

maken.

Tot de jaren zestig werden inkopen gedaan in buurtwinkels. Maandverbanden werden niet in

dergelijke kleine kruidenierswinkels verkocht, maar in winkels waar men ondergoed aan de man

bracht. Enkel Marie vertelt dat ze die bij de apotheek haalde. Anders dan vandaag, kon men niet

zomaar in een winkel rondlopen en van de rekken nemen wat men wilde kopen. Eens

binnengekomen, stond de verkoper met zijn verkoopwaar achter een toog en moest de klant

vragen wat hij of zij wenste te kopen. Dit zorgde ervoor dat de meeste vrouwen met schaamrood

op de wangen een pakje maandverband vroegen. Rosette vroeg de verkoper naar

gezondheidsbanden of een gezondheidsceintuur. Ze gebruikte dus een vage term om de woorden

maandstonden of maandverband niet in de mond te hoeven nemen. In haar boek Kiesche

Waarheid heeft Schouwenaar het niet over “maandverband” maar over “hygiënisch verband” of

“uitwendig verband”, wanneer ze het verschil wilde aanduiden met de “inwendige verbanden” of

tampons.172 Met dergelijke woorden hoefden vrouwen niet letterlijk uitspreken waarvoor het

172 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid, 113-115.

91

product diende. Het gebruik van dergelijke eufemismen maakte het Rosette en andere vrouwen

gemakkelijker om het taboeonderwerp te omzeilen.

In de Verenigde Staten werd tegemoet gekomen aan de schaamte om over menstruatie te spreken

en om er producten voor te kopen. Door in catalogussen reclame te maken voor een mail-order

systeem wilden ze vrouwen aanzetten tot het bestellen van menstruatieproducten zonder dat ze

hoefden naar de winkel te gaan. “Save money, save embarrassment!” zo probeerde men vrouwen

te overtuigen.173 De commerciële wereld paste zich dus aan de gevoelens en houdingen van

vrouwen tegenover menstruatie aan. Advertenties werden naast in catalogi, ook in tijdschriften en

dagbladen geplaatst. Daarin werd eveneens bijgedragen tot manieren om de wangen van vrouwen

minder rood te laten worden wanneer ze in de winkel menstruatieproducten aan de verkoper

wilden vragen. Bij de reclame-aanbieding werd door sommige fabrikanten een bon afgedrukt

zodat de vrouwelijke klant niet moest vragen om het menstruatieproduct maar enkel de

uitgescheurde bon aan de verkoper kon geven.174

Zolang mijn respondenten thuis woonden en ongehuwd waren, kocht hun moeder de

maandverbanden en gordeltjes voor haar en haar dochter(s). Aangezien die banden telkens

uitgewassen werden, konden ze een aantal jaar dienst doen en hoefden ze niet vaak aangekocht

worden. Wanneer mijn respondenten trouwden, betekende dit dat zij zelf producten voor de

intieme hygiëne moesten aankopen. Van zodra wegwerpmaandverbanden te verkrijgen waren,

gebruikten zij deze. Via mond-aan-mond reclame en reclame in de winkels wist men af van deze

nieuwe producten. Enkel Yvette heeft nooit wegwerpmaandverbanden gebruikt en heeft er nog

steeds geen idee van hoe deze er uit zien. Deze verbanden zorgden er voor dat vrouwen niet

langer hun vuile banden moesten meedoen wassen. Van zodra er vuilnisbakjes verschenen in

publieke toiletten konden ze ter plaatse weggegooid worden. De grootste reden waarom vrouwen

overstapten op wegwerpmaandverbanden, was dan ook het niet meer hoeven te wassen van de

banden. De banden zaten bovendien ook makkelijker en absorbeerden beter het bloed.

Wegwerpverbanden waren wel duurder, maar vrouwen verkozen gemak boven geldbesparing. In

de interviews begonnen de vrouwen spontaan met het vertellen over de herbruikbare banden

173 AL-KHALIDI, A., ‘The greatest invention of the century: menstruation in visual and material culture.’, 65.

174 VAN MULKEN, M., ‘De verpakking van maandverband. De ontwikkeling van retoriek in

tijdschriftadvertensies’, Tijdschrift voor genderstudies, 1 (2005), 16.

92

wanneer ik hen vroeg wat zij gebruikten om het bloed op te vangen. Pas wanneer ik informeerde

of ze ook wegwerpbanden hadden aangewend, vermeldden zij die. Dit kan zijn omdat de

herbruikbare banden de eerste waren die zij gebruikten, of omdat zij die zich beter herinnerden

vanwege het hele karwei om die te wassen.

In de jaren zestig kregen buurtwinkels in België concurrentie van grootwarenhuizen. Deze

nieuwe aankoopmogelijkheden waren vanuit de Verenigde Staten afkomstig. In

grootwarenhuizen waren meer producten verzameld dan in buurtwinkels, waar men een beperkte

keuzemogelijkheid aantrof. Door de nieuwe manieren om winkelen, veranderde het leefpatroon

van de Vlaming.175 Tampons konden vrouwen vooral in de grootwarenhuizen vinden. Weinig van

mijn respondenten hebben die uitgeprobeerd. Bij sommige lukte het inbrengen niet, andere

stelden zich tevreden met het systeem dat ze gewoon waren, nl. de maandverbanden. Rosette

vond tampons“vies en ongezond” en heeft die nooit uitgeprobeerd. Ze vertrouwde het product

niet omdat het leek alsof het bloed zich daardoor in de vagina ophoopte. Hoewel ze besefte dat

dit irrationeel was, hield ze zich toch ver van tampons. “Die nieuwe techniek hebben wij nooit

gekend” zegt Liese. Marianne vertelt dat ze nooit durfde een tampon te gebruiken. Sophie

probeerde de tampon uit omdat je dan “die smerigen band niet meer tussen uw benen moet

steken.” Toch was ze er geen voorstander van dat haar dochter die zou gebruiken. Ook Christelle

heeft vaak tampons gebruikt, vertelt ze.

Het adverteren voor maandverband is steeds paradoxaal

geweest en is dat nog steeds. Men moet reclame maken

voor datgene wat verzwegen en verborgen moet worden.

Beeldspraak, verbloemend taalgebruik en

understatements vormen middelen om dat te doen. Men

moest zo indirect mogelijk trachten duidelijk maken

waarvoor men reclame maakte. In het begin van de

twintigste eeuw waren vrouwen nog niet vertrouwd met

175 HOOGHE, M. en HEYRMAN, P., ‘Oud en nieuw. Sociale bewegingen in de maalstroom’, DE MAEYER, J en

HEYRMAN, P. red., Geuren en kleuren: een sociale en economische geschiedenis van Vlaams-Brabant, 19de en

20ste eeuw, Leuven, 2001., 312.

Afb. 10: Reclame voor

maandverband met afbeelding met

verpleegster en kind, ±1890

93

commerciële maandverbanden. Om het wantrouwen weg te werken, werden getuigenissen of

afbeeldingen van verpleegsters, of medische certificaten in de advertenties geplaatst. Wanneer

een product de goedkeuring wegdroeg van een medicus, zouden vrouwen immers vlugger

geneigd zijn het te kopen. Ook werd informatie gegeven over hoe de nieuwe producten moesten

worden gebruikt. In plaats van het product duidelijk weer te geven, beeldde men in het begin van

de twintigste eeuw de verpakking af of een silhouette van een vrouw. Het is pas sinds de laatste

decennia dat het product zelf wordt afgebeeld, zij het wel met een blauwe vloeistof om de

absorbatiekwaliteit aan te duiden. Tot in de jaren zeventig en tachtig werd menstruatie niet bij

naam genoemd in de reclameadvertenties, maar had men het bijvoorbeeld over “de maandelijkse

periode” en “die speciale dagen”.176 Doorheen de jaren bleven dezelfde thema’s terugkomen in

de reclame voor menstruatieproducten, maar de manier waarop dit gebeurde werd steeds opener,

directer en alledaagser. Thema’s als vrijheid, vertrouwen, onzekerheid en angst (voor

doorlekken), comfort, bescherming en gemakkelijk gebruik waren in het begin van de twintigste

eeuw net zoals nu het onderwerp van de publiciteit.177 In Le patriote illustré werd in het begin

van de twintigste eeuw in de weekelijkse uitgave telkens reclame gemaakt voor pillen voor

menstruerende vrouwen tegen hoofdpijn.178 “Pilules des dames. Merveilleuses contre douleurs,

retards et suppresions des époques,” zo luidde die publiciteit. Met des époques wist een lezer dat

hiermee de maandstonden werd bedoeld. Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg.

Ook vandaag wordt niet letterlijk verwezen naar de fysieke aspecten van het ongesteld zijn, maar

gebruikt men nog steeds retorische middelen als marketingmiddel. De hoeveelheid retoriek in

maandverband- en tamponreclames is in de loop van de tijd niet afgenomen, maar gelijk

gebleven. Volgens Margot Van Mulken is dit omdat “een retorische knipoog beter werkt.” Het

werkt beter om de aandacht van de koop- en wilskrachtige vrouwen te trekken met indirecte,

meestal humoristische boodschappen dan om te refereren naar waar het product echt om draait.179

176 ROYMANS, J., ‘Menstruatie: schets van een mentaliteit’, Lilith, (januari 1984), 15.

177 MERSKIN, ‘That time of the month: adolescence, advertising, and menstruation’, 101-103.

178 Le patriote illustré. Journal de la famille, 1906.

179 VAN MULKEN, ‘De verpakking van maandverband. De ontwikkeling van retoriek in tijdschriftadvertensies’, 15-

25.

94

3.3 “Goed verpakken en wegmoffelen”

Vrouwen gebruikten in de eerste helft van de twintigste eeuw andere middelen dan de

hedendaagse vrouw om het bloed op te vangen. Zij konden niet zomaar een bebloed

maandverband of tampon in de vuilbak gooien zoals dat thans gebeurt. Hoe gingen zij praktisch

om met hun maandstonden op school, thuis en op het werk? Hoe vaak deden zij een nieuw

maandverband aan? Wat werd met de vuile banden aangevangen? Hoe werd menstruatiepijn

bestreden?

Wanneer meisjes in de eerste helft van de twintigste eeuw naar school gingen, deden zij meestal

één of twee verse banden mee in de schooltas. Ze gingen te voet of met de fiets naar school en

waren ‘s morgens dus een tijdje onderweg. Dat kon er voor zorgen dat het nodig was bij het

aankomen op school meteen een vers maandverband aan te doen. “ja dan van te fietsen, dan

stond je al met ne vuilen van ’s morgens” vertelt Marianne. Ook Schouwenaars erkende dit

probleem in Kiesche Waarheid. “Wij hebben soms medelijden met de grootere schoolmeisjes en

de arbeidende jonge vrouwen, die ’s middags niet naar huis kunnen, ’s morgens en ’s avonds een

heele reis moeten doen, en die op heel dien langen dag, niet de minste menschwaardige

gelegenheid vinden, om op de moeilijke dagen van haar menstruatie, zich de noodige zorgen te

schenken. ’t Is een schande voor de vrouwelijke en de sociale opvoeding, dat zulke toestanden

blijven voortduren.”180 ’s Middags verversten de meisjes zich in de pauze, tenzij ze zoals

Christelle ’s middags naar huis kwamen eten. Op school en ook in andere gebouwen stonden in

de toiletten geen vuilbakjes aangezien de banden moesten gewassen en hergebruikt worden.

Meisjes deden de vuile banden dus terug mee naar huis omdat die uitgewassen moesten worden.

Zij wikkelden deze in toiletpapier en stopten ze in hun boekentas:“goed verpakken en

wegmoffelen”, zoals Marianne het verwoordt. Op Maries school konden de toiletten niet op slot:

van privacy was dus weinig sprake. Een vriendinnetje kon dan bijvoorbeeld voor de deur blijven

staan zodat er niemand per ongeluk zou binnenkomen. Sophie heeft nooit een verse band

meegenomen naar school wanneer zij menstrueerde. Dit kwam niet in haar op, omdat haar

moeder dit haar nooit had voorgesteld. Zij redde zich door veel toiletpapier te gebruiken en haar

180 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid voor ouder en opvoeders, 110.

95

billen af te vegen met haar onderhemd. Door de schaamte van haar moeder om over het

onderwerp te praten, wist Sophie niet hoe zij zich moest verzorgen.

Er waren ook meisjes die niet naar huis konden gaan omdat ze in internaten bleven en pas in het

weekend of om de paar maanden naar huis mochten. Daar was zich verversen vaak een probleem,

omdat de meisjes niet zomaar zonder toestemming naar de kamers mochten. Daarom zorgde

Madeleine ervoor dat ze tijdens haar maandstonden een verband bij had in haar schort die ze

tijdens de naailessen droeg. Marie-Helène vertelt dat zij en haar medestudenten van ’s morgens

tot ’s avonds niet op de kamer mochten. Pas als haar maandverband helemaal bebloed was, als

het dus echt om een noodgeval ging, wendde ze zich tot de juffrouw om te zeggen dat het

“vraiment nécessaire” was om even naar haar kamer te gaan. Op school was het soms geen

sinecure om aan de lerares of non een maandverband te vragen als men er geen had. Dit was te

wijten aan de schaamte die heerste om over dergelijk onderwerp te praten. De meeste van m’n

respondenten herinneren zich echter niet dat hen is voorgevallen dat ze geen maandverband bij

hadden. Men vermeed dus situaties om iemand om raad te vragen, uit schaamte over het

onderwerp te moeten spreken. Diane zou in zo’n situatie eerder hulp aan de juffrouw dan aan de

nonnen gevraagd hebben, vertelt ze. Nonnen waren blijkbaar minder toegankelijk als het om

intieme zaken ging. Meisjes die in het internaat verbleven moesten hun maandverbanden in een

zak steken en op zolder zetten bij de rest van de vuile was. Afhankelijk van het internaat gingen

de meisjes elk weekend, elke maand of na een paar maanden naar huis. Elke maand mochten de

ouders komen om de vuile was op te halen.

Meisjes die hun maandstonden hadden op school hoefden niet te zwemmen. Daarvoor had de

leerkracht begrip. Aan de turnles moest iedere leerling echter participiëren. Een echt probleem

was dit niet aangezien daarbij niet veel lichaamsbeweging aan te pas kwam. Pas vanaf de jaren

veertig evolueerde de schoolgymnastiek in het katholiek onderwijs van een vrij statisch Zweeds

model naar een lichamelijke opvoeding met meer beweging. In 1968 werd definitief gebroken

met het Zweedse model waarbij buig- en strekoefeningen voor armen en benen centraal

stonden.181 Hélène studeerde na haar studies regentaat wiskunde wetenschappen verder voor een

181 D’HOKER, M. en VAN ASSCHE, E., ‘Lichamelijke opvoeding in het katholiek onderwijs: een lange weg, een

moeilijk parcours’, D’HOKER, e.a red., Voor lichaam en geest. Katholieken, lichamelijke opvoeding en sport in de

19e en 20ste eeuw, Leuven, 1994, 62-68.

96

diploma turnen. Tijdens het turnen deden alle meisjes mee, want “ge weet gij van ni anders”.

Aangezien iedereen altijd participiëerde in de turnles, zat er voor haar weinig anders op dan dat

ook te doen. De meisjes droegen tijdens de turnles geen nauw aansluitend turnpakje maar broek

op kniehoogte en een blouse. Op die manier zag je niet of iemand maandverband droeg, volgens

Hélène.

Als de meisjes niet op school maar thuis waren dan verversten zij zich in het toilet of in de

slaapkamer, afhankelijk van waar de maandverbanden lagen. Bij Yvette en Rosette lagen ze in

hun slaapkamer in de kleerkast tussen het ondergoed. Bij Sophie lagen de banden verstopt in een

kast achter de handdoeken.

Wanneer vrouwen op volwassen leeftijd gingen werken, toen ze een leeftijd tussen veertien en

negentien bereikt hadden, gebeurde het verversen op een zelfde manier als thuis of op school. Ze

gingen even naar het toilet en brachten de vuile maandverbanden terug mee naar huis, of

wachtten met zich te verversen tot ze thuis waren. Rosette werkte in ploegwerk in een fabriek van

vijf uur tot twaalf uur. Ze wachtte met een vers maandverband aan te doen tot haar shift er op zat.

Op de meeste werkplaatsen waren er vaak geen vuilbakjes, zelfs niet toen het

wegwerpmaandverband op de markt verscheen. Dit kwam vaak omdat de bazen van de

werkplaatsen mannen waren die er helemaal niet dachten voor het vrouwelijk personeel

vuilnisbakjes in de wc’s te plaatsen, vertelt Linda. Zij werkte in de fabriek Bekaert. In toiletten

van bedrijven, scholen en openbare plaatsen werden pas enkele jaren na het verkrijgen van

wegwerpmaandverbanden vuilbakjes geplaatst. Julia werkte als poetsvrouw en kon zich dus

verversen als ze ’s middags naar huis kwam of terwijl ze aan het werk was.

Wie thuis werkte, had het gemakkelijker om zich te verversen wanneer het nodig was. Op de

boerderij hadden de mannen ander werk dan de vrouwen. De mannen werkten meer buiten.

Daardoor konden de vrouwen zich ongemerkt in een schuurtje verversen. Wanneer ze echter

samen werkten op het land buiten de boerderij, moest Yvette wachten tot ze allen samen naar de

boerderij terug gingen om te gaan eten. “Aja, ge zet het gij ni aan [BET: je trapt het niet af]: ze

[de mannen] zouden zeggen: wat scheelt er met gij, wilt ze nu ni meer helpen en waarom ga je

voort [BET: weg]. We hebben da niet gedaan, jong, we wrochten wij door [BET: doorwerken].”

97

Liese zorgde thuis voor het huishouden nadat haar moeder gestorven was en kon zich thuis

verversen wanneer ze wilde.

Als meisjes last hadden van buikpijn of hoofdpijn, waren er veel moeder die hun dochters een

elixir d’Anvers of iets warm te drinken gaven. Diane’s moeder gaf haar dochters een warm

drankje, een elixir of iets warms om op de buik te leggen. Rosette’s moeder gaf haar een elixir

wanneer ze met erge buikpijn naar haar werk moest gaan. Jolanda nam wel eens een pijnstiller

tegen de pijn. Madeleine’s moeder gaf haar ook elixir of deed wat elixir in warme melk tegen de

menstruatiepijn. “Al menstrueren leer je drinken hé” grapt Madeleine.

Soms ondervonden vrouwen veranderingen in hun menstruatiecyclus omdat ze in een andere

omgeving vertoefden. Julia, die opgroeide in een landbouwersgezin op het West-Vlaamse

platteland, heeft in het begin van haar verblijf als dienstmeid in Ieper zes maanden geen

maandstonden gehad door “de verandering van lucht”. Dit was wat haar dokter haar vertelde.

Haar moeder was ongerust maar Julia wist dat er geen reden tot ongerustheid was aangezien ze

onmogelijk zwanger kon zijn. Ook Liese’s menstruatiecyclus werd beïnvloed als ze in een ander

microklimaat terecht kwam. Dit gebeurde als ze naar de zee ging.

De kledij die vrouwen tijdens hun maandstonden droegen verschilde niet veel van hun normale

kledij. Vrouwen droegen tot midden van de twintigste eeuw altijd rokken. Zoals een onderbroek

tot de negentiende eeuw enkel een kledingstuk was voor mannen, was een broek dat ook in het

begin van de vorige eeuw. Wat de kleuren betreft, gingen vrouwen lichte kleuren zoals wit

vermijden. Liese droeg zo donker mogelijke kleren. L.K. Kidd meent in haar onderzoek dat de

vrouwelijke kleren die lichter en dunner werden een invloed hadden op de maanverbanden die

alsmaar dunner werden gemaakt en niet omgekeerd.182

182 KIDD, Menstrual technology in the United States, 161.

98

3.4 Wassen van het lichaam en wassen van de maandverbanden

Verschilde de dagelijkse hygiëne wanneer vrouwen hun maandstonden hadden? Hoe waste men

de maandverbanden? Hoe kwam een vuil maandverband uiteindelijk proper aan de wasdraad

terecht?

Yvette waste zich elke morgen zoals de rest van de familie in een schuurtje. Aan de waterpomp

lag een washandje en een stuk zeep waarmee ze de handen, de hals en het gezicht waste.

Wanneer ze haar maandstonden had, waste ze zich bij het aandoen van een vers maandverband

aan de genitaliën, tenminste als ze daartoe de mogelijkheid had. De meeste vrouwen wasten zich

aan de schaamstreek wanneer zij een vers maandverband aandeden. Rosette vond het zinloos om

zich de eerste dagen van haar maandstonden te wassen aangezien ze toch te hevig bloedde. Vanaf

de derde of vierde dag waste ze zich wel aan de genitaliën. Godelieve waste zich daar tijdens haar

maandstonden ’s morgens en ’s avonds. Christelle waste zich in een achterkeuken met de deur

toe. Yvette waste zich niet aan haar genitaliën wanneer ze menstrueerde. “Dat is lik een heel

verschil, ge moet weten hoe dat die tijd dan was.” Ze beschouwt het als iets moderns om zich

van boven tot onder dagelijks te wassen. Net zoals al haar leeftijdsgenoten had Yvette geen

badkamer. Schouwenaars had het in Kiesche Waarheid eveneens over het “amerikanisme van het

dagelijksch bad”, zoals hierboven reeds aangegeven.

Wanneer ze menstrueerden, wasten de meeste vrouwen zich dus in het algemeen meer aan de

genitaliën dan anders. In kostscholen was er echter geen extra wasbeurt voorzien voor meisjes die

menstrueerden. Het was in sommige internaten bovendien de gewoonte dat meisjes van

slaapplaats moesten verwisselen als zij de menarche bereikt hadden. Plots werden meisjes naar

een andere slaapplaats verhuisd zonder dat daar door de nonnen enige uitleg werd bijgegeven.183

Een bad nemen deden sommige zoals Liese in die periode echter niet omdat verkondigd werd dat

dit ongezond was.184 Cox bestrijdt dergelijke uitspraken in het door Zedenadel gepubliceerde

voorlichtingsboekje Puberteit: “Er heerscht in sommige streken bij vele vrouwen nog een

vooroordeel, dat men zich tijdens deze periode niet mag wasschen of verschoonen!” Het wassen

moest niet alleen vanuit hygiënisch standpunt gebeuren, ook morele argumenten werden hieraan

183 HILHORST, Bij de zusters op kostschool, 110.

99

verbonden. “Juist deze verzorging kan, speciaal bij meisjes, aanleiding worden tot geheime

zonden. Door onproperheid toch ontstaat niet zelden een hinderlijk jeukgevoel bij meisjes en

terwijl zij dit willen verdrijven door schuren en wrijven, ontdekken zij vaak voor het eerst de

zinnelijke lustgevoelens (…) Zindelijkheid is dus de eisch eener verstandige lichaamsverzorging,

vooral ten tijde van de maandstonden. (…) Een reine ziel in een rein lichaam, dat is ons

christelijk ideaal!”185 Ook Schouwenaars verbindt hygiëne met kuisheid. “Die dagelijksche

intieme waschgelegenheid en de maatregelen tot beveiliging van die gelegenheid, behooren tot

het beste, dat er voor de meisjes kan gedaan worden in haar opvoeding tot zedigheid en

kuischeid” Schouwenaars geeft vijf jaar later eveneens richtlijnen voor het wassen van het

lichaam tijdens de menstruatie. “Op de oogenblikken van de menstruatie dient deze verzorging

minstens tweemaal daags plaats te hebben, normaalweg ‘s morgens en ’s avonds. Op warme

dagen geschiedt dit best een keer meer.”186 Wat auteurs als Cox en Schouwenaars aanraadden,

werd door mijn respondenten vaak uit eigen initiatief gedaan.

Wanneer een maandverband vuil was, moest deze in een emmer met koud water gedaan worden.

Die emmer stond thuis meestal aan de kant, in een achterkamertje. Bij Sophie stond de ketel uit

het zicht, in “het waskot” waar het gezin zich omkleedde. Meisjes van het gezin moesten hun

vuile maandverbanden in de emmer water deponeren die onder de bank met kleren stond. Yvette

woonde en werkte op de boerderij van haar ouders. Daar waren veel stallen, schuren en

opbergplaatsen. In één van zo’n plaatsen stond een bak waaruit de varkens normaal eten kregen.

Die was leeggemaakt en met water gevuld zodat de meisjes van het gezin hun maandverbanden

er in konden leggen of te laten weken. In het water werd zout gedaan zodat de bloedvlekken

zouden oplossen in het water. Wanneer de banden een nacht in het koude zoutwater gelegen

hadden, werden ze gespoeld en terug in vers water gestoken.

Eens uitgespoeld, waren de banden nog niet volledig proper. “Dat werd uitgespoeld maar dat

was niet volledig uitgewassen. Kga het zo zeggen: de ringen van bloed stonden daar nog in zo”

vertelt Yvette. De uitgespoelde banden werden te drogen gehangen tot ze samen met de rest van

de vuile was werden gekookt en gewassen. Tot de jaren vijftig gebeurde dat met de hand. Het

184 Zie supra.

185 COX, Puberteit, 22-23.

186 SCHOUWENAARS, Kiesche waarheid voor ouder en opvoeders, 108-109.

100

geweekte wasgoed werd gekookt in water met zeep. Het koken gebeurde in een wasketel of een

wasfornuis; dit is een wasketel met ingebouwde haard. Vóór het water met gas en elektriciteit

kon worden gewarmd, werd dit via kolen gedaan. Na het koken werd het hele wasgoed gewassen.

De laatste vlekken werden zo verwijderd door met de hand er op te wrijven. Yvette herinnert zich

dat de was gekookt werd in een sop met bruine zeep, en dat de volgende dag Marseillezeep werd

gebruikt om het te wassen. Wanneer het wasgoed schoon was, werd het meestal nog gebleekt.

Om stoffen als linnen en wol pas echt wit te krijgen, werd het wasgoed “op de bleek gelegd”: het

werd op het gras open gelegd en natgehouden.187 Marianne vertelt:”Ik moest dan ’s morgens voor

ik naar de bureau doorging, helpen met de was é, en dus als dedie [die maandverbanden] werden

uitgespoeld, gow, da was praktisch weg, en dan met de kookwas was da bijna helemaal weg.

Maar daarna werd dan den ene dag de was met de voorkant gebleekt en op het gras gelegd, en

dan werd da weer een nacht in goe sop gestoken, en dan werd da ’s anderen daags met den

andere kant gebleekt, en dan weer in goe sop.” Het hele wasproces nam veel tijd in beslag. “Dat

was gelijk een heel karwei” vertelt Liese.

Vrouwen geboren tussen 1920 en 1960 deden hun was thuis. Voor generaties vóór hen was dit

een collectief gebeuren voor de gemeenschap. De vrouwen kwamen samen aan een waterloop of

wasplaats om er het wasgoed dat thuis was geweekt en gekookt, te wassen. Zij schrobden,

kneedden en wringden het wasgoed uit tot het proper was. Deze samenkomst was geen stille

bedoening; de vrouwen praatten, roddelden en zongen. Het aantal kleine wassen dat werd gedaan

was afhankelijk van de noden van elk gezin.Vooral het doen van de grote was, dat twee maal per

jaar plaats vond, was een collectief gebeuren. Dat collectieve wasritueel werd in Europa op

sommige plaatsen nog gedaan tot eind jaren vijftig. In de twintigste eeuw werd de waspraktijk

geprivatiseerd. In de Verenigde Staten en West-Europa verschenen de eerste wasmachines op

huiskamerformaat in de jaren dertig. In de loop van de jaren zestig vond het gebruik van de

volautomatische wasmachine algemeen ingang.188 Het spoelen, koken, schrobben en uitwringen

moesten niet langer met de hand moest worden gedaan. Na het privatiseren was het wasproces

dus ook gemechaniseerd. Dit bespaarde vrouwen heel wat tijd en moeite.

187 DAVID, J., Wassen en strijken, Grimbergen, 1988, 17-45.

188 LAERMANS, R. en MEULDERS, C., ‘Aan gene zijde van de reinheid: over de geschiedenis van het wassen en

de verschuivende grenzen tussen ‘vuil’ en ‘proper’’, C. BOUW en B. KRUISHOF red., De kern van het verschil,

Amsterdam, 1993, 71-72.

101

Het wassen was een taak dat door vrouwen werd vervuld. Meestal waren het de moeders die het

wassen van de maandverbanden op zich namen. Onderbroeken en het beddenondergoed bevatten

vaak ook bloedvlekken, deze moesten dus eveneens goed uitgewassen worden. Toen Yvette klein

was, moest elke vrouw van het gezin haar eigen banden spoelen en wassen zodat alles

uitgewassen en uitgespoeld was voor de volgende vrouw uit het gezin haar maandstonden had.

Bij Yvette waren er vijf vrouwen in het gezin. Ook Diane moest zelf haar banden uitspoelen, haar

moeder waste de banden dan met de rest van het was mee. Toen Julia als dienstmeid bij een rijke

familie in Ieper ging werken, moest zij niet alleen haar eigen banden wassen, maar ook die van

haar bazin. Alle verbanden stak ze in een emmer die in de kelder stond. Ook het te drogen hangen

van de banden gebeurde in de kelder. Jolanda beschouwde het als deel van haar taak om ook haar

bazin banden te wassen en had daar geen problemen mee. Liese vond het uitspoelen geen prettig

werk. Ook Madeleine huivert als ze terugdenkt aan het uitspoelen van de bebloede banden.

Nadat het wasgoed was gespoeld, gekookt, gewassen, gebleekt en uitgewrongen, moest het

worden uitgehangen om te drogen. Sommige vrouwen verstopten de maandverbanden tussen de

andere was wanneer ze die uithingen. Zij hingen de banden op een andere manier uit dan de rest

van de was. Yvette vertelt dat ze bij haar thuis de banden niet mocht laten bloothangen. Zij hing

de banden tussen twee handdoeken in, zodat deze niet zichtbaar te drogen hingen. Marie kreeg

met haar medeleerlingen in de middelbare school strijklessen. Tijdens eenbepaalde strijkles

hingen maandverbanden uit van de nonnen. De non die lesgaf was zichtbaar gegeneerd, herinnert

Marieke zich. Sophie herinnert zich in eerste instantie niet waar haar moeder die

maandverbanden hing. Dit moest nochtans een groot werk geweest zijn met vier vrouwen in het

gezin. Wanneer ze even verder denkt, komt ze tot de conclusie dat haar moeder die bij haar

grootmoeder, die in het huis naast hen woonde, moet gehangen hebben zodat niemand van in of

buiten het gezin die zag te drogen hangen in hun tuin. Sophie staat bij die bedenking verwonderd

stil: het vormt voor haar een nieuw voorbeeld van de intieme zaken die haar moeder heeft willen

verborgen houden. Hoe kinderen ter wereld werden gebracht heeft zij bijvoorbeeld nooit aan

Sophie willen uitleggen.

102

Andere vrouwen hingen de maandverbanden uit tussen de rest van het wasgoed zonder moeite te

doen deze uit het zicht te hangen. In vele tuinen hingen die doeken immers te drogen, zegt Marie.

Marianne en Liese lieten de banden op het gras laten bleken. Ze woonden in een uithoek waar

nauwelijks iemand passeerde, enkel de buren. Bovendien vonden ze het niet erg dat

voorbijgangers dat zouden zien: “En als ze proper waren, ze mochten da zien” aldus Marianne.

Madeleine hing maandverbanden ook steeds zonder nadenken op in haar tuin. Toen Madeleine de

maandbanden op een dag in plaats van in de tuin op het terras buiten het zicht van de buurvrouw

had gehangen, veronderstelde deze dat Madeleine zwanger was. Dat Madeleine terug zwanger

was, wist de hele buurt algauw. Madeleine was verwonderd dat de buurvrouw haar uitgehangen

wasgoed in de gaten hield en zulke conclusies trok op basis van wat er aan haar wasdraad ging.

Beledigd besloot ze vanaf dan haar banden niet meer in het zicht van de buurvrouw op te hangen.

De wasdraad vormde een van de mogelijkheden om sociale controle uit te oefenen of aanleiding

te geven tot het verspreiden van geruchten. Aan de maandverbanden die te drogen hingen aan de

de draad kon men opmaken of een vrouw uit de buurt bijvoorbeeld zwanger was, zoals de

buurvrouw van Madeleine dacht. Sommige vrouwen gingen daarom bedacht te werk hoe en waar

ze hun maandverbanden uithingen. Omdat maandverbanden en onderbroeken normaal aan het

oog onttrokken waren, was er bij sommige vrouwen gêne om deze intieme zaken in het zicht van

gezinsleden, bezoekers of voorbijgangers aan de wasdraad te hangen.189

Proper gewassen wasgoed maakte het voor vrouwen mogelijk om “onzichtbaar” te menstrueren.

Wanneer de kleren geen sporen van bloedvlekken droegen was dit mogelijk. Mijn respondenten

vonden het vervelendste aan menstruatie de pijn, het ongemak, en de angst voor het ‘doorlekken’.

Men wou ten allen tijde voorkomen dat er bloedvlekken op de kleren zouden doorkomen. Dit

moet een belangrijk deel van het menstrueren zijn geweest aangezien zowel Sophie, Rosette en

Christelle me spontaan vertelden dat ze nog iemand gezien hadden met vlekken op hun kledij.

Zelf hadden ze dit niet meegemaakt en daar waren ze blij om, maar aangezien ze mij dit spontaan

er bij vertelden, duidt dit er op dat het hen erg moet bezig hebben gehouden. Toch waren er ook

voordelen verbonden aan menstrueren. Linda zei op school bijvoorbeeld aan de leerkracht dat ze

haar regels had om niet te hoeven zwemmen. Zo had ze nog even tijd om zich voor te bereiden op

de toets over Victor Hugo.

189 Zie ook BISSCHOP, Ondergoed, 164-166.

103

Kortom, het was een hels werk voor huisvrouwen om de maandverbanden van zichzelf en hun

dochters te weken, uit te spoelen en uit te wassen. Dat dit werk kon wegvallen door automatische

wasmachines en later door wegwerpmaandverbanden te kopen, was voor vrouwen in het begin

van de twintigste eeuw een heuse opluchting. Verbanden kwamen vanaf dan in vuilbakken

terecht in plaats van in ketels met koud water. Tampons werden een paar decennia later met

minder groot enthousiasme onthaald. Weinig vrouwen konden hun wantrouwen echter laten

varen tegenover het inwendig verband en durfden het aan deze uit te proberen van zodra ze op de

winkelrekken verschenen.

104

105

BESLUIT

Voor vrouwen die in de jaren twintig, dertig en veertig opgroeiden, betekende menstruatie een

mysterie van het begin tot het einde. Vele meisjes groeiden in hun tienerjaren op zonder te weten

dat zij op een dag bloed zouden ontdekken in hun ondergoed. Doorheen hun leven werden de

puzzelstukken met vage informatie die hen door verscheidene partijen werd aangereikt, steeds

dichter in elkaar geschoven. Leeftijdsgenoten op school of in de jeugdbeweging vroegen soms

heimelijk rond wie al “groot geworden” was. Met de moeder werd voor het eerst en vaak voor het

laatst over menstruatie gesproken wanneer haar dochter voor het eerst menstrueerde. Vooral de

praktische kant werd door de moeder aangehaald, alsook de waarschuwing dat haar dochter vanaf

dan moest opletten voor de jongens. Waarvoor zij precies moesten oppassen, bleef een raadsel

voor de meisjes. Moeite om zich te hoeden voor de jongens moesten de meisjes niets doen: alle

doen en laten van kinderen was seksegescheiden. Meisjes en jongens volgden afzonderlijk

onderwijs, hadden een aparte jeugdbeweging en moesten in de kerk elk aan een andere zijde

plaats nemen. Jongens en meisjes hadden nauwelijks contact met elkaar, en wanneer dat toch

gebeurde werden daar allerlei conclusies uit getrokken.

Niet alleen het andere geslacht, ook het eigen lichaam was ongekend terrein. Het eigen lichaam

bekijken werd afgekeurd omdat dit volgens de katholieke kringen onzedelijk gedrag kon

opwekken. Vandaar dat zich helemaal naakt wassen op kostscholen werd ontmoedigd: bij het

wekelijks bad namen meisjes een bad met een badschort of –hemd. In sommmige internaten werd

het bad afgesloten met een zeil. Ook het dagelijks wassen gebeurde onder bepaalde voorschriften:

men mocht zich niet volledig uitkleden om verse kleren aan te doen. Door een dergelijke

afstandelijke houding ten opzicht van het eigen lichaam en de schaamte die heerste om over

intieme lichamelijke zaken te praten, hadden vrouwen aan het begin van de vorige eeuw weinig

weet over het eigen lichaam. Vele vrouwen wisten helemaal niet hoe kinderen ter wereld werden

gebracht. Zwangere buiken werden verborgen gehouden: leraressen mochten niet meer voor de

klas staan en in vele gezinnen werd geen uitleg gegeven aan de bolle buik van de moeder maar

werden kinderen verhaaltjes verteld over een kinderboot, de ooievaar, groene kolen, enz.

Kinderen werden als het ware onbevlekt ontvangen. Wat de menstruatie betreft, werden vrouwen

plots “bevlekt ontvangen”. Vanaf die eerste keer zouden vrouwen lange tijd menstrueren zonder

106

echt te weten welke biologische verklaring daar achter schuilde. Ook wanneer een einde kwam

aan menstrueren, was het voor sommige vrouwen niet duidelijk dat het stoppen van de

maandstonden niet betekende dat men zwanger was, maar dat de menopauze aangebroken was.

De onwetendheid bij vrouwen over het eigen reproductieve systeem was echter niet te wijten aan

een gebrek aan kennis in de medische wereld over het vrouwelijk en menstruerend lichaam, maar

aan de schaamte om er over te praten en informatie te verspreiden.

Pas vanaf het huwelijk veranderde het leven van mannen en vrouwen ingrijpend op professioneel,

persoonlijk en seksueel vlak. Gehuwd zijn betekende het einde van de carrière, de start van een

vervulling van een drievoudige rol als huisvrouw, echtgenote en moeder en de toegang tot kennis

over en ervaring met seksualiteit. Eens getrouwd, kon de honger naar informatie over het eigen

seksueel lichaam gestild worden. Voorlichtingsboekjes voor kinderen waren immers gericht tot

de ouders, deze voor volwassen tot verloofde en vooral pas gehuwde koppels.

Verlovingscursussen werden voor hen door jeugdbewegingen georganiseerd.

Voorlichtingsboekjes droegen letterlijk een katholieke stempel. De imprimatur, de officiële

toestemming van de Rooms-katholieke kerk dat de inhoud haar goedkeuring wegdroeg, was in

vele voorlichtingsboekjes terug te vinden. Organisaties als Zedenadel en de Belgische Vereniging

voor Seksuele Voorlichting beschouwden het publiceren van dergelijke boekjes tot hun

taakbeschrijving om het Vlaamse volk seksueel in te lichten.

In deze voorlichtingslectuur werd echter niet alleen feitelijke informatie verzameld over het

seksueel lichaam. Morele raadgevingen waren opvallend meer aanwezig dan feitelijke kennis

over seksualiteit. Niet-katholieke en katholieke bewegingen verkondigen bij het geven van

seksuele voorlichting voor hun leden dezelfde normen maar legden andere nuances. De afwijzing

van masturbatie en voorhuwelijkse seks, het aanmoedigen van zelfbeheersing en het aankweken

van een schaamtegevoel werden door alle opvoedkundige bewegingen en organisaties verspreid.

Toch waren het enkel de niet-katholieke bewegingen als de Socialisitsche Vooruitziende

Vrouwen en de Belgische Vereniging voor Seksuele Voorlichting die in hun beginjaren al het

gebruik van anticonceptie verdedigen. De Bond voor Grote en Jonge Gezinnen zal in de jaren

zestig bijdraaien, net als de Katholieke Arbeidersvrouwengilden die in 1968 de pauselijke

encycliek Humanae Vitae zou misprijzen. In 1967 en 1973 werd de beheersingsmoraal verlaten

107

en zou seks evolueren van een huwelijkse daad tot iets tussen toestemmende volwassenen. De

katholieke moraal werd ook via andere kanalen dan de seksuele voorlichting verspreid. In

katholieke jeugdbewegingen waren leidsters, in de geest van de Katholieke Actie,

zedenpatronessen van hun leden. De kerk maakte gebruik van de heilige geschriften,

priesterpreken, priesterbezoeken en biecht om boodschappen met betrekking tot het seksueel

leven van haar gelovigen op te dringen.

Hoewel de katholieke kerk het leven kleurde van elke katholieke Vlaming in arbeid en

ontspanning, toch kreeg zij op bepaalde vlakken geen voet aan grond. Gelovigen tolereerden haar

visie niet altijd, vooral niet wanneer die praktisch niet haalbaar werd geacht. Het gebruik van

anticonceptiemiddelen werd bijvoorbeeld op enthousiasme onthaald, ondanks de afkeuring van

de kerk. Het betekende de start van een betrouwbare gezinsplanning en het ongestoord genieten

van seksuele betrekkingen. Het ritueel van de kerkgang werd vanaf de jaren vijftig niet langer

door alle gelovigen uitgevoerd, hoewel deze in het canoniek recht een plaats heeft. Tenslotte

werden seksuele betrekkingen tijdens de maandstonden van de vrouw eerder uit persoonlijke dan

uit religieuze overwegingen achterwege gelaten. Zowel de kerkgang als de visie die seks met een

menstruerende vrouw afkeurde, waren gevolg van het door de kerk onrein verklaarde bloed van

pas bevallen en menstruerende vrouwen. Deze visie komt ook voor in andere culturen en

godsdiensten. Ook Vlaamse gebruiken als het uitstellen van het maken van mayonaise, groenten

steriliseren en dieren slachten tot na de maandstonden van de vrouw, passen in dergelijke

universele menstruatietaboes. Het vreemde aan deze Vlaamse menstruatieboes is dat ze eigenlijk

duidelijk maken dat een vrouw haar maandstonden heeft, terwijl er schaamte was om over het

onderwerp te praten en vrouwen hun uiterste best deden om onopgemerkt hun menstruatiedagen

voorbij te laten gaan. Men had een heilige schrik dat bloed zou doorlekken, maandverbanden

werden verstopt in de kast en aan de wasdraad, onopvallend ging men zich van een verse band

voorzien, kortom: niemand van het gezin of daarbuiten mocht vermoeden dat een vrouw

menstrueerde. Toch waren er blijkbaar ook momenten dat men die maandstonden niet verborg en

men bepaalde activiteiten uitstelde om uit te voeren. Men doorbrak even het taboe om

“onzichtbaar” te menstrueren, om het risico niet te lopen dat mayonaise zou mislukken of voedsel

zou slecht worden wanneer men het aanraakte. Deze gebruiken vertonen gelijkenissen met oude

en universele handelswijzen die gevolg zijn van de quasi magische bijwerking die aan

108

menstruatiebloed wordt geven. Vrouwen geboren na de jaren vijftig zullen het gebruik steeds

minder toepassen. Ook vandaag proberen vrouwen verborgen te houden voor de rest van de

wereld dat ze menstrueren. Tampons krijgen een verpakking zodat ze er uit zien als snoepjes,

maandverbanden zitten in fleurige wikkels.

In het begin van de twintigste eeuw was een degelijke kennis van menstruatie voor handen; artsen

waren immers achter de belangrijkste biologische mechanismen van het menstrueren gekomen.

Toch bevatte de toenmalige kennis nog sporen van eeuwenoude theorieën. Zo verkondigde men

dat menstruerende vrouwen beter contact met water vermeden, aangezien dit de maandstonden

zou hinderen door te komen. In Pubertei echter, een voorlichtingsboekje van Zedenadel wordt

bijvoorbeeld het gerucht dat een bad nemen schadelijk zou zijn, afgeschilderd als onzin. Toch

vermeldt ze even later dat vrouwen de voeten beter niet in contact met water laten komen. De

oude humorenleer is in deze opvatting zichtbaar: koud water zou de balans van de

lichaamsvochten in onevenwicht brengen. Daardoor waren er vele vrouwen die geen bad namen

in de eerste helft van de twintigste helft. Andere vrouwen letten er juist op in deze tijd wel een

bad te nemen. Het verkondigen van deze, soms tegenstrijdige, bevindingen van artsen in

voorlichtingsboeken, was echter geen garantie dat deze doordrong tot alle lagen van de

bevolking. Slechts een kleine minderheid las immers effectief deze voorlichtingslectuur. Ook in

de éénentwintigste eeuw is de kennis over menstruatie nog steeds niet tot een eindpunt gekomen.

De verklaring dat de maandelijkse bloeding dient om het endometrium, een speciale laag die zich

maandelijks rond een al dan niet rond bevrucht eitje ontwikkelt, kwijt te raken, is in de twintigste

eeuw algemeen aanvaard en gekend in medische kringen. Waarom vrouwen dat laagje echter

afstoten is nog niet gekend. Margie Profet poneerde in 1993 dat dit was om preventief de

mogelijke microben die meeglipten met het mannelijk sperma uit te schakelen om zo de

vruchtbaarheid van de vrouw te beschermen. De echte reden waarom vrouwen menstrueren is dus

nog steeds niet gekend.190 Bovendien sluit de voorhanden zijnde kennis niet uit dat vroegere

theorieën niet meer gevolgd worden. Doorheen de geschiedenis waren tegelijkertijd medische,

mythische en theologische verklaringen gangbaar voor het fenomeen menstruatie. In het verleden

beweerden auteurs als Plinius dat menstruatiebloed in staat was om gewassen te doen

verschrompelen, hoewel artsen reeds rationele verklaringen aanwendden, zoals het bestaan van

190 PVD, ‘Menstruatie beschermt vrouw tegen mannen’, De standaard, (13 oktober 1993).

109

een evenwicht aan lichaamsvochten, om menstruatie te verklaren. Ook christelijke kerkvaders

schreven dergelijke bovennatuurlijke krachten toe aan het maandelijks bloed, terwijl zij de

mening toegedaan waren dat de oorzaak voor menstruatie bij een ongehoorzame Eva lag.

Tijdgenoten uit verschillende tijden beïnvloedden elkaar, terwijl ook verklaringen uit het

verleden soms een invloed konden uitoefenen. Dat is vandaag ook nog het geval. Zo steunt de

traditionele geneeskunde in Marokko nog steeds op zowel biomedische kennis als traditionele

kennis. Deze laatste steunt op drie pijlers: de kennis van traditionele kruidendokters, geneeskunde

gebaseerd op spirituele krachten en de oude Griekse humorenleer. Op een mengeling van deze

verschillende kennissystemen wordt beroep gedaan bij reproductieve ziektes of bij bevallingen.191

De evolutie van de menstruatieproducten is er eveneens één die soms teruggrijpt naar het

verleden. Hoewel geëvolueerd is naar het dragen van een onderbroek in de negentiende eeuw en

van handgemaakte maandverbanden naar commerciële producten, blijkt vandaag interesse te zijn

naar andere manieren om het bloed op te vangen. Vrouwen waren vanaf de jaren veertig laaiend

enthousiast over de wegwerpmaandverbanden. Van zodra er wegwerpproducten op de markt

verschenen, kochten vrouwen deze: zo hoefden ze niet langer de vuile banden mee naar huis doen

om ze te weken, spoelen, wassen, schrobben, bleken en uit te hangen. Dit helse en voor

sommigen weerzinwekkende karwei kon achterwege gelaten worden. Toch blijken sommige

vrouwen vandaag de dag de nadelen van maandverband in te zien, en alternatieven voor tampons

of maandverband. Het menstruatiecupje is bijvoorbeeld een bekertje in de vorm van een eidopje

met een steeltje en is van soepel en buigzaam materiaal gemaakt, zoals rubber of siliconen. Een

cup wordt in de vagina gedragen en vangt inwendig het menstruatiebloed op. De cup moeten

worden geleegd, schoongemaakt en terug worden ingebracht. Vrouwen die een menstruatiecup

gebruiken, doen dit omdat de menstruatiecup een vriendelijker prijskaartje heeft dan de tampons

en maandverbanden en het milieuvriendelijker is. Het lijkt er op dat vrouwen die voor dergelijke

menstruatieproducten kiezen net afstappen van de tampons en maandverbanden om de redenen

waarvoor vrouwen vanaf de jaren veertig in België die net wel wilden gebruiken. Vandaag vindt

men het wegwerpen van maandverbanden vooral milieuvervuilend en blijkt het moeten wassen

van het herbruikbare menstruatiecupje geen bezwaar. Meisjes die vandaag voor het eerst

191 OBERMEYER, C., ‘Pluralism and Pragmatism: Knowledge and Practice of Birth in Morocco’, Medical

Anthropology Quartery, 14 (2000), 180-201.

110

ongesteld worden hoeven niet zo zeer kennis te maken met de mentaliteit die in de eerste helft

van de twintigste eeuw heerste rond menstruatie van stilzwijgen. De weg die het taboe rond

menstruatie afgelegd heeft is er één die met schaamte geplaveid is.

111

BIBLIOGRAFIE

1/ Mondelinge bronnen

Interview met Yvette, 25 augustus 2006.

Yvette werd geboren in 1918. Haar ouders waren landbouwers. Ze heeft drie broers

en vier zussen. Na de lagere school ging ze tussen dertien en zestien jaar naar een

internaat om school te lopen. Zestien jaar was ze toen ze haar maandstonden kreeg.

Ze was lid van de BJB, en was daar leidster tot ze zich verloofde. Toen ze

negenentwintig was, trouwde ze met haar man. Met haar man werkte ze op hun

boerderij in een West-Vlaams dorpje. Ze werd moeder van drie zonen en één

dochter.

Interview met Hélène, 6 augustus 2006.

Hélène is geboren in 1926. Ze groeide op in een West-Vlaams dorp. Haar moeder

was een bediende, haar vader een electricien. Ze heeft één broer. Ze heeft eerst

wiskunde-wetenschappen en daarna regentaat lichamelijke opvoeding gestudeerd.

Tijdens haar studies verbleef ze op een internaat. Toen ze afgestudeerd was werd ze

lid van de KAV. Hélène was onderwijzeres lichamelijke opvoeding en

wetenschappen tot ze huwde. Ze werd moeder van drie kinderen.

Interview met Marianne, 7 augustus 2006.

Marianne werd geboren in 1928. Ze woonde haar hele leven in een West-Vlaams

dorpje. Haar ouders waren landbouwers. Toen ze dertien was stierf haar moeder.

Na twee jaar kwam een stiefmoeder en haar zoon bij in het gezin zodat ze met zes

waren. Marianne had met haar een goede band. Toen ze vijftien was menstrueerde

ze voor het eerst. Ze ging naar school tot zeventien jaar. Daarna was ze bediende in

112

een bureau. Ze huwde en kreeg kinderen.

Interview met Diane, 24 augustus 2006.

Diane werd in 1928 geboren in een West-Vlaams dorpje, waar ze haar hele leven

bleef wonen. Ze had drie zussen en een broer. Ze werd voor het eerst ongesteld

toen ze zestien was. Als tiener was ze lid van de Katholieke Actie. Na haar

huwelijk baatte ze met haar man een winkel uit. Ze werd moeder van drie zonen en

drie dochters.

Interview met Rilke, 4 augustus 2006.

Rilke werd geboren in 1931. Ze was de dochter van een schoolhoofd en

schoolinspectrice. Rilke had drie zussen. In het middelbaar onderwijs verbleef ze in

een internaat, waar ze voor het eerst ongesteld werd. Op volwassen leeftijd oefende

ze het beroep van onderwijzeres in een lagere school uit. Ze trouwde en kreeg

kinderen.

Interview met Marie, 4 augustus 2006.

Marie werd geboren in 1932. Ze groeide in een Oost-Vlaams dorpje op. Haar vader

was ijzerconstructeur, haar moeder huisvrouw. Ze had een tien jaar oudere zus en

drie broers. Tijdens haar studies in het middelbaar onderwijs kreeg ze toen ze

vijftien was haar regels. Ze was assistent van een tandarts. Ze trouwde en kreeg

kinderen.

Interview met Godelieve, 25 augustus 2006.

Godelieve werd geboren in 1932. Ze woont nog steeds in hetzelfde West-Vlaams

dorpje. Toen ze elf was stierf haar moeder. Om genoeg inkomsten te hebben voor

het gezin, ging ze inwonen bij twee nichten om in de buurt te werken als stopster.

113

In datzelfde jaar, toen ze veertien was, kreeg ze voor het eerst haar maandstonden.

Ze huwde en beviel van één dochter en drie zonen.

Interview met Christelle, 25 augustus 2006.

Christelle werd geboren in 1932. Ze heeft nog een oudere broer en zus. Haar vader

was een arbeider bij Bekaert, haar moeder was ziek en werkte niet. Ze was vijftien

toen ze voor het eerst ongesteld werd. Ze huwde en kreeg kinderen. Christelle bleef

in de buurt van haar ouderlijk huis in een West-Vlaams dorpje wonen.

Interview met Rosette, 22 augustus 2008.

Rosette werd in 1933 geboren. Ze groeide op in een Oost-Vlaams stadje. Haar

ouders waren arbeiders. Ze ging na haar studies in een spinnerij werken. Ze was

toen veertien. Een paar maanden nadat ze begonnen was met werken, werd ze

ongesteld. Tot ze gepensioneerd was, heeft ze in een fabriek gewerkt. Ze huwde en

kreeg drie kinderen.

Interview met Linda, 25 augustus 2007.

Linda is geboren in 1933. Ze groeide met haar drie zussen en één broer op in een

West-Vlaams dorpje. Toen ze dertien jaar was kreeg ze voor het eerst haar

maandstonden. Haar moeder was een huisvrouw, haar vader ploegchef bij een

bedrijf. Linda werkte zelf ook in dat bedrijf als bediende tot ze huwde. Ze kreeg

twee dochters en één zoon.

Interview met Julia, 8 augustus 2006.

Julia werd geboren in 1935. Ze was afkomstig uit een landbouwersgezin in een

dorpje in West-Vlaanderen. Julia had vijf zussen. Toen ze veertien was werd ze

voor het eerst ongesteld. Ze werkte als jong meisje als dienstmeid bij een gezin.

114

Wanneer ze getrouwd was, verdienden zij en haar man de kost als landbouwers. Ze

verdiende bij als poetsvrouw.

Interview met Liese, 8 augustus 2006.

Liese werd in 1935 geboren in een West-Vlaams dorpje. Ze had twee jongere

broers. Haar vader was vlasarbeider. Toen ze tien was stierf haar moeder. Ze

menstrueerde voor het eerst toen ze veertien was. Vanaf dan deed zij thuis het

huishouden, tot ze huwde en kinderen kreeg.

Interview met Sophie, 3 augustus 2006.

Sophie is geboren in 1936. Samen met twee broers en drie zussen groeit ze op in

een West-Vlaamse stad. Haar vader werkte in een bank, haar moeder was

huisvrouw. Toen ze tien was kreeg ze haar maandstonden. Ze was lid van de KBJ.

Tot ze trouwde werkte ze als secretaresse. Ze bracht 5 kinderen ter wereld.

Interview met Madeleine, 13 januari 2007.

Madeleine werd in 1938 geboren. Haar vader en moeder hadden een

kruidenierswinkel. Later was haar vader boekhouder. Ze had nog één zus die vijf

jaar jonger was. Dertien was ze, toen ze voor het eerst bloed verloor. Madeleine is

naar een internaat naar school geweest tot haar zestien jaar. Ze was lid van de

VKAV. Ze huwde en kreeg kinderen. Vanaf de geboorte van haar eerste kind werd

ze huisvrouw.

Interview met Mira

Mira werd geboren in 1947 in Wallonië. Ze heeft één broer en één zus. Haar vader

was steenkapper, haar moeder naaide. Toen ze vijftien jaar kreeg je ze haar regels.

Toen ze trouwde, verhuisde ze naar Vlaanderen. Ze was een bediende.

115

2/ Schriftelijke bronnen

Bijbel, Nieuwe testament, Lucas 8:43-48.

Bijbel, Nieuwe testament, Marcus 5:25-34.

Bijbel, Nieuwe testament, Matteüs 9:20-22.

Bijbel, Oude testament, Leviticus 15:19-23.

Bijbel, Oude Testament, Levitivus, 20:18.

BILZ, F.E., Das neue Naturheilverfahren. Lehr- und Nachschlagebuch der naturgemäßen

Heilweise und Gesundheitspflege, Leipzig, 1888.

COX, P, Puberteit (Huwelijk en Huisgezin), Antwerpen, 1942.

DUFOYER, Voorlichting van kinderen en jonge mensen.Beginselen en concrete

formulering,Brussel, 1961.

LOWIE, J., Vrouwelijke Katholieke Burgers- en middenstandsjeugd: Organistatie en werking,

Gent, 1932.

KINDERMANN, C., Handleiding tot zedelijkheid, Rotterdam, 1921.

NORMAN, J., Met lichaam en ziel, Brugge, 1965.

PICARD, H., Liefde, huwelijk, geluk, Brugge, 1960.

HUTTON, I.E., Seksualiteit in het huwelijk, Amstelveen, s.d, 122.

LEVALLET-MONTAL, M., Anne-Marie wordt twintig, Brussel, 1946.

VERMEIRE, J., Sexuele hygiëne, Kasterlee, 1958.

3/ Internet

AYAAN, H., Geen afzondering menstruerende vrouwen, 2005

http://ayaanhirsiali.web-log.nl/ayaanhirsiali/2005/09/169_geen_afzond.html

O.B. Succesverhaal

http://eu.itsmybody.com/phppages/parser.php?path=%2Fnf_index.html&country_id=31

DE COCK, C., De eerste menstruatie,

http://www.e-gezondheid.be/nl/tijdschrift_gezondheid/adolescenten/menstruatie-

14033-252-art.htm

Kimberly-clark.Product evolution

http://www.kimberly-clark.com/aboutus/product_evolution.aspx

116

Cotton substitute improves women’s lives. Disposable feminine sanitary pads story.

http://www.kimberly-clark.com/pdfs/Feminine%20Pads%20evolution.pdf

FINLEY, H., Museum of menstruation

http://www.mum.org/

WIJNGAARDS, J., De Latijnse kerkvaders en het taboe op menstruatie

http://www.womenpriests.org/nl/traditio/unclean.asp#latin

4/ Literatuur

‘Only women bleed’, Every woman, 1995, 22-23.

AL-KHALIDI, A., ‘The greatest invention of the century: menstruation in visual and material

culture.’, ANDREWS, M., All the world and her husband : women in twentieth-century

consumer culture, London, 2000.

BECKER, H., ‘Onderzoek naar generaties: vroeger en nu’, RIGHART, J. en LUYKX, P. red.,

Leeftijdsgroepen en cultuur, Amsterdam, 1998, 9-38.

BISSCHOP, C., Ondergoed. Een geschiedenis van betekenisgevende praktijken in Vlaanderen

1930-2006, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Departement geschiedenis, 2007.

BRAAM, W. en LEEMHUIS A., 100 vragen over de menstruatie, Antwerpen, 1978.

BRACKE, N. e.a, Begeerte heeft ons aangeraakt: socialisten, sekse en seksualiteit, Gent, 1999.

BRITTON, C., ‘Learning about ‘the curse’, an anthropological perspective on experiences of

menstruation’, Women’s studies international forum, 19 (1996), 645-653.

BUCKLEY, T. en GOTTLIEB, A. red., Blood magic: the antropology of menstruation, Berkely,

1988.

CHAWIA, J.,‘The Rig Vedic slaying of the Vrtra: Menstruation taboos in mythology’, A journal

about women and society, 1992, 29-34.

COBER, C., Gynaecologie en gender. Artsen over de menstruatie in de negentiende eeuw.,

Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universteit Leuven, Departement

geschiedenis, 2002.

D’HOKER, M. en VAN ASSCHE, E., ‘Lichamelijke opvoeding in het katholiek onderwijs: een

lange weg, een moeilijk parcours’, D’HOKER, e.a red., Voor lichaam en geest. Katholieken,

lichamelijke opvoeding en sport in de 19e en 20ste eeuw, Leuven, 1994, 43-98.

DAVID, J., Wassen en strijken, Grimbergen, 1988.

117

DE BEAUVOIR, S., De tweede seks. Feiten, mythen en geleefde werkelijkheid, Utrecht, 1979.

DE BORCHGRAVE, C, God of genot, Vlaanderen 1918-1940 : een kerk in strijd met de

moderne zinnelijkheid, Leuven, 1999.

DE KEYZER, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot. Vier generaties vrouwen

vertellen, Leuven, 2004.

DE KEYZER, D., Madame est servie. Leven in dienst van adel en burgerij, Leuven, 1995.

DE MAESSCHALK, E., Een bond voor alle gezinnen: geschiedenis van de gezinsbeweging in

Vlaanderen, Brussel, 1996.

DELANEY, J., e.a., Het vrouwengeheim: menstruatie tussen moderne wetenschap en oud

mysterie, Baarn, 1980.

DHAENE, L., De Offensiefbeweging in Vlaanderen 1933-1939: katholieken tussen traditie en

vooruitgang, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven,

Departement Geschiedenis, 1984.

DIETEREN, F., e.a, Naar Eva’s beeld : de geschiedenis van de vrouw in de Europese cultuur,

Brussel, 1987.

DRESEN, G., Is dit mijn lichaam? Visioenen van het volmaakte lichaam in katholieke moraal en

mystiek. Nijmegen, 1998.

ELLENS, D., ‘Menstrual impurity and innovation in Leviticus 15’, DE TROYER, K. red.,

Wholly woman, holy blood: a feminist critique of purity and impurity, Harrisburg, 2003, 29-64.

FRIEDMAN, N., Everything You Must Know About Tampons, Burkley, 1981.

HERING S. en MAIERHOF, G., Die unpäßliche Frau. Socialgeschichte der Menstruation und

Hygiene 1860-1985, Pfaffenweiler, 1991.

HEYRMAN, P., Middenstandsbeweging en beleid in België 1918-1940. Tussen vrijheid en

regulering, Leuven, 1998.

HILHORST, M., Bij de zusters op kostschool : geschiedenis van het dagelijks leven van meisjes

op rooms-katholieke pensionaten in Nederland en Vlaanderen, Utrecht, 1989, 106-107.

HOOGHE, M. en HEYRMAN, P., ‘Oud en nieuw. Sociale bewegingen in de maalstroom’, DE

MAEYER, J en HEYRMAN, P. red., Geuren en kleuren: een sociale en economische

geschiedenis van Vlaams-Brabant, 19de en 20ste eeuw, Leuven, 2001, 307-331.

HOOGHE, M., ‘De seksuele evolutie: Vlaamse voorlichtingsboeken en de beheersing van

seksualiteit’, Jaarboek seksualiteit, relaties, geboortegeling, (1992), 73-83.

118

HOOGHE, M., Aspecten van het discours inzake sexuele moraal in Vlaanderen 1955-1980.,

Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling, Universiteit Gent, departement geschiedenis, 1987.

HUTTON, I.E., Seksualiteit in het huwelijk, Amstelveen, s.d.

KIDD, L., Menstrual technology in the United States 1854-1921, onuitgegeven

licentiaatsverhandeling, departement filosofie, Iowa, 1994.

KING, H., Hippocrates’ Women. Reading the female body in ancient Greece, London, 1998.

KLOOTWIJK, W.,‘Het genadeloze gevecht om zijklep en inlegkruisje’, Vrij Nederland, 54 (

1993), 18-19.

KNIGHT, C., Blood relations: menstruation and the origins of culture, New Haven, 1991.

Koran, Tweede süra, 2:222. Vertaling: prof.dr.J.H. Kramers, De koran, Amsterdam, 2007.

LAERMANS, R. en MEULDERS, C., ‘Aan gene zijde van de reinheid: over de geschiedenis van

het wassen en de verschuivende grenzen tussen ‘vuil’ en ‘proper’’, C. BOUW en B. KRUISHOF

red., De kern van het verschil, Amsterdam, 1993, 59-78.

LAQUEUR, T., Body and gender from the Greeks to Freud, Cambridge, 1990.

LEE, J., ‘Menarche and the (hetero)sexualization of the female bodsy’, DANK, B. en

REFINETTI, R. red., The politics of sexuality (Sexuality and culture, 3), Londen, 2000, 82-97.

LEPLAE, S., Vader worden en moeder zijn: een analyse van de sekseverhoudingen in de jaren

vijfitg, Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement

geschiedenis, 1999.

LIEFBROER, A.C. en DE JONG-GIERVELD, J., ‘Veranderingen in de overgang van jeugd naar

volwassenheid. Een vergelijking van cohorten geboren tussen 1903 en 1965.’, DU BOISREYMOND,

M. en DE JONG- GIERVELD, J. red., Volwassen worden. Generaties van toen en

nu: transities in de levensloop, Houten, 1993, 7-16.

LIEFBROER, A.C. en DE JONG-GIERVELD, J., ‘Veranderingen in de overgang van jeugd naar

volwassenheid. Een vergelijking van cohorten geboren tussen 1903 en 1965.’, DU BOISREYMOND,

M. en DE JONG- GIERVELD, J. red., Volwassen worden. Generaties van toen en

nu: transities in de levensloop, Houten, 1993, 7-16.

LONGMANN,C., ‘Joodse menstruatieriten: Symbool van vrouwenonderdrukking of vrouwelijke

identiteit?’, Tijdschrift voor seksuologie, 16 (2002), 146-152.

MANS, A. en INDIGNE, P., Angèle Schouwenaars: een bijzondere vrouw in de geschiedenis van

de meisjesopvoeding, Leuven, 1987.

119

MANS, A. en INDIGNE, P., Maria Schouwenaars: een bijzondere vrouw in de geschiedenis van

de meisjesopvoeding, Leuven, 1987.

MARTIN, M., ‘Postmoden periods : menstruation media in the 1990s’, The Lion and the

Unicorn, 23 (1999), 395-414.

MATRIARCHAL STUDY GROUP, Menstrual taboos, Londen, 1979.

MERSKIN, D., ‘That time of the month: adolescence, advertising, and menstruation’, M.G.,

CARSTARPHEN en S.C., ZAVOINA red., Sexual rhetoric : media perspectives on sexuality,

gender, and identity, Westport, 1999, 93-107.

MOIN, S., ‘Status of women: islamic view’, Social Scientist, 4 (1967), 70-75.

MUYS, L., ‘Tampons: bondgenoot van emancipatie?’, Stem der vrouw,78 (1992), 31.

O’GRADY, K., ‘The semantics of taboo. Menstrual prohibitions in the Hebrew Bible’, DE

TROYER, K. red., Wholly woman, holy blood: a feminist critique of purity and impurity,

Harrisburg, 2003, 1-29.

OBERMEYER, C., ‘Pluralism and Pragmatism: Knowledge and Practice of Birth in Morocco’,

Medical Anthropology Quartery, 14 (2000), 180-201.

OWEN, L., ‘Vrouwensabbat’, ’t Fameke, 01 (1994), 10-11.

PEETERS, A., Dochters van de maan.De menstruatie in de mythen en in de moderne

maatschappij, Haarlem, 2004, 67.

PHIPPS, The menstrual taboo in the Judeo-Christian tradition, 300. en VAN BAAREN, J., e.a,

Het rooie kruis : een verslag over menstruatie, Leiden, 1980, 50.

PHIPPS, W, ‘The menstrual taboo in the Judeo-Christian tradition’, Journal of religion and

health, (19) 1980, 298-303.

POGREBIN, L., ‘Parenting. Talking about menstruation’, MS (maart 1981), 72.

POUILLARD, V., La publicité en Belgique des couriers aux agences internationales (1850-

1975), Brussel, 2005.

PVD, ‘Menstruatie beschermt vrouw tegen mannen’, De standaard, (13 oktober 1993)

RANKE-HEINEMANN, U., Eunuchs for the kingdom of heaven: women, sexuality and the

Catholic Church, Londen, 1991.

ROBERTS, T. en WATERS, P., ‘Self-objectification and that ‘not so fresh feeling’, feminist

therapeutic interventions for healthy female embodiment’, Women and therapy, 27 (2004), 5-21.

120

ROLL, S., ‘The old rite of churching women after childbirth’, DE TROYER, K. red., Wholly

woman, holy blood: a feminist critique of purity and impurity, Harrisburg, 2003, 117-141.

ROYMANS, J., ‘Menstruatie: schets van een mentaliteit’, Lilith (januari 1984),13-17.

SABBE, B., Van de klas naar de Kamer. Leerkrachten in de Belgische kamer van

volksvertegenwoordigers, Onuitgegeven Licentiaatsverhandeling (1950-1959), Katholieke

Unversiteit Leuven, departement geschiedenis, 2002.

SANTOW, G., ‘Emmenagogues and abortif acients in the twentieth century: an issue of

ambiguity’, VAN DE WALLE, E. En RENNE, E. red., Regulating menstruation: beliefs,

practices, interpretations,Chicago, 2001, 65-92.

SCHOUWENAARS, M., Kiesche waarheid voor ouder en opvoeders, s.l. 1947.

SCHULTZ, J., ‘Doctors, philosophers, and Christian fathers on menstrual blood’, DE TROYER,

K. red., Wholly woman, holy blood: a feminist critique of purity and impurity, Harrisburg, 2003,

97-107.

SEAMAN, B., en SEAMAN, G., ‘Pennyroyal, and other home cures for ‘those days’’, MS,

(november 1978), 25-29.

SHUTTLE, P., e.a, De menstruatie: een cultuurgeschiedenis, Rotterdam, 1979.

SNOW, L.F. en JOHNSON, S.M., ‘Myths about menstruation: Victims of our folklore’,

International journal of women’s studies, 1 (1978), 64-72.

SPELLBERG, D, ‘Writing the Unwritten Life of the Islamic Eve: Menstruation and the

Demonization of Motherhood’, International Journal of Middle East Studies, 28 (1996), 305-

324.

STEVERLYNCK, C., Als de ooievaar komt. Vrijen, trouwen en moeder worden in de twintigste

eeuw, Tielt, 2000.

STOLBERG, M., ‘The monthly malady: a history of premenstrual suffering.’, Medical History,

47 (2003), 301-322.

STRANGE, J.-M., ‘Menstrual fictions: languages of medecine and menstruation, c. 1850-

1930.’, Women’s History Review, 3, 2000, 612-613.

STRANGE, J.M., ‘The assault on ignorance: Teaching menstrual etiquette in England, c. 1920 s

to 1960 s.’, Social history of medicine, 14 (2001), 607-628.

STUBBS, M. en COSTOS, D., ‘Negative attitudes toward menstruation: implications for

disconnection within girls and between women’, Woman and therapy, 27 (2004), 37-53.

121

THUREN, B.M., ‘Opening doors and getting rid of shame. Experiences of first menstruation in

Valencia, Spain.’, Women’s studies international forum, 17 (1994), 217-228.

TOLLENEER, J. red., Over mondelinge geschiedenis gesproken. Handelingen van de studiedag

mondelinge geschiedenis en documentaire infomatie, Gent, 1986.

TOLLENEER, J., Mondelinge geschiedenis en documentaire informatie. Een terreinverkennende

studie., Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, departement documentatie- en

bibliotheekwetenschap, Leuven, 1985.

TOLLENEER, J., Mondelinge geschiedenis en documentaire informatie. Een terreinverkennende

studie., Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, departement documentatie- en

bibliotheekwetenschap, Leuven, 1985.

TOMMELEIN, C., Het denken van Aristoteles en Augustinus over de vrouw, Onuitgegeven

licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, departement geneeskunde, 2003, 10.

TRENEMAN, A., ‘Cashing on the curse. Advertising and het menstrual taboo’, Spare rib,

(augustus 1988), 20-23.

TROMMELMANS, W., Vlaanderen vrijt. 50 jaar seks in Vlaanderen, Leuven, 2006.

VAN DER PLAETSEN, M., ‘Always menstruatievrij. Is menstrueren wel nodig?’, De morgen

(19 mei 2000).

VAN MOLLE, L, Sociale geschiedenis van de nieuwste tijd, cursus, Katholieke Universiteit

Leuven, departement geschiedenis, 2006.

VAN MULKEN, M., ‘De verpakking van maandverband. De ontwikkeling van retoriek in

tijdschriftadvertensies’, Tijdschrift voor genderstudies, 1 (2005), 15-27.

VAN USSEL, J., Geschiedenis van het seksuele probleem, Amsterdam, 1982.

VANDENBERGHE, A., Lijden, ziekte en genezing. Visies van predikanten en artsen (1693-

1868), Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, departement

geschiedenis, 1999.

VANDERBRUGGEN, B., ‘Samen jong in een landelijk milieu. Een analyse van de taal over

seksualiteit en gemengde omgang in de ledenbladen van de KLJ (1955-1975)’, Trajecta, 2,

(1999), 167-186.

VANYSACKER, D., ‘Het geseksueerde lichaam van de heks in de Nieuwe tijd’, WILS, K. red.,

Het lichaam (m/v), Leuven, 2001, 103-116.

122

VERLINDEN, C., In de spiegel van de “ancilla domini”. De opvoeding en het dagelijks leven op

een meisjeskostschool in de eerste helft van de twintigste eeuw, Onuitgegeven

licentiaatsverhandeling, Departement geschiedenis, Leuven, 2000.

VERRELST, W., Trots en schaamte van de Vlaming. Een essay over de Vlaamse cultuur in de

twintigste eeuw, Kapellen, 1992.

VERSTRAETE, L., Inventaris van het archief van BJB-KLJ (1925-1980), Leuven, 1989.

WEIDEGER, P., Menstruation and menopause: physiology and psychology, the myth and the

reality, New York, 1975.

WHELAN, E., ‘Attitudes toward menstruation’, Studies in Family Planning, 6. (1975), 106-108.

YANAY, N., en RAPOPORT, T., ‘Ritual impurity and religious discourse on women and

nationality’, Women’s studies international forum, 20 (1997), 651-663.

123

LIJST VAN AFBEELDINGEN

Afb. 1: Open onderbroek, eind 19e-begin 20e eeuw

DE KEYZER, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot. Vier generaties vrouwen

vertellen, Leuven, 2004, 180

Afb. 2: Patent voor menstruatiebretellen in 1875, gegeven aan Stephen Ellis

http://www.mum.org/drawnocr.htm

Afb. 3: Gebreide maandverbanden met knoopsgaten en lusjes

www.mum.org/NorwPads.htm

Afb. 4: Gordeltjes waarmee het maandverband werd vastgehouden, eerste helft twintigste eeuw

www.mum.org/belts.htm

Afb. 5: Advertentie voor maandverbanden in badstof, begin twintigste eeuw

DE KEYZER, D., De schaamte en de schrik, goesting en genot. Vier generaties vrouwen

vertellen, Leuven, 2004, 189

Afb. 6: Stayfree, maandverband met kleefstrip, jaren zeventig

www.mum.org/staynet72.htm

Afb. 7: Fax tampon, begin 20e eeuw

www.mum.org/faxdocuments.htm

Afb. 8: Wix tampon, begin 20e eeuw

www.mum.org/Wixpon.htm

Afb. 9: Patent voor tampon met inbrenghuls, 1933

www.mum.org/Tampaxpatent.htm

Afb. 10: Reclame voor maandverband met afbeelding met verpleegster en kind, ±1890

AL-KHALIDI, A., ‘The greatest invention of the century: menstruation in visual and

material culture.’, ANDREWS, M., All the world and her husband : women in twentiethcentury

consumer culture, London, 2000, 72.

124

125

SAMENVATTING

.

Op basis van interviews met vijftien Vlaamse vrouwen geboren tussen 1918 en 1947 is een

antwoord gezocht op de vraag hoe vrouwen in de jaren dertig tot zestig omgingen met

menstruatie. Hiervoor is thematisch te werk gegaan. Het cognitieve, communicatieve en

materiële aspect komen achtereenvolgens aan bod. In elk hoofdstuk wordt het verhaal van één

van de respondenten uitgelicht.

In het eerste hoofdstuk werd gepolst naar de kennis van menstruatie in medische kringen en hun

weerklank bij Vlaamse meisjes en vrouwen. De kennis van artsen is doorheen de eeuwen

geëvolueerd. Grieken gaven menstruatie bijvoorbeeld hetzelfde statuut als het hebben van een

bloedneus. Pas in de negentiende eeuw werd het verband tussen menstruatie en vruchtbaarheid

duidelijk. Ondanks die evolutie bleven niet-medische verklaringen voor menstruatie weerklinken

doorheen de eeuwen. Plinius de Oudere gaf in 65 na Christus aan menstruatiebloed iets bijna

magisch toe dat schade kon aanrichten aan vruchten, zaden en dieren. Theologen schoven in de

Middeleeuwen de schuld voor menstruatie in de schoenen van Eva en waarschuwden net als

Plinius voor de nefaste gevolgen van bijvoorbeeld gewassen bij aanraking met een menstruerende

vrouw. Omdat haar bloed onrein was, werd haar verboden tijdens haar maandstonden de

communie te ontvangen. Hoewel tegen de negentiende eeuw wetenschappelijke verklaringen het

fenomeen menstruatie verklaarden, bleken Vlaamse meisjes en vrouwen er toch geen grote

kennis van te hebben. Meisjes wisten vaak niet wat hen overkwam toen ze een bloedvlek in de

onderbroek ontdekten. Pas vanaf de Tweede Wereldoorlog kwam een gesystematiseerde

voorlichtingslectuur op gang, gericht tot ouders of gehuwde koppels. Net zoals opvoeders en

jeugdbewegingen bleken voorlichtingsboekjes tot de jaren zeventig echter meer oog te hebben

voor morele boodschappen dan voor feitelijke kennis. De puzzelstukken met vage informatie die

door leeftijdsgenoten en eenmalig bij de menarche door de moeder werd gegeven zouden pas in

de loop van het huwelijksleven in elkaar passen. Vrouwen wisten aan het begin van hun huwelijk

vaak niet hoe ze kinderen moesten maken of op de wereld zetten.

Het tweede hoofdstuk van deze verhandeling onderzoekt in hoeverre men praatte over

menstruatie. Menstruatie is een gebeurtenis dat werd omgeven door schaamte en

126

geheimzinnigheid. “Tante Marie is op bezoek”: een dergelijke uitdrukking wijst er op hoe het

letterlijk uitspreken van menstrueren vermeden werd. In de huiskring, op school, op het werk en

met de echtgenoot kwam het onderwerp nauwelijks ter sprake. Dit was niet te wijten aan een

gebrek aan interesse om over menstruatie te spreken. Omwille van het taboe-aspect werd in alle

talen gezwegen over het fenomeen. Meer dan de helft van de bevolking kwam vroeg of laat te

weten wat het was te menstrueren, maar dit deden zij onopgemerkt, buiten het medeweten van

hun seksegenoten. In een tweede deel van dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan hoe het

dagelijks leven een wending kreeg door menstruatie. Activiteiten als groenten steriliseren, dieren

slachten en mayonaise maken werden uitgesteld tot na de maandstonden. Deze gebruiken zijn

niet enkel in Vlaanderen terug te vinden. Het niet laten aanraken van voedsel door menstruerende

vrouwen, het hen laten gebruik nemen van menstruatiehutten verwijderd van de gemeenschap,

het zich onthouden van seks met een menstruerende vrouw: in alle continenten komen ze in

bepaalde culturen voor. Vaak had de religie een rol in het tot stand brengen of in stand houden

van dergelijke menstruatietaboes. Ook de katholieke kerk adviseert geen seksuele betrekkingen te

hebben met een menstruerende vrouw. Even onrein was de pas bevallen vrouw die tot in de jaren

zestig het ritueel van de kerkgang moest ondergaan om terug in de kerk te mogen treden. De

invloed van de katholieke kerk bleek tot in de Vlaamse slaapkamer aanwezig want

vóórhuwelijkse seks was voor zowel de kerk als zijn gelovigen uit den boze. Aan de hand van

antropologische literatuur wordt tenslotte nagegaan wat de betekenis is van deze

menstruatietaboes.

In het derde hoofdstuk wordt nagegaan hoe vrouwen tot de eerste helft van de twintigste eeuw het

bloed opvingen. Wat werd aangewend vóór de wegwerpmaandverbanden verschenen in de jaren

twintig? Tot de negentiende eeuw droegen vrouwen immers geen onderbroeken. Wanneer zij dit

wel begonnen te doen waren de eerste onderbroeken niet aaneengenaaid tussen de benen: het

waren twee losse pijpen. Hoe gingen deze vrouwen om met het maandelijks bloedverlies? Ook de

geïnterviewde vrouwen konden slechts op volwassen leeftijd maandverbanden weggooien en

gebruikten voordien andere methoden. In dit laatste hoofdstuk wordt de geschiedenis van het

maandverband en de tampon uiteengezet alvorens wordt onderzocht hoe vrouwen in de eerste

helft van de twintigste eeuw praktisch omgingen met hun maandstonden. Hoe verversten zij zich?

Waar kocht men die banden? Hoe wasten zij het eigen lichaam en de banden?

127

Een op het eerste zicht banaal onderwerp als menstruatie brengt aan de hand van interviews

zaken aan het licht te brengen waaraan in de literatuur geen aandacht wordt besteed. Het toont

aan hoe vrouwen in de eerste helft van de twintigste eeuw met intieme zaken omgingen. Verder

komt aan het oppervlak hoe het bestaan van seksuele voorlichtingslectuur geen weerspiegeling is

van de aanwezige kennis bij de bevolking. Vast staat dat vrouwen meer dan een halve eeuw terug

op een totaal verschillende manier hun “moeilijke dagen” beleefden.

    Comment Section

    0 reacties op “Menstruatiecyclus door de eeuwen heen

    Plaats een reactie


    *