Page content

Onderzoek door het Radboud university over DYSMENORRHOE EN ZIEKTEVERZUIM

 

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

The following full text is a publisher’s version.

For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/107456

Please be advised that this information was generated on 2018-05-09 and may be subject to change.

DYSMENORRHOE EN ZIEKTEVERZUIM

J.J.KOLK

  • ;

 

DYSMENORRHOE EN ZIEKTEVERZUIM

PROMOTOR: DR. A. TH. L. M. MERTENS

DYSMENORRHOE EN ZIEKTEVERZUIM

W.Uh asummary:

DYSMENORRHOEA AND ABSENTEEISM

PROEFSCHRIFT

TER VERKRIJGING VAN DE GRAAD VAN DOCTOR IN DE GENEESKUNDE AAN DE KATHOLIEKE UNIVERSITEIT TE NUMEGEN OP GEZAG V AN DE RECTOR MAGNIFICUS DR. S. J. GEERTS HOOGLERAAR IN DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE
EN DER WISKUNDE EN NATUURWETENSCHAPPEN

VOLGENS BESLUIT VAN DE SENAAT IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN OP
VRIJDAG 4 FEBRUARI 1 9 6 6
DES NAMIDDAGS TE 16.00 UUR DOOR

JOHANNES JACOBUS KOLK

GEBOREN TE AMSTERDAM

Te Assen bij

VAN GORCUM & COMP. N.V. – DR. H. J. PRAKKE & H. M. G. PRAKKE

 

AAN MIJN OUDERS AAN MIJN VROUW

 

INHOUD

HOOFDSTUK 1. INLEIDING EN VERANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKEN NAAR HET VÓÓRKOMEN VAN DYSMENORRHOE
EN HET ZIEKTEVERZUIM WEGENS DYSMENORRHOE 1

  1. Inleiding 1 2. Retrospectief onderzoek naar het ziekteverzuim wegens dysmenoirhoe 4 3. Onderzoek door middel van een interview naar het vóórkomen van dysmenoirhoe en

dysmenorrhoeverzuim 5

HOOFDSTUK 2. DE MENARCHELEEFTIJD 11

  1. Het menarchetijdstip 11 2. Menarcheleeftijd en geboortejaar 13 3. Menarcheleeftijd en ras 16 4. Menarche en lichaamsbouw 17 5. Menarche en schoolopleiding 18 6. Bespreking en samenvatting 19

HOOFDSTUK 3. DE MENSTRUATIE 21

  1. 2. 3.

Inleiding 21 Het menstruatiepatroon 23 De menstruele cyclus 24 3.1. Eigen onderzoek betreffende de menstruele cyclus 25

3.1.1. duur van de menstruele cyclus 25

3.1.2. variatie van de menstruele cyclusduur 29 De menstruatieduur 33 4.1. Eigen onderzoek betreffende de menstruatieduur 34

4.1.1. duur van de menstruatie 35

4.1.2. variatie van de menstruatieduur 42 Het bloedverlies 45 5.1. Eigen onderzoek betreffende de mate van bloedverlies 48 Bespreking en samenvatting van de onderzoekresultaten 50

HOOFDSTUK 4. MENSTRUATIE EN ARBEID 52

  1. Inleiding 52 2. Menarche en arbeid 53 3. Invloed van de menstruele cyclus op het lichamelijk prestatievermogen 54 4. Invloed van de arbeid en het beroep op de menstruele cyclus 58 5. Beroep en dysmenoirhoe 59

HOOFDSTUK 5. DYSMENORRHOE (I) 61 1. Inleiding en begripsomschrijving 61

  1. Secundaire dysmenorrhoe 63 3. Primaire dysmenoirhoe 64 4. De Pathogenese van primaire dysmenorrhoe 67

4.1. Hypercontractiliteit van de uterusmusculatuur 67 4.2. Vasospasme in de uterusspier 70 4.3. Neurogene factoren 70 4.4. Allergische factoren 71 4.5. Psychogene factoren 71

HOOFDSTUK 6. HET VÓÓRKOMEN VAN DYSMENORRHOE EN ENKELE FACTOREN, WELKE VERBAND KUNNEN HOUDEN MET HET OPTREDEN V AN DYSMENORRHOE 76

  1. Het vóórkomen van dysmenorrhoe 76 1.1. Eigen onderzoek 76 2. Leeftijd en dysmenorrhoe 76 2.1. Eigen onderzoek 78 3. Burgerlijke staat, pariteit en dysmenorrhoe 80 3 1. Eigen onderzoek 81 4. Menarcheleeftijd, het aantal jaren sinds de menarche en dysmenorrhoe 82 4.1. Eigen onderzoek 82 5. Menstruatiepatroon en dysmenorrhoe 84 5.1. Eigen onderzoek . 85 5.1.1. menstruele cyclus en het vóórkomen van dysmenorrhoe 85 5.1.2. menstruatie en het vóórkomen van dysmenorrhoe 86 6. Mate van bloedverlies tijdens de menstruatie en dysmenorrhoe 87 6.1. Eigen onderzoek 88 7. Lichaamsbouw en dysmenorrhoe 90 7.1 Eigen onderzoek 90 8. Schoolopleiding en dysmenorrhoe 90 8.1. Eigen onderzoek 91 9. Bespreking en samenvatting van de onderzoekresultaten 92

HOOFDSTUK 7. ZIEKTEVERZUIM 95

HOOFDSTUK 8. DYSMENORRHOE EN ZIEKTEVERZUIM 109

  1. Literatuur 109 1.1. Het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim 109 1.2. Het aandeel van dysmenorrhoe in het totale ziekteverzuim 110 1.3. Het vcrzuimpatroon van dysmenorrhoe 111

1.3.1. gemiddelde verzuimduur 111 1.3.2. verzuimfrequentie 111 1.3.3. gemiddelde verzuim 111

1.4. Vergelijkingvanhetverzuimgedragvanvrouwenmetdysmenorrhoeverzuimmetdat
van vrouwen zonder verzuim wegens deze oorzaak 111

  1. Het retrospectieve ziekteverzuimonderzoek 113 2.1. Het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim 113 2.2. Het aandeel van dysmenorrhoe in het totale ziekteverzuim 114 2.3. Het patroon van dysmenorrhoeverzuim 117

2.4. Vergelijking van het verzuimgedrag van vrouwen met dysmenorrhoeverzuim met
dat van vrouwen zonder verzuim wegens deze oorzaak 120

  1. Het interview-onderzoek naar het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim 123 3.1. Leeftijd en verzuim wegens dysmenorrhoe 125 3.2. Burgerlijke staat, pariteit en verzuim wegens dysmenorrhoe 125 3.3. Mate van bloedverlies en verzuim wegens dysmenorrhoe 126 3.4. Diverse factoren en verzuim wegens dysmenorrhoe 126
  2. Bespreking en samenvatting van de resultaten van het onderzoek naar het verzuim door dysmenorrhoe 127 4.1. Het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim 127 4.2. Het verzuimpatroon wegens dysmenorrhoe en het aandeel van dysmenorrhoe in het

totale ziekteverzuim 130 4.3. De voorspelbaarheid van dysmenorrhoeverzuim 132

HOOFDSTUK 9. SAMENVATTING 134 SUMMARY 139 LITERATUURLIJST 144 BIJLAGE. STATISTISCHE VERANTWOORDING 151

HOOFDSTUK 1 – INLEIDING EN VERANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKEN NAAR HET VÓÓRKOMEN VAN DYSMENORRHOE EN HET ZIEKTEVERZUIM WEGENS DYSMENORRHOE

  1. INLEIDING

Het natuurlijke gebeuren van de menstruatie, dat theoretisch bezien, klachtenvrij behoort te zijn, blijkt bij een groot deel van de geslachtsrijpe vrouwen in het geheel niet fysiologisch te verlopen. Het in ons land ingeburgerde begrip Ongesteldheid’ wijst reeds in deze richting. Zo ernstig zouden de klachten soms zijn, dat een aantal vrouwen zich tijdens de menstruatie-periode vaak niet in staat acht tot het conti- nueren van de dagelijkse bezigheden.

De klachten, welke zich tijdens de menstruatie voordoen, worden meestal samengevat onder de naam dysmenorrhoe. De belangrijkste en meest vóórkomende van deze klachten is pijn in de onderbuik.

Vooral in de ‘beschaafde’ en meer ontwikkelde landen is het percentage vrouwen, dat tijdens of voor de menses klachten heeft, zeer hoog. Bij primitievere volken zou minder frequent dysmenorrhoe worden aangetroffen. Volgens DEVERE(1960) is dit echter een gevolg van het feit, dat de meerderheid van de vrouwelijke ‘primi- tieven’ reeds zeer snel na de menarche gravida worden ; een opvatting, welke door een recente studie van MELTWISSEN (1965) wordt gesteund.

Het doet enigszins vreemd aan, dat, ondanks de stroom van analgetica en spasmolytisch-werkende en ovulatie-remmende geneesmiddelen, welke aanbevolen en ook metterdaad gebruikt worden om de menstruatieklachten te doen verdwijnen of te verminderen (om nog maar niet te spreken van de consumptie van ‘gewone* analgetica!) het verzuim wegens dysmenorrhoe toch zo’n grote plaats in het ziekte- verzuim van vrouwen pleegt in te nemen.

Het dysmenorrhoeverzuim beperkt zich meestal tot slechts één of twee dagen per maand. Frequente kortdurende verzuimen scheppen echter in een arbeids- gemeenschap vaak grotere problemen dan, incidenteel voorkomende, langdurende verzuimen. De kortdurende verzuimen verstoren de arbeidscontinuïteit en daardoor ook de produktiv!teit van een bepaalde afdeling of soms zelfs van een geheel bedrijf. Speciaal is dit laatste het geval in afdelingen of bedrijven, waar de door de indivi- duele werkers te verrichten werkzaamheden op de een of andere wijze een zekere afhankelijkheid van elkaar vertonen.

Onze belangstelling voor het verzuim wegens dysmenorrhoe werd gewekt, doordat wij bij de medische controle op het ziekteverzuim van vrouwelijke perso- neelsleden van de PTT te Rotterdam de indruk kregen, dat dysmenorrhoe een aanzienlijke bijdrage tot het totale ziekteverzuim van deze groep vrouwen leverde.

Op grond van deze indruk werd besloten om een onderzoek in te stellen naar het dysmenorrhoeverzuim, waarbij wij hebben getracht op de volgende vragen een antwoord te vinden:

1

  1. fVat moet onder dysmenorrhoe worden begrepen?

Bij het raadplegen van de literatuur over dit onderwerp bleek namelijk, dat er geen eenstemmigheid bestond over hetgeen onder dysmenorrhoe moet worden verstaan. In hoofdstuk 5 (paragraaf 1) zal hierop nader worden ingegaan.

  1. Hoe vaak komt dysmenorrhoe voor by overigens gezonde vrouwen en welke factoren vervullen bij het optreden ervan een rol?

Mede op grond van het feit, dat bij de verschillende auteurs het dysmenorrhoe- begrip niet altijd het zelfde inhield, liepen de cijfers over het vóórkomen van dysmenorrhoe zeer uiteen. Voorts bleek, dat nog geen Nederlandse onderzoekingen over deze materie verricht waren.

Over de oorzaak of oorzaken van het optreden van dysmenorrhoe is niet veel vaststaands bekend. Afgezien van de secundaire dysmenorrhoe, waaraan – per definitie – een duidelijk aantoonbare oorzaak ten grondslag ligt, blijkt volgens DAVIS (1938) in meer dan 80% van de gevallen voor de dysmenorrhoeklachten geen oorzaak gevonden te kunnen worden. Vele theorieën over de Pathogenese zijn in de loop der jaren opgesteld. De voornaamste zullen in hoofdstuk S nog nader besproken worden.

с Hoe vaak gaat dysmenorrhoe gepaard met arbeidsverzuim en zijn er factoren aan te wijzen, welke hier invloed op hebben?

Op deze vraag bleek geen bevredigend antwoord in de literatuur gevonden te kunnen worden, terwijl ook hierover geen Nederlandse cijfers bekend waren.

De vraag of dysmenorrhoeklachten aanleiding zullen geven tot ziekteverzuim, is een zeer gecompliceerde. In de eerste plaats zal de intensiteit van de klachten een rol vervullen; een rol overigens, welke in belangrijke mate bepaald wordt door de subjectieve waardering van de klachten door de vrouw. Met name voor de primaire dysmenorrhoe heeft de medicus geen enkele objectieve maatstaf.

Maar afgezien van de ernst van de klachten is er nog een rijke verscheidenheid van factoren, welke het ziekteverzuimgedrag mede bepalen. Factoren, welke ook ten aanzien van het al dan niet gaan verzuimen wegens dysmenorrhoe een zeer grote rol zullen vervullen. In hoofdstuk 7 zal op deze (veelal niet-medische) fac­ toren nog nader worden ingegaan.

  1. In welke mate draagt dysmenorrhoe bij tot het totale ziekteverzuim van vrouwen en hoe is het verzuimgedrag van de vrouwen, die wegens dysmenorrhoe verzuimen?

Ook over het aandeel van dysmenorrhoe in het totale ziekteverzuim bleek geen eenstemmigheid te bestaan tussen de verschillende onderzoekers.

Evenals SVENNERUD (1959) had het ook onze interesse in hoeverre het verzuim­ gedrag van vrouwen met dysmenorrhoeverzuimverschilde van dat van vrouwen zonder verzuim wegens deze oorzaak.

  1. In hoeverre is bij de keuring van een sollicitante reeds een voorspelling te doen over het in de toekomst te verwachten optreden van dysmenorrhoeklachten en van

2

verzuim wegens deze oorzaak op geleide van enkele gegevens, welke bij de keuring worden verkregen?

Bij het stellen van deze vraag beseften wij ten volle hoe moeilijk het toekomstige verzuimgedrag en verzuimgeneigdheid van een individu reeds bij de aanstellings­ keuring is vast te stellen. Hoogstens kan men door middel van een uitvoerige keurings-anamnese uit de gegevens, welke betrekking hebben op de motivering van beroepswisselingen, het aantal geconsulteerde artsen wegens vage klachten e.d. zich een indruk vormen over de houding van de sollicitant(e) ten opzichte van arbeid, (vroegere) werkgevers en situaties van lichamelijk en geestelijk onwel­ bevinden. Het zal dus veeleer een socio-psychologische indruk zijn dan een medisch gefundeerd oordeel, dat men kan uitspreken over het te verwachten verzuim van een kandidaat of kandidate. Een indruk, welke in de praktijk, zowel in positieve als in negatieve zin, vaak geloochenstraft blijkt te worden.

  1. Welke invloed heeft het menstruele gebeuren van de vrouw op haar arbeidsprestatie­ vermogen en welke invloed heeft de arbeid op het verloop van de menstruele cyclus?

Voor de beantwoording van deze vraag werd een literatuur-studie gemaakt, welke beschreven wordt in hoofdstuk 4.

Ter beantwoording van vraag d. over de bijdrage van dysmenorrhoe aan het totale ziekteverzuim van vrouwen, werd over een drietal jaren een (retrospectief) onder­ zoek verricht naar het feitelijk verzuim wegens dysmenorrhoe. Voor het laatste van deze driejaren (1959) werd tevens het ziekteverzuim wegens andere oorzaken dan dysmenorrhoe in het onderzoek betrokken. Een nader beschrijving van dit retro­ spectieve onderzoek volgt in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

Voor de vragen b, с en e werd getracht een antwoord te vinden aan de hand van gegevens, welke verkregen werden door middel van een interview-onderzoek van vrouwelijke sollicitanten. In paragraaf 3 van dit hoofdstuk wordt dit onderzoek nader toegelicht. De resultaten zijn, voor wat betreft dysmenorrhoe en dysmenorr- hoeverzuim, vermeld in respectievelijk hoofdstuk 6 en hoofdstuk 8 (paragraaf 3).

In het kader van het interview-onderzoek werden ook vragen gesteld over de menarcheleeftijd en het menstruatiepatroon om een mogelijke relatie hiervan met het vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim te kunnen nagaan. Alvorens deze relatie te onderzoeken, bleek het echter zinvol eerst nader geïnfor- meerd te worden over de menarcheleeftijd, de menstruatie en de menstruele cyclus zelve. Om deze reden werden de gegevens, welke hierop betrekking hadden, ook afzonderlijk bewerkt. De resultaten hiervan over de menarcheleeftijd zijn vermeld in hoofdstuk 2 en die over de menstruatie en de menstruele cyclus in hoofdstuk 3.

De statistische bewerking van de gegevens uit het ziekteverzuimonderzoek en het interview-onderzoek is uitgevoerd door de medewerkers van de Mathematisch- Statistische afdeling van het Instituut voor Wiskundige Dienstverlening te Nij- megen. De directeur van dit instituut, drs. Ph. van Eiteren en zijn medewerkster mejuffrouw M. C. W. A. Schreurs, zeg ik op deze plaats gaarne hartelijke dank voor hun hulp en steun, welke ik tijdens het bewerken van de onderzoeken heb mogen ondervinden. Een door hen samengesteld overzicht van de toetsingsresul- taten bij de gegevens uit het interview-onderzoek, werd als bijlage aan dit werk toegevoegd.

3

  1. RETROSPECTIEF ONDERZOEK NAAR HET ZIEKTEVERZUIM WEGENS DYSMENORRHOE

Voor het ziekteverzuimonderzoek hadden wij de beschikking over de verzuim­ gegevens van vrouwelijk ρττ-personeel te Rotterdam van de jaren 1957, 1958 en 1959.

In deze jaren waren respectievelijk 313, 392 en 368 vrouwen, die jonger waren dan 40 jaar, gedurende dat gehele jaar in dienst geweest.

Daar een ieder, die wegens ziekte verzuimd had, zich op het controle-spreekuur van de bedrijfsarts moest melden en de ziektecontrolekaart laten aftekenen vooral­ eer het werk hervat mocht worden, was het mogelijk een inzicht te verkrijgen in de oorzaken van alle door deze vrouwen wegens ziekte verzuimde periodes.

De verzuimoorzaken werden gecodeerd volgens de „International Classification of diseases, injuries and causes of death, 1948″. Daar de code 634 betrekking heeft op alle stoornissen in de menstruatie en ovulatie, moest voor ons doel nog verder gespecificeerd worden. Dysmenorrhoe „niet als symptoom van een ander ziekte­ beeld”, dus primaire dysmenorrhoe, wordt volgens bovenstaande codering 634.3, met als onderverdeling

634.30 voor membraneuze dysmenorrhoe en

634.31 voor spastische of functionele dysmenorrhoe.
Alleen de gevallen van verzuim, welke als een gevolg van primaire dysmenorrhoe konden worden beschouwd; met andere woorden, alleen als geen pathologische afwijkingen van het genitaalapparaat bleken te bestaan of reeds bekend waren, werden als dysmenorrhoeverzuim voor de verdere bewerking gebruikt.

Het onderzoek over het jaar 1959 werd iets breder opgezet dan dat der voor­ gaande jaren, teneinde het dysmenorrhoeverzuim te kunnen relateren aan het totale ziekteverzuim van dat jaar. Op de volgende punten verschilt de bewerking van de verzuimgegevens over het jaar 1959 van dat der voorafgaande twee jaren: a. Voor 1959 werden alle vrouwen tot 46 jaar, welke gedurende dat gehele jaar in

dienst geweest waren, in het onderzoek betrokken; voor 1957 en 1958 werden alleen de vrouwen tot 40 jaar bezien. Deze uitbreiding leek ons dienstig, omdat de 46-jarige leeftijd beter het einde van de fertiele periode der vrouw benadert danhet40ejaar.Hetbetrofintotaal401vrouwen.Bijdevergelijkingen metde jaren 1957 en 1958 zullen van deze 401 vrouwen alleen de 368 vrouwen, die jonger waren dan 40 jaar, gebruikt worden. In de groep van 33 vrouwen van 40 t/m 45 jaar bleken geen verzuimen wegens dysmenorrhoe te hebben plaats­ gevonden, zodat de absolute cijfers over het dysmenorrhoeverzuim, zowel bij de beschouwing van de vrouwen tot 40 jaar als tot 46 jaar gelijk blijven. De relatieve verzuimcijfers zullen echter geringe veranderingen ondergaan.

  1. Alle verzuimen, voor wat betreft de frequentie en het aantal verzuimdagen, werden voor 1959 in de bewerking betrokken.

с De verzuimduur van de afzonderlijke dysmenorrhoeverzuimen werd genoteerd, zodat het voor 1959 mogelijk werd een verzuimduurpatroon voor deze ver- zuimoorzaak samen te stellen.

Doordat vele vrouwen in meer dan een der onderzochte jaren in dienst waren en dus bij de gegevens van meer dan één jaar betrokken waren, konden de gegevens van de drie jaren van onderzoek niet tezamen worden getrokken.

De leeftijdsopbouw en de verdeling naar de burgerlijke staat van de in het verzuimonderzoek betrokken vrouwen is vermeld in tabel 1.

4

Tabel 1. Vrouwen uit het retrospectieve onderzoek, verdeeld naar leeftijdsklasse, onderzoekjaai en burgerlijke staat

1957 1958 1959 leeftijds- niet gehuwd niet gehuwd niet gehuwd

klasse

15 t/m 18 19t/m21 22t/m24 25t/m29 30t/m34 35t/m39

236
40t/m45
– – – – – – 25

Totaal – – – – – 315
De resultaten van dit onderzoek naar het ziekteverzuim worden beschreven in

hoofdstuk 8 (paragraaf 2).

  1. ONDERZOEK DOOR MIDDEL VAN EEN INTERVIEW NAAR
    HET VÓÓRKOMEN V AN DYSMENORRHOE EN DYSMENORRHOEVERZUIM

Om gegevens te verkrijgen over het verloop van de menstruatie en de menstruele cyclus, het vóórkomen van dysmenorrhoe en enkele factoren, welke mogelijk een rol vervullen bij het optreden van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij overigens gezonde vrouwen, werd oorspronkelijk gedacht om door middel van een schriftelijke enquête hierover de nodige informatie te verzamelen. Hiervan werd echter bij nadere overweging afgezien.

Daar het menstruatiegebeuren nog altijd door zeer velen wordt beschouwd als iets ‘waar men niet over praat’, verwachtten wij, dat de antwoorden op een enquête te veel onjuistheden en onnauwkeurigheden zouden kunnen bevatten, welke, al dan niet met voorbedachte rade, neergeschreven waren. Niet voor niets schreef DAVIS (1938) in zijn monografie over dysmenorrhoe: , It is therefore advisable to discount statistics based upon questionnaires, depending as they do upon the patient’s own assessment of her disability”.

Getracht werd daarom door een meer persoonlijk contact gegevens te vergaren. De methodiek werd gevonden in een aanvulling van de keuringsanamnese bij vrouwelijke sollicitanten met gegevens, welke betrekking hadden op de menstruatie en het vóórkomen van dysmenorrhoe. Daar deze keuringsanamnese in een per- soonlijk gesprek wordt opgenomen (Rotterdam) of doorgenomen (in Arnhem moeten de sollicitanten in verband met de keuring een uitgebreide vragenlijst invullen) was een aanvulling hiervan met menstruatiegegevens mogelijk en kon tevens een redelijke mate van nauwkeurigheid van de gegevens verwacht worden.

De volgende gegevens werden van iedere vrouwelijke sollicitant genoteerd: 1. de leeftijd
2. de burgerlijke staat en de pariteit

subtotaal

77 313 310

82 392 290

gehuwd (geweest) totaal gehuwd (geweest) totaal gehuwd (geweest) totaal

34 57

35 53 38 19

_ 34 45

4 61 79 14 49 57 26 79 58 20 58 49 13 32 22

45 43 43

1 80 72 17 74 47 19 77 50 29 78 51 16 38 27

4 76 11 58 23 73 25 76 15 42

78 368 8 33

86 401

5

  1. de gevolgde schoolopleiding
    4. de menarcheleeftijd
    5. het menstruatiepatroon (cyclusduur, menstruatieduur)
    6. de mate van bloedverlies tijdens de menses
    7. het al of niet aanwezig zijn van klachten voor en/of tijdens de menstruaties

en zo ja, de aard der klachten
8. Gevraagd werd, als vraag 7 bevestigend was beantwoord, of de klachten wel

eens aanleiding gaven of hadden gegeven om één of meer dagen in bed te

blijven c.q. van het werk of van de school te verzuimen.
9. Op geleide van het somatisch onderzoek werd getracht de lichaamsbouw van

de sollicitanten in een der nog te noemen typen onder te brengen.

De gegevens ad 1 en 2 gaven uiteraard weinig moeilijkheden.

Ad3. Het vermelden van gegevens over de gevolgde schoolopleiding leverde eveneens geen moeilijkheden op. De bedoeling was om – zij het onder veel voor- behoud – door dit gegeven enige indruk te krijgen over het sociale milieu, waaruit de sollicitante afkomstig was.

Alhoewel vrijwel iedereen in Nederland tegenwoordig de mogelijkheid geboden wordt om meer dan alleen lager onderwijs te volgen, kan men naar onze mening toch wel een verschil in sociale status aannemen tussen de gezinnen, waarin de meisjes direct na de lagere school moeten gaan verdienen en die, waarin de meisjes, al dan niet met behulp van studiebeurzen, voortgezet onderwijs gaan volgen.

In dit licht bezien, was de rubricering van de verschillende onderwijstypen en het wegen van hun respectievelijke ‘sociale zwaarte’, een probleem. Tenslotte werd de volgende – arbitraire – indeling gemaakt:
1. Lager Onderwijs en Huishoudschool
2. ULO, Nijverheidsonderwijs en Kunstacademie
3. HBS-3jaar.Lyceum,MMS,HBSenGymnasium.

Ad 4. Het merendeel van de vrouwen kon vrij nauwkeurig opgeven hoe oud zij waren bij het eerste optreden van de menstruatie. Eventueel werd getracht de ondervraagde te helpen door haar zich te laten herinneren in welke schoolklas ze zat, toen de menstruatie zich voor het eerst voordeed. Dit laatste bleek in vele gevallen een goede steun te zijn voor de herinnering.

Er werd niet getracht een specificatie van de menarcheleeftijd in maanden te krijgen; er werd bewust volstaan met het vragen naar en het noteren van het levensjaar, waarin de menses zich voor het eerst voordeed, teneinde niet de onnauw- keurigheid onder het mom van (pseudo-)exactheid te vergroten.

Ad 5. Het was frappant te moeten constateren hoe weinig vrouwen spontaan – al dan niet na het raadplegen van een agenda – in staat bleken aan te geven om de hoeveel tijd de menstruaties optraden. Antwoorden als ‘normaal’, ‘op tijd’ of ‘daar let ik nooit op’ werden veelvuldig gehoord. Niet dan met moeite en geduld van vragende en ondervraagde partij kon dan vaak een bevredigend inzicht worden verkregen in de menstruele cyclusduur en de eventuele spreiding daarvan.

Ad 6. Het anamnestisch georiënteerd raken over de mate van bloedverlies tijdens б

de menstruatie, is praktisch onmogelijk. Het aantal verbruikte doekjes of ver- bandjes verschaft geen goede maatstaf voor de mate van bloedverlies door de grote interindividuele verschillen in persoonlijke hygiëne. Aan vermeldingen als ‘veel’, .normaal’ en ‘weinig’ heeft men eigenlijk niets, daar de ondervraagde geen verge- lijkingsmogelijkheid heeft.

Toch hebben we getracht een zekere mate van objectieve beschrijving te vinden in de, hierboven gelaakte, gradatie ‘veel’, ‘matig’ en ‘weinig’. De gradering ‘veel’ werd alleen gebruikt voor menstruatiebloedingen, welke gepaard gingen met het optreden van stolsels. Traden er tijdens de menses geen stolsels op, dan werd ‘matig’ of ‘weinig’ genoteerd, al naar gelang de vrouw ‘normaal’ of ‘weinig’ als antwoord gaf.

Ad7. Bijonsonderzoekkondenwijgeenduidelijkverschilmakentussenprimaire en secundaire dysmenorrhoe, daar deze twee vormen in de praktijk zonder het verrichten van gynaecologisch onderzoek soms moeilijk van elkander te onder- scheiden zijn. Alleen de gevallen van dysmenorrhoe, welke berustten op of ver- klaard konden worden uit bestaande gynaecologische afwijkingen, werden in de verdere bewerking niet als dysmenorrhoe geduid.

Op grond van het karakter en de duur van de genoteerde klachten (voor zover men hierop kan en mag differentiëren) en mede gelet op de gegevens uit de keurings- anamnese en de anamnese betreffende het menstruatiepatroon, lijkt het gerecht- vaardigd de bijdrage van de secundaire dysmenorrhoe aan de bewerkte gevallen van dysmenorrhoe, gering te achten.

Alleen als in het jaar voorafgaande aan de ondervraging de menstruatie één of meer malen begeleid was door klachten, werd het antwoord van de ondervraagde positief gewaardeerd als dysmenorrhoe.

Ad 8. Daar alle ondervraagden naar een functie bij de PTT te Rotterdam resp. de AKU te Arnhem solliciteerden, kon verwacht worden, dat de in dit interview- onderzoek verkregen cijfers over het arbeidsverzuim tengevolge van dysmenorrhoe, in werkelijkheid wat hoger zouden liggen. Het is naar onze mening volkomen menselijk om bij een keuring in bescheiden mate te dissimuleren. Slechts een zeer tactisch en ervaren keurend arts zal dissimulatie van de kandidaat kunnen voor- kómen en/of onderkennen. En zelfs (of misschien beter gezegd: -juist -) de met hierboven genoemde eigenschappen begiftigde keurende arts zal nog geen garantie durven geven voor een 100 %-ige betrouwbaarheid van de door de keurling aan hem verstrekte gegevens.

De vergelijking van de uit dit interview-onderzoek verkregen cijfers over het vóórkomen van dysmenorrhoe met die van het retrospectieve onderzoek naar het feitelijke arbeidsverzuim bij een groep van vrouwen (hoofdstuk 8), doet overigens vermoeden, dat de geflatteerdheid van de verkregen uitkomsten wel meevalt.

Ook ten aanzien van het verzuim wegens dysmenorrhoe werd het antwoord der ondervraagde als positief genoteerd wanneer dysmenorrhoeverzuim een of meer malen in het jaar voorafgaande aan de ondervraging was voorgekomen.

Ad 9. Voor de rubricering van de lichaamsbouw werd gebruik gemaakt van de door KRETSCHMER (1955) gehanteerde indeling in pycnische, atletische en leptosome (asthenische) type.

7

Depycnische habitus wordt o.a. gekenmerkt door:

  • –  grote omvang der lichaamsholten (schedel, thorax en abdomen),
  • –  gedrongen gestalte,
  • –  breed gezicht boven een korte massieve hals,
  • –  matig spierrelief,
  • –  neiging tot vetvorming aan hals, borst, buik en heupen.

Van een asthenische habitus wordt gesproken als de volgende kenmerken aanwezig zijn:
– lange, platte en vrij smalle thorax,
– scherpe angulus epigastricus,

– smalle schouders
– uitstekende claviculae en scapulae (scapulae alatae),
– matig ontwikkeld spierstelsel en slapte van gewrichtsbanden en spieren, – vrij lange ledematen.

De athleticae hebben een goede ontwikkeling van de spieren, waardoor een duide- lijk spierrelief bestaat. De borstomvang is groter dan de buikomvang.

Daar de habitus van ieder individu een menging van de bovengenoemde hoofd- typen is, zoals KRETSCHMER reeds vaststelde, was het ‘inpassen’ van de lichaams- bouw der gekeurde vrouwen in de door ons gehanteerde somatotypen geen een- voudige taak, temeer daar de bovenstaande somatotypering bij vrouwen vaak minder sterk uitgesproken is dan bij mannen.

Om toch zo zuiver mogelijke gegevens te verkrijgen werden alleen de uitge- sproken asthenicae en pycnicae als zodanig genoteerd. De mengvormen werden tezamen met de echte atletische typen in de groep der ‘athleticae’ vermeld. In ver- band hiermee werd de benaming van deze groep tussen aanhalingstekens geplaatst.

Het verzamelen van gegevens door middel van het interview-onderzoek heeft plaatsgevonden tussen juli 1957 en juli 1964. Een tussentijdse verandering van werkkring heeft het onderzoek uiteen doen vallen in twee delen, te weten:
a. Juli 1957 tot juli 1960, waarin gegevens werden verzameld van 466 vrouwelijke

sollicitanten uit Rotterdam en omgeving voor een functie bij de PTT aldaar en b. Januari 1961 tot juli 1964, waarin gegevens werden verkregen van 542 vrouwe- lijke sollicitanten uit Arnhem en omgeving voor een functie bij de Algemene

Kunstzijde Unie N.V. te Arnhem.
In de verdere beschrijving van het interview-onderzoek zal van Rotterdamse resp. Arnhemse vrouwen worden gesproken als de bovenstaande groepen van vrouwen worden bedoeld. De resultaten van ons onderzoek hebben dus alleen betrekking op de door ons ondervraagde vrouwen.

In verband met mogelijke (doch overigens niet bekende) verschillen, welke tussen de beide groepen vrouwen zouden kunnen bestaan op grond van de her- komst uit verschillende delen van het land, werden de vrouwen uit de beide steden gescheiden behandeld bij de verdere bewerking van de gegevens.

Een overzicht van de bij dit interview-onderzoek betrokken vrouwen wordt gegeven in de tabellen 2, 3 en 4. Van de 542 vrouwen uit het Arnhemse gedeelte van het onderzoek had één meisje van 15jaar op het tijdstip van de ondervraging nog geen menses, zodat zij in de bewerking van de gegevens niet werd betrokken.

8

Leeftijdsopbouw, burgerlijke staat en pariteit van de ondervraagde vrouwen (tabel 2)

De gemiddelde leeftijd van de Rotterdamse vrouwen was hoger dan van de Arnhemse; hetgeen voornamelijk moet worden toegeschreven aan het groter aantal vrouwen van 30 jaar en ouder in Rotterdam.

Het aantal gehuwde sollicitanten was in Rotterdam veel groter dan in Arnhem. Bij toetsing met de x2-toets voor een 2 χ 2-tabel (< 24 jaar en > 24 jaar) blijkt de leeftijd van de ongehuwden uit het Rotterdamse deel van het interview-onder­ zoek significant lager te zijn dan van de gehuwden (P < 10e). Bij toetsing van de overeenkomstige 2 χ 2-tabel voor gehuwden met en gehuwden zonder kinderen te Rotterdam met een binomiale benadering, werd tussen deze twee groepen geen significant verschil gevonden.

Tabel2. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar leeftijdsklasse, burgerlijke staat en pariteit

leeftijds­ klasse

niet gehuwd zonder kinderen

gehuwd (geweest)

met pariteit kinderen onbekend

totaal
Rt Ahm

Rt Ahm Rt

Ahm Rt

Ahm Rt

Ahm

14 2 1 15t/m18 201 306 1 19t/m21 92 141 1

2 1 1 202 307 94 141 22t/m24 37 44 3 – 4 – – 3 44 47 25t/m29202811-1012 34332 30t/m341758-1212 2398 35t/m391545 8–1285 40t/m448 1-4-1 1141

totaal 392 529 30 – 39 2 5 11 466 542

Dat in Arnhem onder de sollicitanten zowel de gemiddelde leeftijd als het aantal gehuwden lager is dan te Rotterdam, is te verklaren uit een verschil in personeels­ beleid met dat te Rotterdam. De AKUneemt, behoudens in uitzonderingsgevallen, geen gehuwde vrouwen in dienst. Bij de PTT worden wel gehuwden in dienst ge­ nomen, zij het meestal voor part-time functies.

Teneinde het onderzoekmateriaal niet al te veel te versnipperen, werden de gehuwde vrouwen, de gescheiden vrouwen en de weduwen tezamen gevoegd en eenvoudigheidshalve allen als ‘gehuwden’ vermeld. Tot de gehuwden met kinderen werden ook twee vrouwen gerekend, die een partus prematurus hadden gehad, waarbij het kind niet levensvatbaar bleek te zijn en een vrouw, die een abortus had gehad. Op grond van de literatuurgegevens, kon namelijk verwacht worden, dat zij, ten aanzien van het vóórkomen van dysmenorrhoe, de zelfde kansen zouden hebben als de vrouwen, die een normale partus hadden doorgemaakt.

Lichaamsbouw (tabel 3)

Zoals reeds eerder werd vermeld, vormt de groep van de atletische vrouwen in ons onderzoek in feite een menggroep, waarin de echte athleticae en de niet uitge- sproken asthenische en pycnische typen werden ondergebracht.


– 1

– – – –

9

Tabel 3. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar lichaamsbouw

Rotterdam Arnhem

asthenicae 90 •athleticae’ 275 pycnicae 46

subtotaal 411 onbekend 55

totaal 466

(19,3%) (59,0%) (9,9%)

(11,8%) (100,0%)

63 (11,6%) 441 (81,4%) 37 (6,8%)

541
1 (0,2%)

542 (100,0%)

De asthenicae en de pycnicae werden zo nauwkeurig mogelijk volgens de reeds eerder genoemde criteria geselecteerd. Mogelijk werd in het latere (Arnhemse) onderzoek onbewust toch iets selectiever te werk gegaan dan in Rotterdam, daar de percentages asthenische en pycnische vrouwen in het Arnhemse gedeelte van het onderzoek lager blijken te liggen dan in Rotterdam.

Bij toetsing blijken bij de Rotterdamse vrouwen onder de gehuwden met kinderen significant meer pycnicae voor te komen dan onder de ongehuwden. Er bestaat tevens een zwakke aanwijzing .dat zulks ook het geval is ten opzichte van de ge- huwden zonder kinderen.

De reden, dat van 55 vrouwen in Rotterdam het somatotype niet bekend was, is een gevolg van het feit, dat dit gegeven door ons pas later in het onderzoek werd betrokken.

Schoolopleiding (tabel 4)

In Arnhem was de verscheidenheid van de functies, waarvoor gekeurd werd, groter dan in Rotterdam. In Rotterdam was het grootste deel van de sollicitanten bestemd voor een functie als telefoniste, télexiste, telegrafiste of administratief beambte. Hiervoor kwamen echter vrijwel alleen meisjes met een ULO-diploma in aanmerking. Het personeel met niet meer dan lager onderwijs, was bestemd voor eenvoudige administratieve en huishoudelijke werkzaamheden.

Tabel 4. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar schoolopleiding

10

LO.. Huishoudschool 136 ULO 308 MMS, HBS, Lyc, Gym. 20

subtotaal 464 onbekend 2

totaal 466

(29.2%) (66.1%) (4,3%)

(0,4%)

(100,0%)

224 (41,3%) 217 (40,0%) 100 (18.5%)

541
1 (0,2%)

542 (100,0%)

Rotterdam Arnhem

HOOFDSTUK 2
DE MENARCHELEEFTIJD

  1. НЕТ MENARCHETUDSTIP

From now on the problems of the girl who has become a woman are clearly defined: they are a conflict or a harmo­ ny of many contradictory ele­ ments . .. the alternative be­ tween individual being and servant of the species.

H.DEUTSCH- The psychology of women. London, 1947.

1.1. Het tijdstip, waarop de eerste menstruatie optreedt, is door vele onderzoekers in de loop der tijden volgens verschillende methoden bepaald. In tabel S zijn een aantal uitkomsten van publikaties verzameld onder vermelding van – voor zover dit bekend was – de wijze, waarop de cijfers betreffende het menarchetijdstip

Tabel5. Vergelijking van de in ons onderzoek (1962, 1966)berekende medianen van de menar- cheleeftijd met door andere onderzoekers aangegeven gemiddelden

jaar van publikatie

1873 1923 1937 1941 1942

1950 1952 1952 1 9 5 4 1955 1956

1957 1957 1959

OOLUBe.a. 1963 HAUSER e . a . 1 9 6 3 KOLK 1966

plaats, land_ aantal gemiddelde vrouwen menarcheleeftijd

auteur

EVERS
BOLK MEULEMAN STROINK SAMUELSSON

WILSON e.a. LETTING SIMELL BOJLÉN e . a . SWAAK KRAUe.a. VAN ‘T LAND en DE HAAS PETERS e . a . SVENNERUD

ISRAEL
SCHAR e . a .
SHILOH
RUSBACH e . a .
KOLK 1962

Leidene.o. 862 Amsterdam 1.965 Ned. Indie 189 Rotterdam 167 Finland

Zd-Engeland 3.000 Oslo 11.000 Finland 5.000 Kopenhagen 17.589 Maastricht 233 Slovenië 223

Nederland 1.484 Bombay 1.040 Zweden 890

India
Israel 1.000 Jeruzalem
Nederland 1.797 Rotterdam e . o . 463

U.S.A. 298 Israel 750 Arnheme.o. 542

16,1 (mediaan) 13 9/12
13,6
13,4

15 ±0,13

13,5
13,44
14,25 ±0,03
13,75
13 4/12 tot 14 1/12 13,61 ± 0,83

13ЦІ12 13-16 13,7

enquête

interview
88,7% der vrouwen had menarche voor 17e jaar

status quo-methode status quo-methode interview
status quo-methode

interview

status quo-methode

95,2 % der vrouwen had menarche voor 17e jaar

1959 1961 1961 1 9 6 1

13,4
13,29 ±0,43
13 9/12
13 8/12 (mediaan]1 status quo-methode

13,85 (mediaan)

12,4
13,4
13,68 (mediaan)

interview
96,8 % der vrouwen had menarche voor 17e jaar

interview

11

werden bijeengebracht. Een goede vergelijking van de diverse gepubliceerde me- narcheleeftijden is echter helaas niet mogelijk, doordat vele auteurs niet hebben vermoed of de door hun gevonden cijfers betrekking hebben op de mediane of de (rekenkundige) gemiddelde menarcheleeftijd.

1.2. Van de door ons, door middel van het interview-onderzoek, verkregen cijfers over de menarcheleeftijd, werden de uitkomsten van het Rotterdamse gedeelte van ons onderzoek reeds eerder gepubliceerd (KOLK, 1962). Voor een verslag hiervan moge kortheidshalve verwezen worden naar boven genoemde publikatie. Wel zullen de resultaten van het Rotterdamse onderzoek worden vergeleken met de bevindingen over de menarcheleeftijd uit het, in dit hoofdstuk uitvoeriger beschre- ven, Arnhemse deel van het interview-onderzoek.

In tabel 6 wordt een overzicht gegeven van de menarcheleeftijden bij de 542 vrouwen te Arnhem.

Tabel 6. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Arnhem, verdeeld naar de menarcheleeftijd

menarche- aantal leeftijd vrouwen

10,5 1 11.5 39 12,5 122 13,5 158 14,5 140 15,5 63 16,5 10 17,5 5 18,5 1

subtotaal 539 onbekend 2 geen menstr. 1

totaal 542

%

0,19

7,24 22,63 29,31 25,97 11,68

1,86 0,93 0,19

1 0 0 , –

cumulatieve frequentie in procenten

0,19

7.43 30,06 59,37 85,34 97,02 98,88 99,81

100,-

De cumulatieve frequentieverdeling van de menarcheleeftijden wordt gegeven in figuur A. In de tabellen wordt het klassemidden als menarcheleeftijd vermeld: 10,5 jaar betekent dus 10 tot 11 jaar. Bij de cumulatieve frequentieverdeling is de frequentie afgezet tegen het einde van de leeftijdsklasse: 11 jaar betekent dus 10 tot 11jaar.

De mediaan van de menarcheleeftijd van de Arnhemse vrouwen is 13,68 jaar. In het Rotterdamse gedeelte van het onderzoek was de mediane leeftijd, waarop de menarche plaatsvond 13,85 jaar.

Van de vrouwen te Arnhem bleek 98,9 % voor het 17e jaar te menstrueren, terwijl dit voor de vrouwen te Rotterdam bij 96,8 % van de vrouwen het geval was.

12

Figuur Α. Cumulatieve frequentieverdeling der menarcheleeftijden bij S39 vrouwen uit het interviewonderzoek te Arnhem.

600

из 100%

500

400 300

200 100

  1. MENARCHELEEFTUD EN GEBOORTEJAAR

2.1. Verschillende auteurs wijzen op het verschijnsel, dat de menarche in de loop van dejaren vroeger is gaan optreden, LETTING(1952) vermeldt, dat per decennium een vervroeging plaats vindt van ongeveer 6 maanden, SIMELL (1952) vond in Finland, dat de eerste menstruatie in het verloop van tien jaren, 4 maanden vroeger was gaan optreden.

BOLK (1923) berekende op grond van zijn, haast klassiek geworden, onderzoek bij meer dan 1800 vrouwen een gemiddelde menarcheleeftijd van 15 jaar en 3 maanden voor vrouwen, die geboren waren vóór 1880 en van 13 jaar en 9 maanden voor vrouwen, die tussen 1897 en 1906 geboren waren. Een vergelijking van de menarcheleeftijden bij 45 moeders met die van hun dochters bracht aan het licht, dat de laatsten gemiddeld 10 maanden jonger waren dan hun moeders, toen de eerste menstruatie zich manifesteerde.

HAUSER e.a. (1961) schreven, dat de geslachtsrijpe periode bij vrouwen te Bazel in 50jaar tijds met ongeveer 3jaren was verlengd. Dit was volgens hen in hoofdzaak het gevolg van het vroeger optreden van de menarche.

Uit een Nederlands onderzoek van EVERS, verricht bij 862 vrouwen uit Leiden en omgeving in 1873, blijkt, dat 58 % van de vrouwen in die tijd de eerste menstrua- tie kregen tussen het 15e en het 18e jaar en 21 % zelfs pas na het 18e jaar. Slechts 49,3 % van de vrouwen menstrueerden voor het 17e jaar.

2.2. Om een mogelijke invloed van de leeftijd op het menarchetijdstip na te gaan werden de Rotterdamse vrouwen gesplitst in een groep, die op het moment van de ondervraging nog geen 25 jaar waren en een groep, die op dat ogenblik 25 jaar of ouder waren. Er bleek tussen deze beide categorieën een significant verschil in

IO И 1213141516171819 Menarchelecftljd >

SOId

13

de (rekenkundig) gemiddelde menarcheleeftijd te bestaan. Bij de vrouwen, die jonger waren dan 25 jaar trad de eerste menstruatie gemiddeld 0,43 jaar vroeger op dan bij de vrouwen uit de oudere categorie.

Eenzelfde procedure werd gevolgd voor de 539 vrouwen te Arnhem, van wie de menarcheleeftijd bekend was (tabel 7). Voor de 493 vrouwen, die jonger waren dan

Tabel 7. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Arnhem, verdeeld naar de menarcheleef- tijd en leeftijd bij het onderzoek

menarche- leeftijd

10,5 11,5 12,5 13,5 14,5 15,5 16,5 17,5 18,5

subtotaal onbekend geen menstr.

totaal

< 25 jaar vrouwen

1 36 112 149 127 56 7 4 1

493 2 1

496

> 24 jaar aantal

vrouwen %

3 6,5 10 21.7 9 19,6 13 28,3 7 15,2 3 6.5 1 2.2

46 100,-

46

aantal

25 jaar, bedroeg de (rekenkundig) gemiddelde menarcheleeftijd 13,69 ±0,11* jaar en voor de 46 vrouwen, die 25 jaar of ouder waren 14,02 ± 0,43. Alhoewel dit onderzoekresultaat in dezelfde richting wijst als te Rotterdam gevonden werd, blijkt, dat dit verschil van 0,33 jaar met de t-toets voor 2 steekproeven niet signifi-

cant genoemd mag worden (P = 0,09) (tabel 8).

Tabel 8. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de leeftijd bij het onderzoek en de (rekenkundige) gemiddelde menarcheleeftijd met de 95%- betrouwbaarheidsintervallen

Rotterdam

14,31 ± 0,33 13,88 ± 0,14

alle vrouwen
‘95% betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.

14

Arnhem

14,02 ± 0,43 13,69 ± 0,11

13,72 ± 0,11

vrouwen > 25 jaar vrouwen < 25 jaar

ondervragingsleeftijd

%

0,2

7,3 22,7 30,2 25,8 11,4 1.4 0,8 0.2

100,-

gemiddelde menarcheleeftijd

13,99 ± 0,13

In Rotterdam werd voor 407 vrouwen, die geboren waren tussen 1926 en 1945 een zeer significante daling in de gemiddelde menarcheleeftijden per geboortejaar gevonden (P < 0,001). Deze daling bedroeg gemiddeld 0,7 jaar per decennium.

Te Arnhem was van 362 vrouwen het geboortejaar bekend (tabel 9). Wegens het geringe aantal vrouwen, die geboren waren voor 1934 of na 1948 werden deze niet betrokken in de verdere berekening. Voor de vrouwen, die geboren waren in de periode 1934 tot en met 1948 werden de gemiddelde menarcheleeftijden per ge- boortejaar berekend met de 95 %-betrouwbaarheidsintervallen. Voor deze categorie vrouwen werd geen significant verloop van de menarcheleeftijd met het geboortejaar aangetoond (figuur B).

Tabel 9. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Arnhem geboren van 1926 t/m 1949, verdeeld naar geboortejaar en menarcheleeftijd

1938 1939 1940 1941 1942 1943 1944 1945 1946 1947 1948 1949

totaal

2221 7 3121 7 213 1 7

menarcheleeftijd

12,5 13,5 14,5 15,5 16,5 17,5 18.5 aantal vrouwen

geboortejaar

1926
1927
1928
1929
1930
1931
1932
1933
1934
1935
1936
122 5 1937

10,3 11.5

1 1

1 1

1 1

11 2 11 2 11121 6 11 2

27413 1 18 22822 1 17 27117611 35 1 7 18 4 4 1 35 26131484 47 51513147 54

1 4 14 20 19 5 63 2 6 19 8 3 38 32431 13

1 1

1 25 78 117 85 45 7 3 1 362

15

Figuur В. Regressielijn van de gemiddelde menarcheleeftijd met de 95 /¿-betrouwbaarheids- intervallen per geboortejaar van de vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam (KOLK, 1962) en te Arnhem

17,5

16.5

15.S

14.5

13.5

12.5

11.5

ias

RotUrdam

1111

1926 ’28 -30

  • 34 ’36 ‘3β 40 ’42 ’44 ’46 ‘4β
  1. MENARCHELEEFTIJD ΕΝ RAS

BOLK heeft in zijn reeds eerder gememoreerde onderzoek getracht eventuele ras- verschillen aan te tonen. Hij gebruikte als criterium voor het rasverschil de kleur van de iris der ogen. Vrouwen met blauwe ogen zouden behoren tot het ras van de Homo Nordicus en vrouwen met bruine ogen tot de Homo Alpinus. Voorts had hij de beschikking over de gegevens van 165 joodse vrouwen. Hij vond de volgende gemiddelde menarcheleeftijden:

joodse vrouwen Homo nordicus Homo alpinus

13 jaar en 3 maanden 13 jaar en 5 maanden 14 jaar en 4 maanden

SCHAR en RIEBER (1961) zagen bij hun onderzoek in Israël geen significante verschil- len tussen de vrouwen uit verschillende etnologische groeperingen,

SHiLOH (1961) zag in Jeruzalem een significant vroegere menarche optreden bij meisjes wier vaders in Europa of Amerika geboren waren dan bij degenen, wier vaders in Afrika of Azië geboortig waren.

In ons eigen onderzoek te Rotterdam bevonden zich onder de 462 vrouwelijke sollicitanten 22 vrouwen van afwijkend ras, te weten: 12 halfbloed Indonesische, 6 halfbloed Chinese, 1 Chinese, 2 Ambonnese vrouwen en 1 Surinaamse vrouw. De mediane menarcheleeftijd voor deze 22 vrouwen bedroeg 13,45 jaar tegen 13,85 jaar voor alle vrouwen tezamen.

16

Л—

–“,^. /’1··τ

Γ τ

Arnhe

[Μ’ \\\. 1J

1′

  1. MENARCHE EN LICHAAMSBOUW

4.1. PLATE (1955) schrijft, dat vrouwen met een pycnische lichaamsbouw over het algemeen vroeger gaan menstrueren dan de vrouwen met een asthenische habitus. Bij 1113 leptosome vrouwen vond WALLAU (1939), een gemiddelde menarche- leeftijd van 15 jaar en 3 maanden en bij 751 vrouwen met een pycnische habitus

14 jaar en 7 maanden.
In ons onderzoek te Rotterdam werd een gelijkgericht verschil gevonden tussen

de menarcheleeftijden van asthenische en pycnische vrouwen (tabel 10). Het ver- schil tussen pycnicae en asthenicae en zelfs het verschil tussen de pycnische en de ‘atletische’ vrouwen bleek significant te zijn. Uit een cumulatieve frequentiever-

Tabel 10. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar lichaamsbouw, gemiddelde menarcheleeftijd met de 95/¿-betrouwbaarheidsintervallen en de mediane menarcheleeftijd

asthenicae ‘athleticae’ pycnicae

93 14,23 0,13 14,1 265 13,99 0,09 13,8 46 13,43 0,19 13,4

63 13,75 1,20 438 13,73 1,27 37 13,61 1,17

13,80 13,68 13,58

Rotterdam

gemiddelde menarcheleeftijd mediaan

A rnhem

gemiddelde menarcheleeftijd mediaan

ηη
X
Sx XSx

Tabel II. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Arnhem, verdeeld naar de menarcheleeftijd en de lichaamsbouw

. lenarche-

leeftijd

10,5 11,5 12,5 13,5 14,5 15,5 16,5 17,5 18,5

37 100,- onbekend 2geenmenstr. – – 1 – – –

asthenicae ‘athleticae’ pycnicae onbekend totaal n%n%n%n %n%

1 1,6 —-

1 0,15 39 7,2 122 22,6 158 29,3 140 26,- 63 11.7 10 1,9 5 1,-

1 0,15 539 100,-

5 8,- 31 7,1

8 12,7 105 23,7 22 34,9 123 28,1 17 27,- 114 26,- 10 15,8 50 11,4

9 2,1 5 1,2 1 0,4

3 8,1

8 21,6 13 35,1 9 24,3 3 8,1 1 2,8 — —

subtotaal 63 100,- 438 100,-

totaal 63 -44i_37 ι – 542

17

deling bleek, dat 46,2 % van de 93 asthenische vrouwen en 67,4 % van de 46 pycni- sche vrouwen uit dit deel van ons onderzoek reeds voor het 14e jaar menstrueerden, ondanks het feit, dat de spreiding der leeftijden in beide groepen vrijwel gelijk was. 4.2. Van 539 vrouwen te Amhem hadden 63 een asthenische en 37 een pycnische lichaamsbouw (tabel 11). De gemiddelde leeftijd van de vrouwen in deze groepen waren resp. 18,9 jaar en 20,3 jaar.

Tengevolge van het reeds eerder geconstateerde ontbreken van een verloop in de gemiddelde menarcheleeftijd bij de Arnhemse vrouwen met het geboortejaar, zal de leeftijd hier echter weinig of geen invloed op het menarchetijdstip uitoefenen.

Alhoewel tussen de gemiddelde menarcheleeftijden van de asthenische en de pycnische vrouwen wel een (zeer gering) verschil bestaat, dat gelijkgericht is aan het verschil te Rotterdam (tabel 10), blijkt dit bij toetsing met de toets van Kruskal- Wallis niet significant te zijn.

Uit de cumulatieve frequentieverdeling blijkt, dat 57,2% van de asthenische vrouwen en 64,9% van de pycnische vrouwen, voor het 14e jaar menstrueerde.

  1. MENARCHE EN SCHOOLOPLEIDING

5.1. Diverse auteurs wijzen op het verschil in menarcheleeftijd tussen vrouwen van verschillende sociale groeperingen.

SHiLOH (1961) vond in de lagere sociale milieus een later menarchetijdstip dan in de hogere, BOJLÉN (1954) zag de menarche bij de meisjes uit sociaal lagere milieus gemiddeld 0,15 jaar later optreden dan bij de de meisjes uit de hogere sociale lagen van de bevolking, SIMELL (1952) vermeldt op grond van onderzoek, dat dochters van intellectuelen bijna 4 maanden eerder menstrueerden dan dochters van hand- werkslieden.

In een door WINKLER en SCHLUCK (1952) aangehaald onderzoek van Skerlj in 1943 wordt vermeld, dat meisjes uit de hogere sociale milieus eerder begonnen te menstrueren dan meisjes uit lagere milieus.

Bij de verantwoording van het interview-onderzoek (hoofdstuk 1, paragraaf 3) werd reeds gewezen op het feit, dat, naar onze mening, de gevolgde schoolopleiding enigermate een afspiegeling is van de sociale status van het gezin, waaruit een meisje afkomstig is. In het reeds eerder gepubliceerde onderzoek bij de Rotterdamse vrouwen (KOLK, 1962) was de gemiddelde menarcheleeftijd van 135 vrouwen, die alleen lager onderwijs gevolgd hadden 14,14 ± 0,26 jaar en van 322 vrouwen met

Tabel 12. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Arnhem, verdeeld naar de menarcheleeftijd en de schoolopleiding

Lager Onderwijs V oortgezet

Onderwijs

totaal

menarcheleeftijd
10,5 11,5 12,5 13,5 14,5 15,5 16,5 17.5 18,5 totaal

1 21 44 62 64 21 5 2 1 221 – 18 77 96 76 42 5 3 – 317

1 39 121 158 140 63 10 5 1 538

18

voortgezet onderwijs (ULO, HBS, e.d.) 13,92 ± 0,15 jaar. Bij toetsing bleek dit vel- schil niet significant te zijn.

5.2. Van 538 vrouwen uit het Arnhemse gedeelte van ons onderzoek was zowel de menarcheleeftijd als de gevolgde schoolopleiding bekend (tabel 12). De 221 vrou- wen, die alleen lager onderwijs volgden, hadden een gemiddelde menarcheleeftijd van 13,70 ± 0,16 jaar. De 317 vrouwen, die tevens een voortgezette opleiding volgden, hadden een gemiddelde menarcheleeftijd van 13,73 ± 0,14 jaar. Het verschil tussen beide groepen vrouwen is zo gering, dat op grond hiervan geen verband tussen het menarchetijdstip en de schoolopleiding kan worden aan- genomen.

  1. BESPREKING EN SAMENVATTING DER ONDERZOEKRESULTATEN

6.1. De mediaan van de menarcheleeftijd bedroeg voor de Rotterdamse vrouwen 13,85 jaar en voor de Arnhemse 13,68 jaar.

Van de vrouwen te Rotterdam menstrueerden 96,8% en van de Arnhemse vrouwen 98,9% voor het 17e levensjaar.

6.2. Voor het bestaan van een verlaging van het menarchetijdstip in de loop der jaren, kunnen uit ons onderzoek enkele argumenten aangevoerd worden.

  1. Er bleek een verschil in de gemiddelde menarcheleeftijd te bestaan tussen de vrouwen, die op het moment van de ondervraging jonger waren dan 25 jaar en zij, die 25 jaar of ouder waren.
    Bij de Rotterdamse vrouwen lag het menarchetijdstip significant vroeger bij de vrouwen, die jonger dan 25 jaar waren dan bij de oudere vrouwen. In Arnhem bestond een gelijkgericht verschil in gemiddelde menarcheleeftijd tussen de beide leeftijdsgroepen, doch dit bleek niet significant te zijn.
  2. Bij de berekening van de gemiddelde menarcheleeftijd voor de Rotterdamse vrouwen, die in het zelfde jaar geboren waren, werd voor degenen, die in de jaren 1925 tot 1945 het levenslicht aanschouwden, een zeer significante daling van de gemiddelde menarcheleeftijd met het geboortejaar van 0,7 jaar per decennium gevonden.

Voor de vrouwen te Arnhem, die geboren waren in de periode 1934 tot 1949, kon echter geen significante verlaging aangetoond worden.

6.3. Voor 22 vrouwen van een zuiver gemengd of zuiver oosters ras uit het onder- zoek te Rotterdam werd een iets vroegere mediane menarcheleeftijd gevonden dan voor alle vrouwen tezamen.

6.4. In ons onderzoek kon voor de Rotterdamse vrouwen een significant verband tussen lichaamsbouw en menarchetijdstip aangetoond worden, in die zin, dat de vrouwen met een pycnische habitus gemiddeld vroeger gingen menstrueren dan de vrouwen met een asthenische lichaamsbouw.

Een gelijkgericht verschil bleek ook bij de Arnhemse vrouwen te bestaan, doch hierbij was het verschil zo gering, dat geen significantie bleek te bestaan.

19

6.5. Een verband tussen het menarchetijdstip en de genoten schoolopleiding kon zowel voor de Rotterdamse als de Arnhemse vrouwen niet gevonden worden.

6.6. Als de onderzoekresultaten van de Rotterdamse en de Arnhemse met elkaar vergeleken worden, blijken er geen essentiële verschillen tussen de vrouwen uit beide steden te bestaan. Het feit echter, dat geen van de conclusies, welke uit het Rotter- damse gedeelte van het onderzoek te trekken zouden zijn, door de Arnhemse gegevens ondersteund werden, stemt tot nadenken. Nader onderzoek in de toe- komst is zeker geboden.

20

HOOFDSTUK 3 DE MENSTRUATIE

  1. INLEIDING

De bloeding als afsluiting van een menstruele cyclus is een gebeuren, dat zich behalve bij de mens slechts bij de primaten onder de zoogdieren manifesteert. Er zijn echter vrouwen bekend, die, ondanks het ontbreken van menstruele bloe- dingen, dezelfde cyclische veranderingen in het uterusslijmvlies blijken te vertonen als normaal menstruerende vrouwen en in staat zijn op normale wijze kinderen te krijgen.

Er bestaat in de literatuur nog steeds geen eenstemmigheid over hetgeen onder het begrip menstruatie moet worden verstaan. Speciaal in de Angel-Saksische literatuur (o.a. CURTÍS, 1944) wordt nog wel de opvatting verdedigd om iedere periodiek optredende bloeding per vaginam, welke met beperkt bloedverlies ge- paard gaat, menstruatie te noemen. De meeste auteurs echter reserveren de term menstruatie voor de bloeding, welke optreedt als sluitstuk van een bifasische cyclus in het ovarium, te weten een follikelrijpingsfase en een luteale fase met als moment van overgang de ovulatie en de daarmee gepaard gaande veranderingen in het slijmvlies van het corpus uteri en de oestrogenen-progesteronhormoon- balans.

FLUHMANN (1956) omschrijft de menstruatie als een cyclische uterusbloeding, welke optreedt als een normaal fysiologisch proces tussen de menarche en de menopauze, welke wordt voorbereid door de ontwikkeling van een follikel, ovu- latie en de daaropvolgende corpus-luteumvorming.

Alhoewel een bespreking van het mechanisme der menstruele bloeding en de hypothesen daarover enigszins buiten het kader van dit geschrift valt, kan daar toch niet geheel aan worden voorbijgegaan.

De directe aanleiding tot de bloeding moet gevonden worden in het te gronde gaan van een corpus luteum, tengevolge waarvan een vrij plotselinge daling in de concentratie van oestrogène stoffen en progesteron ontstaat. Het is echter nog een onbeantwoorde vraag in hoeverre de menstruatie voor rekening van de daling van deze hormoonspiegels komt. o. w. SMITH (1950) citeert Engle, die stelde: „it may be a mistake to say that the withdrawal of one of the hormones causes menstru- ation; rather such a lack of hormone permits changes in the endometrium and bloodvessels, which result in the bleeding”.

Tot de vermeerdering van de kennis over de veranderingen, welke optreden in het endometrium gedurende de menstruele cyclus hebben vooral BARTELMEZ (1933) en MARKEE (1940) met hun experimenten zeer veel bijgedragen. De laatste bestudeerde de cyclische veranderingen in het uterusslijmvues door stukjes endometrium in de voorste oogkamer van een aap te implanteren. Hij zag ongeveer twee dagen voor de te verwachten menstruele bloeding, synchroon met de

Menstruatie: de bloedige tranen van een teleurgestelde uterus.

(toegeschreven aan MPPOKRA- TES)

21

regressie van het corpus luteum en de daarmee gepaard gaande daling van de oestrogenen- progesteronspiegel, een verminderde bloeddoorstroming en secretie van het endometrium met als gevolg het dunner worden van de functionele laag van het slijmvlies door verdwijnen van vocht uit het stroma. Door deze schrompeling worden de artenolae, welke zich in de lamina functionalis van het endometrium bevinden, relatief te lang en gaan zij zo sterk kronkelen, dat een hemostasis optreedt Er ontstaat dan een weefselischemie, welke aanleiding geeft tot vaso- constrictie; een fokale necrose van het endometrium en de vaatwanden is het gevolg, welke zich als een kettingreactie over het gehele slijmvlies uitbreidt. Op deze wijze zou de gehele functionele laag van het uterusslijmvbes bij een normale menstruatie in het verloop van 2 tot 4 dagen geheel zijn afgestoten.

Ondanks het feit dat, door de experimenten van BARTELMEZ, MARKEE en ook van o w. en G. v. s SMITH, veel bekend is geworden over het mechanisme van de menstruele bloeding, blijven nog vele vragen onbeantwoord. ISRAEL (1959) vermeldt enkele van de vragen, welke nog op beantwoording wachten, zoals onder andere wat het aandeel is van de daling der oestrogenen- progesteronspiegel bij het ontstaan van de bloeding. De auteur wijst hierbij op het feit, dat zonder corpus luteum ook cyclische (anovulatoire) bloedingen kunnen optreden en voorts, dat de regressie van het corpus luteum alleen bij de mens en enkele primaten wordt gevolgd door een desquamatie van een deel van het endometrium, welke met een bloeding gepaard gaat.

Om een periodiek optredende vaginale bloeding menstruatie te mogen noemen is dus – per definitie – het optreden van de ovulatie en de daarop volgende corpus luteumvorming in het ovarium essentieel. Het onderscheiden van anovulatoire en ovulatoire bloedingen heeft zeker niet alleen academische waarde. De differentiatie is bijzonder belangrijk voor de gynecoloog, onder andere in het kader van het onderzoek naar de oorzaak van kinderloosheid. Uiterlijk zijn de beide vormen vaak niet van elkaar te onderscheiden, daar de anovulatoire bloedingen zowel in patroon als in de mate van bloedverlies geheel kunnen gelijken op een echte menstruatie.

Voor de differentiatie tussen de beide vormen van periodiek optredende vaginale bloedingen wordt gebruik gemaakt van:

  1. Het eventueel optreden van de zogenaamde middenpijn ten tijde van de ovulatie.

Alleen als dit verschijnsel aanwezig is, kan er enige waarde aan toegekend

worden.

  1. Het opnemen van de basale-temperatuurscurve, waarbij ’s ochtends voor het

opstaan gedurende vier minuten de rectale of vaginale temperatuur wordt 0

gemeten. In de progesteronfase zal deze basale temperatuur veelal 0,3 tot 0,5 C

hoger blijken te zijn dan in het overige deel van de cyclus.

  1. De varenproef. Het ten tijde van de ovulatie opgevangen cervixslijm kristalli-

seert op een objectglaasje uit in de vorm van varens.

  1. De bepaling van het glucosegehalte van cervixslijm. DOYLE (1958) beschreef

deze eenvoudige methode, welke hij baseerde op de wetenschap, dat het glu- cosegehalte van cervixslijm bij de ovulatie vrij plotseling toeneemt. Dit glucose zou afkomstig zijn uit de liquor folliculi, welke bij het barsten van de follikel vrijkomt. Door middel van een stukje glucosetesttape, wat aangebracht wordt op de top van een vaginale tampon, kon hij het al of niet optreden van deze glucosevermeerdering waarnemen.

  1. Microcurettage. De meest zuivere methode van differentiatie is het cytologisch onderzoek van uterusslijmvlies, wat tijdens de fluxus door middel van micro- curettage werd verkregen. Geheel ongevaarlijk is deze methode echter niet, vanwege de mogelijkheid van perforatie van de uteruswand en het inbrengen

22

van infectieuze ziektekiemen in het lumen van de uterus door de curette. Bij het waarderen van de resultaten van het differentiaal-diagnostisch onderzoek moet men bedacht zijn op het feit, dat bij iedere vrouw normale menses afge- wisseld worden met monofasische cycli. Men kan daarom, als een anovulatoire cyclus gevonden wordt, niet volstaan met een enkel onderzoek. Een onderzoek van enkele achtereenvolgende cycli is nodig.

  1. HET MENSTRUATIEPATROON

Volgens TŒTZE (1952) is het klinische teken van een goed functionerende genitale cyclus bij de vrouw: de normale menstruatie, welke gekenmerkt wordt door:
1. een regelmatige terugkeer om ongeveer vier weken,
2. een middelmatige sterkte van de fluxus en

  1. een duur van ten hoogste 4 tot 6 dagen.

Een absolute regelmaat van zowel de duur van de menstruele cyclus als de duur van de menstruatie is een fictie. Volgens Fränkel, die geciteerd wordt door TTETZE (1952), is het enige regelmatige van de menstruatie de onregelmatigheid. ISRAEL (1959) beschouwt de absoluut regulaire cyclus als een zo grote zeldzaamheid, dat hij van een mythe en een medische curiositeit spreekt, FLUHMANN (1956) citeert een uitspraak van Holt uit 1935, die een vrouw met een absoluut regelmatig menstrua- tiepatroon een ‘Märchenprinzessin’ noemt.

coppEN en KESSEL (1963) vonden bij hun onderzoek door middel van vragen- lijsten, welke toegezonden werden aan 500 vrouwen, dat 1 van de 7 vrouwen zeer onregelmatige cycli had. ALLEN verrichtte in 1933 een onderzoek bij 131 jonge vrouwen, waaruit bleek, dat na het registreren van de perioden ook bij de 87 vrouwen, die hadden opgegeven, dat zij regelmatig menstrueerden, een irregulari- teit bestond, welke niet alleen de duur van het interval doch tevens het aantal dagen en de hoeveelheid verloren bloed betrof, SCHOENECK (1957) bleek, dat een derde van ongeveer 2000 vrouwen niet dezelfde cyclusduur opgaf als ze met een

tussenruimte van 2 of meer jaren daarnaar gevraagd werden. Hij verzuchtte dan ook: „Obtaining true knowledge of the ‘normal’ or ‘average’ menstrual history of a group of women necessitate a menstrual diary from puberty to menopause”.

Speciaal in de eerste jaren na de menarche zijn de menstruele cycli vaak onregel- matig. Doch ook daarna varieert de duur van de ‘normale’ menstruele cyclus tussen zekere grenzen, doordat zowel de follikelfase als de corpus luteumfase enigszins in lengte kunnen variëren.

Ook volgens ISRAEL (1959) is de lichte aritmie van de menstruele cyclus op jongere leeftijd duidelijker uitgesproken dan op oudere leeftijd.

DRiLLiEN (1946) vond bij 15,2% van de vrouwen, die jonger waren dan 20 jaar zodanige onregelmatige cycli, dat niet kon worden aangegeven, wanneer de vol- gende menstruatie verwacht werd. Van de vrouwen van 20 tot en met 27 jaar had 18,2 % een onregelmatige cyclusduur en van de vrouwen, die ouder waren dan 27 jaar, 10,5%.

Psychogene prikkels kunnen het menstruele ritme volledig verstoren. Schrik of emotie kunnen een op gang zijnde menstruatie doen stoppen of een verwachte menstruatie enige tijd doen wegblijven. Zeer bekend is het uitstel van de menstrua- tie tengevolge van de vrees voor een mogelijke graviditeit.

23

  1. MENSTRUELE CYCLUS

TiETZE (1952) noemt de duur van de menstruele cyclus normaal als deze ligt tussen 24 en 32 dagen.

AREY (1939) berekende uit 20.000 kalenderopgaven van de cyclusduur van 1500 vrouwen en meisjes uit verschillende delen van de wereld een gemiddelde cyclus- lengte van 28,4 dagen. De meest voorkomende lengte was 27 dagen (namelijk bij 17.652 cycli van 1265 vrouwen), BJÖRNSON (1937) berekende uit 4900 menstruatie- opgaven van 180 leerling-verpleegsters een gemiddelde duur van de menstruele cyclus van 28,9 dagen. Bij 747 cycli van een groep Californische meisjes van 18 tot 29 jaar, zag FLUHMANN (1956) een variatie in de cycluslengte van 10 tot 144 dagen. Voor de meest voorkomende lengteduur golden de volgende frequenties :

24 25 26 27 28 29 30 31 dagen 28 36 52 60 72 73 57 47 cycli.

ISRAEL (1959) vond, dat 80% van 3135 in goede gezondheid verkerende vrouwen menstrueerden met tussenpozen van 26 tot 34 dagen met een gemiddelde interval van 28,6 dagen. Bij slechts 3% waren de cycli korter dan 26 dagen en 17% had duidelijk irregulaire cycli of amenorrhoe. Deze auteur beschouwt cycli van 21 tot 40 dagen ab fysiologisch, NAVARRO MARTÍNEZ (1962) vond bij 316 vrouwen een gemiddelde menstruele cyclusduur van 28,2 dagen, STROINK (1942) zag als menstrue- le cycluslengte bij 125 vrouwen ty tot 4^ week, bij 11 vrouwen 3 tot 3$ week, bij 2 vrouwen 4i tot 5 weken en bij 29 vrouwen zeer onregelmatige cycli.

SCHRÖDER (1953) vond, dat slechts 5 tot 8% der vrouwen regelmatig alle 28 dagen menstrueert. Bij de meeste vrouwen traden variaties op van 3 tot 4 dagen. VOLLMAN (1956) verzamelde 21.499 kalenderopgaven van menstruele cycli bij 592 gezonde vrouwen in Zwitserland. De gemiddelde cycluslengte bleek 29,22 dagen te bedragen. Deze auteur vond, dat 80,1 % van de cycli 24 tot 34 dagen duurden, 10,2% langer dan 34 dagen en 9,7% korter dan 24 dagen. De kortste cyclus duurde 6 dagen, de langste 409 dagen. De gemiddelde cycluslengte bleek tussen het 11e en het 20e jaar te dalen van 30,9 tot 28,5 dagen; tussen het 21e en het 28e jaar trad een lichte verlenging op en van het 29e tot het 43e jaar weer een verkorting van de cyclusduur. De variabiliteit van de cycluslengte daalde bij het

ouder worden.
Voor de berekening van het ovulatietijdstip in verband met het bepalen van het

tijdvak voor periodieke onthouding als middel voor geboortebeperking, meende KNAUS (1929), dat de lengte van 12 achtereenvolgende cycli bekend moet zijn om een redelijke voorspelling te kunnen doen. In verband met een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de ‘rekenmethode’ voor periodieke onthouding, heeft SEELEN (1963) de anamnestische gegevens over de menstruele cyclusduur van 1000 fertiele vrouwen bewerkt. Hij vond een spreiding van 3 of minder dagen bij 88,9% der vrouwen; een spreiding van 5 dagen bij 3,2%, een spreiding van 7 dagen bij 3,7% en een spreiding van meer dan 1 week voor de duur van de menstruele cyclus bij 4,2 % der vrouwen.

Ook MARSHALL (1965) deed een onderzoek naar de voorspelbaarheid van de lengte van de menstruele cycli. Uit de gegevens van 4593 cycli alkomstig van 452 gezonde vrouwen bleek, dat in 64 % van de gevallen een redelijk goede voorspelling gedaan kon worden als de drie voorgaande cycluslengten bekend waren. De voor- spelling bleek in 90% der gevallen goed te zijn, wanneer 12 voorgaande cycli

24

bekend waren. Bij de vrouwen van 22 tot en met 24 jaar was de voorspelbaarheid het moeilijkst door de grote variabiliteit van de cyclus in deze leeftijdsgroep, maar bij de vrouwen ouder dan 24 jaar bleek het cycluspatroon vrij constant te zijn.

In het kader van zijn enquête over de huwelijksbeleving bij jonggehuwden, stelde TIMMERMANS (1964) ook een vraag over de duur van de langste en de kortste menstruele cyclus. Uit 374 bruikbare antwoorden berekende hij de variatiebreedte van de cycli en kwam tot de volgende cijfers :

0-3 dagen bij 62,1% der vrouwen, 6-7 dagen bij 11,8% der vrouwen, 4-5 dagen bij 15,5% der vrouwen, > 7 dagen bij 10,6% der vrouwen.

3.1. Eigen onderzoek betreffende de menstruele cyclus

Bij de bewerking van de door ons verkregen gegevens over de menstruele cyclus uit het interview-onderzoek bleek, dat ondanks de nauwkeurigheid waarmee de navraag werd verricht, ook onze resultaten met de interview-methode geen be- trouwbaar beeld van het werkelijk verloop van de menstruele cyclus gaven. We hebben getracht de nauwkeurigheid te bereiken door, voor wat betreft de variabili- teit in de duur van de menstruele periode, ieder antwoord op de vraag over de tijd, welke lag tussen twee menstruaties, te toetsen aan het criterium ‘Kunt U de klok erop gelijk zetten?’ De resultaten van ons onderzoek doen echter vermoeden, dat zelfs het toetsen van ieder antwoord aan dit criterium nog ruimte liet voor onnauw- keurigheid in de beantwoording.

Van de 392 ongehuwde vrouwen te Rotterdam gaven er 153 (39 %) ten antwoord, dat zij een cyclus met een constante duur hadden en van de 528 ongehuwden te Amhem 365 (69%). Beide uitkomsten moeten op grond van literatuurgegevens geacht worden, aan de hoge kant te zijn.

Het grote verschil in het aantal vrouwen met een constante duur tussen Rotter- dam en Amhem is naar onze mening niet te verklaren uit biologische verschillen tussen de beide categorieën van vrouwen. Veeleer moet hierbij gedacht worden aan een minder nauwkeurige vraagtechniek in het Arnhemse gedeelte van het onder- zoek.

Voor zover het de interviews betreft, welke door onszelf werden afgenomen, is enig verschil in vraagtechniek niet aannemelijk. In Amhem werd echter wegens tijdgebrek een deel van de sollicitanten op drukke keuringsdagen over de menstrua- tie ondervraagd door een – steeds dezelfde – bedrijfsverpleegster. Ondanks uit- voerige instructies wat betreft de vraagtechniek en de te betrachten zorgvuldigheid bij het interview is het (achteraf!) begrijpelijk, dat deze verpleegster minder nauw- keurig te werk is gegaan bij de tijdrovende ondervraging en eerder genoegen nam met een in haar ogen bevredigend antwoord dan de onderzoeker.

Op grond van onze twijfel aan de nauwkeurigheid van de resultaten van ons onderzoek over het werkelijke beloop van de menstruele cycli, gingen wij niet verder dan aan te nemen, dat de vrouwen, die zeiden, dat de menstruele cycli altijd even lang duurden, zeer waarschijnlijk een minder onregelmatige cyclus zullen gehad hebben dan de vrouwen, die verklaarden, dat er wel variatie in het beloop van hun cycli bestond. Om deze reden werd in de tabellen het woord constant tussen aanhalingstekens geplaatst.

3.1.1. Duur van de menstruele cyclus. Voor de bepaling van de duur van de men- struele cyclus werd gebruik gemaakt van de opgaven der vrouwen, die een con-

25

stante cyclusduur zouden hebben. Tabel 13 geeft een overzicht van de verschillen in menstruele cyclusduur, zoals deze bij 180 Rotterdamse en 377 van de door ons onderzochte Arnhemse vrouwen werden aangetroffen. In tabel 14 worden deze gegevens samengetrokken tot drie klassen. Deze indeling in klassen werd ook bij de verdere bewerking van de gegevens gebruikt.

Bij 85 % van de Rotterdamse en 86 % van de Arnhemse vrouwen met een (vrijwel) constante cyclus, duurde de menstruele cyclus 28, 29 of 30 dagen bij 10,6% resp. 11,7% 27 dagen of korter en bij 3,2% resp. 3,3% 31 dagen of langer.

Het verband tussen de duur van de menstruele cyclus en de burgerlijke staat of de pariteit was moeilijk na te gaan door het zeer geringe aantal gehuwden, met een ‘constante’ duur van de cyclus (tabel 15).

Tabel 13. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, met een ‘constante’ cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus

totaal aantal vrou-

duur van de menstruele cyclus in dagen 2021222324252627 2829 30313233343536373839404142>42

wen Rotterdam 2 6 – 2 – 3 5 1 141 1 13 4 – 180

Arnhem

1 6 2 1 3 15 12 4 156 3 162 1 5 – 5 – – 377

Tabel 14. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus

Rotterdam Arnhem

6 (3,3%) 180 12 (3,2%) 377

< 2 7

19 (10,6%) 44 (11,7%)

28 t/m 30

155 (86,1%) 321 (85,1%)

> 3 1

duur van de menstruele cyclus in dagen

totaal

aantal vrouwen

Tabel 15. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante, cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus, burgerlijke staat en pariteit

Rotterdam

Arnhem

26

16

21

2 155 6

2 180

duur van de menstruele cyclus
in dagen

ongehuwd

gehuwd

met pariteit kinderen onbekend

totaal aantal

vrouwen

<27 14
28 t/m 30 134 3

3*31 5 1 totaal 153 4

«27 42 28 t/m 30 311

>31 12

totaal 365

5 19

zonder kinderen

2 44 2 8 321 12

2 10 377

Er is een zwakke aanwijzing, dat de verhouding tussen het aantal vrouwen met een korte en het aantal met een ‘normale’ cyclusduur (i.e. 28, 29 of 30 dagen) te Rotterdam bij de gehuwde vrouwen met kinderen lager is dan bij de ongehuw­ den. (P = 0,07 ; toets voor een 2 χ 2-tabel binomiaal benaderd).

Een overzicht van de duur van de menstruele cyclus, waarbij de ongehuwde vrouwen naar leeftijd werden verdeeld, is te vinden in tabel 16. Een verband van de leeftijd met de cyclusduur kon bij toetsing niet aangetoond worden.

Tabel 16. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus en de leeftijd

leeftijd

< 27

Rotterdam
28 t/m 30 > 31

totaal

< 27

Arnhem
28 t/m 30 > 31 totaal

14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30 31
112 32

552360 7 61 2 70 44044

33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43

totaal

1 1 2

1 1 2 2

2 2

1 1 2 1 1

14 134 5 153

42

311 12 365

11 66329133

225128 3 24 2 29 216119

11 11640248

2 11 13 2 5 1 8 8 8 8 8 3 3 1 1 2 2 4 4

1 24 1 26 5 16 2 23 4 8 12 2 11 13 1 5 6 2 4 6

5 5 5 5 44 22

1 1 2 11

11

112 11

1 1

In tabel 17 is de duur van de menstruele cyclus bij de ongehuwde vrouwen met een ‘constante’ duur uitgezet tegen het aantaljaren, dat de vrouwen op het moment der ondervraging reeds menstruaties hadden. Bij toetsing met de rangcorrelatie- toets van Kendall werd, voor de vrouwen te Rotterdam geen en voor die te Arnhem slechts een zwakke aanwijzing (P = 0,09) voor een verband tussen de cyclusduur en het aantal jaren menstruatie gevonden.

27

.1.

Tabel 17. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Amhem met een ‘constante’ cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus en het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden

Rotterdam

Arnhem

<27 2 11 28 t/m 30 12 103 >i\ 1 4

totaal 15 118

<27 2 39 28 t/m 30 12 291 3*31 1 10

totaal 15 340

17

1 7 1

9

3 153

_ 42 1 311 – 12

1 365

duur van de menstruele cyclus indagen

aantal jaren menstruatie
< 1t/m5 6t/m10 11 t/m15 16t/m20 > 20 ? vrouwen

<27 6 5 _ 1 1 1 14 28 t/m 30 73 39 9 3 6 4 134 >3141—-5

Rotterdam

Arnhem

118 33 2 4 2 365 Ook voor de mate van bloedverlies bleek bij toetsing van de uit tabel 18 afgeleide

2 x 2-tabellen geen verband met de duur van de menstruele cyclus te bestaan.

Tabel IS. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Amhem met een ‘constante’ cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus en de mate van bloedverlies

totaal 83

<27 18 28 t/m 30 181 >31 7

4594

19 4 – 95282

75153

1 _ 42

totaal 206

duur van de menstruele cyclus
in dagen

mate van bloedverlies

totaal vrouwen

veel

matig

weinig ?
_ 1 14

17 2 134 – – 5

32311 4 1 – – – 12

Tenslotte bleek evenmin het somatotype van de ongehuwde vrouwen uit ons onderzoek bij toetsing van de uit tabel 19 afgeleide 2 χ 2-tabellen een rol te ver­ vullen bij de lengte van de menstruele cyclus.

28

totaal aantal

Tabel 19. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ cyclusduur, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus en de lichaamsbouw

Rotterdam

Arnhem

<27 2 5 1 28 t/m 30 22 66 16 S»31 – 4 1

6 14 30 134 – 5

36 153

– 42 1 311 – 12

1 365

duur van de menstruele cyclus
i/i dagen

asthenisch

lichaamsbouw ‘athletisch’ pycnisch

totaal

aantal vrouwen

24 75 18

6 34 2 31 262 17 >31 – 11 1

totaal 37 307 20

totaal

«¡27 28 t/m 30

3.1.2. Variatie in de menstruele cyclusduur. De door de ondervraagde vrouwen op- gegeven spreidingen in de duur van de menstruele cyclus werden ondergebracht
in een viertal klassen, te weten 0 tot en met 3 dagen, 4 en 5 dagen, 6 en 7 dagen en meer dan 7 dagen.

Door de vrouwen, die geen variatie in de cyclusduur zouden vertonen, samen te brengen in een klasse met de vrouwen, die 1, 2 of 3 dagen spreiding hadden, werd het mogelijk om een deel van de onnauwkeurigheid in de opgaven van de menstruele cyclusduur te ondervangen. Men kan namelijk verwachten, dat in de klasse met een variatiebreedte van 3 dagen of minder het grootste deel van de (gering te achten) variatie in de lengte van de menstruele cyclus der vrouwen, die opgaven een ‘constante’ duur te hebben, is opgenomen.

Van de 464 vrouwen, die bij het Rotterdamse gedeelte van het interview-onder- zoek de spreiding van hun cyclusduur hadden vermeld, was bij 340 (73,3 %) deze spreiding 3 dagen of minder en van de 541 vrouwen te Arnhem was dit zelfde bij 456 (84,3 %) het geval (tabel 20).

Tabel 20. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Amhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur

variatiebreedte der menstruele cyclus in dagen 0t/m3 4t/m5 6t/m7 > 7 subtotaal

Rotterdam 340(73,3%) 47(10,1%) 40(8,6%) 37(8,-%) 464(100%) Amhem 456 (84,3%) 22 (4,-%) 28 (5,2%) 35 (6,5%) 541 (100%)

totaal aantal

? vrouwen

2 466 541

Deze percentages blijken dus lager te zijn, dan die, welke door SEELEN gevonden werd (88,9%) en hoger dan het door TIMMERMANS berekende percentage (62,1 %).

?

29

Bij 8,0% van de Rotterdamse en 6,5 % van de Arnhemse vrouwen was de sprei- ding van de cyclusduur groter dan 7 dagen, SEELEN vond een zodanige spreiding bij 4,2% van de door hem onderzochte vrouwen en TIMMERMANS bij 10,6%.

In ons onderzoek gaven 8 vrouwen te Rotterdam (1,7%) en 14 te Arnhem (2,6%) op, dat de lengte van hun cyclus soms zelfs meer dan 14 dagen kon variëren. Een verband tussen de grootte van de variatie in de menstruele cycluslengte en

de burgerlijke staat ofpariteit was voor de Rotterdamse vrouwen uit ons onderzoek niet aantoonbaar (tabel 21).

Tabel 21. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur, burgerlijke staat en pariteit

Rotterdam

Arnhem

390 (100,-%) 30 39 22

variatie- breedte in dagen

0t/m3 4 t/m 5 6 t/m 7 > 7

subtotaal 7

totaal

0t/m3 4t/m5 6 t/m 7 >7

subtotaal ?

totaal

gehuwden ongehuwden zonder met

kinderen kinderen

279 ( 71,5%) 23 33 42 ( 10.8%) 3 2 38 ( 9.7%) 2 31 ( 8,0%) 4 2

pariteit onbekend

5

totaal

aantal vrouwen

340 ( 73,3%) 47 ( 10,1%) 40 ( 8,6%) 37 ( 8,-%)

392 30

443 ( 83,9%) 22 ( 4,2%) 28 ( 5,3%) 35( 6,6%)

528 (100,-%) 528

2 11

2 11

456 ( 84,3%) 22 ( 4,-%) 28 ( 5,2%) 35( 6,5%)

541 (100,-%>

Voor de ongehuwde vrouwen te Arnhem bleek bij toetsing van 2 χ 2-tabelIen met een x2-toets, dat in de /ee/í//’¡fcklasse 22 t/m 24 jaar de variabiliteit in de duur van de menstruele cyclus significant vaker gering (0 t/m 3 dagen) is dan bij de vrouwen in de leeftijdsklassen 14 t/m 18 jaar (P = 0,02) en 19 t/m 21 jaar (P = 0,01). (tabel 22). Dit komt overeen met de reeds genoemde gegevens uit de litera- tuur en zou er op kunnen wijzen, dat de ritmiek van de cyclus op jongere leeftijd nog niet geheel gereguleerd is. In ons onderzoek kon echter geen significant ver- schil in variabiliteit van de menstruele cyclusduur gevonden worden tussen de drie genoemde leeftijdsklassen en de klasse van 25 jaar en ouder.

Voor de Rotterdamse vrouwen kon echter geen verband aangetoond worden.

Voor het vinden van een mogelijke correlatie tussen het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden en de spreiding in de menstruele cyclusduur werd de gevonden frequentieverdeling (tabel 23) getoetst met de rangcorrelatietoets van

30

5

39 5 466

2 11 541

464 (100,-%)

Tabel22. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur en de leeftijd

Rotterdam

44 279 13 42 1 38 2 31

variatie- breedte in dagen

leeftijdsklassen

totaal

aantal vrouwen

15 t/m 142

4t/m5 20 6 t/m 7 1 22 >7 15

18

14 0t/m3 1

19 t/m

64 7 10 11

21

22 t/m 24

28 2 4 3

> 24

subtotaal 2 7

subtotaal 1 305 141 ?

totaal 1 305 141

totaal 2 0t/m3 1

37

37 60 392

43 33 443 2 22 1 2 28 – – 35

44 37 528

44 37 528

253 113 4t/m5 11 9 Arnhem 6t/m7 16 9 >7 25 10

199 22

92

201 92

60 390

Tabel23. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur en het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden

variatie- aantal jaren menstruatie totaal dagen <1t/m5 6t/m10 11t/m15 16t/m20 >20 ? vrouwen

0t/m3 155 75

4t/m5 20 9 Rotterdam 6t/m7 24 12 >7 17 12

25 13 22 6 390 722

subtotaal 216 108

totaal 218

0t/m3 250

4t/m5 11 Arnhem 6t/m7 16 >7 27

subtotaal 304 ?

totaal 304

108 25

146 38 9 2 10 1 8

173 41

173 41

13 22 6 392 2 52 443

– – – 22 1 28 – – – 35

262528

2 6 2 528

31

19 9 15 6 279 3 4 642 1 1 38 2 31

Kendall. Merkwaardigerwijze werd voor de regelmaat van de menstruele cyclus geen verband gevonden met het aantal jaren menstruaties van de vrouwen. Dat de grotere onregelmatigheid in de duur van de menstruele cyclus op jongere leeftijd zou berusten op een verschil in biologische rijpheid ten opzichte van de 22 t/m 24-

jarigen, kon door ons onderzoek dus niet bevestigd worden.
Het verband tussen de mate van bloedverlies en de variabiliteit van de cyclusduur

werd getoetst door middel van een xMoets voor 2 χ 2-tabellen. Uit tabel 24 blijkt, dat 27 van de 48 vrouwen met veel bloedverlies en 220 van de 295 vrouwen met een matig bloedverlies te Rotterdam een variatie van ten hoogste 3 dagen in de duur van de menstruele cyclus vertonen.

Tabel24. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Amhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur en de mate van bloedverlies

Rotterdam

0t/m3 27 4t/m5 5 6 t/m 7 9

>7 7

220 29 26 9 29 20 4

variatie­ mate van bloedverlies breedte in

dagen veel matig weinig

totaal ? vrouwen

3 279 2 42 38 31

295 42 ?22

subtotaal 48

5 390

4t/m5 1 Arnhem 6t/m7 3 >7 2

subtotaal 32 ?

totaal 32

22 2 31 2

480 14 480 14

1 28 35

2 528 2 528

totaal 48

0t/m3 26

297 42 5 392 406 10 1 443

21 – – 22

Het verschil in frequentie van de vrouwen met veel en matig bloedverlies te Rotterdam, die een weinig variabele cyclusduur hebben, blijkt significant te zijn (P = 0,01).

Bij de vrouwen met veel bloedverlies werd vaker een variabiliteit van 4 dagen of langer in de menstruele cyclusduur gevonden dan bij de vrouwen met een matig bloedverlies. Tussen de vrouwen met veel en de vrouwen met weinig bloedverlies kon echter geen verschil in variabiliteit aangetoond worden.

Voor de Arnhemse vrouwen werden geen verschillen gevonden in de variabiliteit, welke verband hielden met de mate van bloedverlies.

32

Tabel 25 geeft een frequentieverdeling van de variatiebreedten der menstruele cyclus over de ongehuwde vrouwen met een verschillend somatotype. Vergeleken werden de vrouwen die een weinig variabele cyclusduur (0 t/m 3 dagen) hadden met degenen, bij wie een variatiebreedte van 4 of meer dagen bestond. Toetsing met een x2-toets voor 2 x 3-tabellen toonde, dat voor de ongehuwde vrouwen uit ons onderzoek geen verband tussen lichaamsbouw en de variatiebreedte van de menstruele cyclus bleek te bestaan.

Tabel25. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur en de lichaamsbouw

Rotterdam

0t/m3 SI 4t/m5 8 6 t/m 7 9

>7 9

variatie- breedte in dagen

lichaamsbouw ‘athletisch’ pycnisch

160 27 28 2 23 3 19 1

subtotaal 77
?11 2

asthenisch

totaal

aantal ? vrouwen

41 279 4 42 3 38 2 31

totaal 78 231 33

0t/m3 53 363 26

50 392

1 443 – 22 – 28

4t/m5 1 19 2 Arnhem 6t/m7 3 22 3

>7 6 27 2-35

subtotaal 63 431 33 1 528 7

totaal 63 431 33 1 528

  1. DE MENSTRUATIEDUUR

De duur van de menstruele bloeding varieert van 3 tot 7 dagen (JOOSSE, 1951 ; ISRAEL, 1959 e.a.).

ΤΙΕΤΖΕ (1957) wijt de onregelmatigheden in de duur van de menstruatie aan niet-ritmische invloeden van hogere centra en beschouwt ze als fysiologisch.

Er bestaat een grote interindividuele variatie, maar deze variatie is volgens FLUHMANN (1956) bij ieder individu vrij constant. Deze onderzoeker bestudeerde in 1934 823 cycli van 76 vrouwen afkomstig van een University School te San Francisco. Hij vond als gemiddelde duur der menses 4,6 ± 1 dag. Bij 32,9 % der vrouwen duurde de menses 4 dagen, bij 37,9% 5 dagen, bij 12,8% 6 dagen en bij 16,4% korter dan 4 of langer dan 6 dagen.

Van de door STROINK (1941) ondervraagde vrouwen had 50% een menstruatie van 4 of 5 dagen, DRILLIEN(1946) vond een menstruatieduur, welke korter was dan

33

230 33

50 390

4 dagen bij 15,8%, van 4 tot en met 6 dagen bij 68,6% en langer dan 6 dagen bij 16,1 % van de door haar ondervraagde vrouwen. De door SWAAK (1965) onder- vraagde 418 kraamverzorgsters hadden een gemiddelde menstruatieduur van 5,1 tot 6,1 dagen.

WALLAU (1939) zag enig verband tussen de lichaamsbouw en de duur van de menstruatie :

< 4 dagen 5 t/m 7 dagen > 7 dagen

leptosomen

40,7% 37,4% 21,9%

pycnicae

47,8% 37,0% 15,2%

Een menstruele bloeding, welke langer dan 7 dagen aanhoudt, moet als patho- logisch worden beschouwd; vooral als ze gepaard gaat met een profuus bloedver- lies. De afstoting van het uterusslijmvlies is dan vaak onregelmatig en vertraagd (‘delayed irregular shedding’) als gevolg van het hoogblijven van de progesteron- spiegel in het bloed.

4.1. Eigen onderzoek betreffende de menstruatieduur

Het verstrekken van gegevens over het beloop van de menstruatie kostte de onder- vraagde vrouwen over het algemeen minder hoofdbrekens dan de gegevens over de menstruele cyclus. Dit laat zich ook wel begrijpen als men bedenkt, dat de memorie zich hierbij slechts behoeft te beperken tot een korte periode van ge- middeld 4 of 5 dagen per maand.

Ook bij het bewerken van de antwoorden over de variabiliteit van de menstrua- tieduur bleek echter een grotere discrepantie te bestaan tussen de uitkomsten van de Rotterdamse vrouwen en de Arnhemse vrouwen dan alleen door mogelijke biologische verschillen tussen beide groepen verklaard zou kunnen worden.

Van de 465 vrouwen te Rotterdam door wie de variatiebreedte van de menstrua- tieduur is opgegeven, zouden 232 (49,9 %) een constante menstruatieduur hebben en van de 540 overeenkomstige vrouwen te Arnhem 394 (73,0%). Ook hier zal het feit, dat een deel van de Arnhemse gegevens door een ander dan de onderzoeker werden verzameld, waarschijnlijk debet zijn aan het zeer hoge percentage vrouwen in Arnhem, die opgaven, dat hun menses steeds de zelfde duur hadden. Ook hier menen wij de opgaven van een constante duur van de menstruatie alleen te mogen interpreteren als een minder variabele duur dan bij de menstruaties van de vrouwen, die opgaven, dat er een zekere mate van variabiliteit bestond.

Tabel 26. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ menstruatieduur, verdeeld naar de duur van de menstruatie

menstruatieduur in dagen totaal — .- aantal

123 4 5 6 7 8 910>107 vrouwen

Rotterdam 1 3 20 47 81 20 54 3 1 2 – – 232 (0,45) (1,3) (8,6) (20,2) (34,9) (8,6) (23,3) (1,3) (0,45) (0,9) (100%)

Arnhem – 1 16 80 180 70 44 2 – – 1 1 395 (0,2) (4,1) (20,3) (45,6) (17,7) (11,2) (0,5) (0,2) (0,2) (100%)

34

4.1.1. Duur van de menstruatie. Bij de vrouwen met een ‘constante’ menstruatie- duur bleek een duur van 5 dagen, zowel te Rotterdam (34,9%) als te Amhem (45,6%) het meest frequent voor te komen (tabel 26).

De gemiddelde duur bedroeg te Rotterdam 5,22 dagen en te Amhem 5,15 dagen.

Daar in het Arnhemse gedeelte van het onderzoek te weinig gehuwden aanwezig waren kon het verband tussen menstruatieduur en burgerlijke staat en pariteit (tabel 27) alleen getoetst worden voor de vrouwen uit het Rotterdamse deel van het onderzoek. Met de twee-steekproeventoets van Wilcoxon konden, voor de

Tabel 27. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ menstruatieduur, verdeeld naar de duur van de menstruatie, burgerlijke staat en pariteit

Rotterdam

111 2213 3 15 1 2 2 20 4 39 1 7 47 5 66 6 7 2 81 6 13 4 2 1 20 7 50 1 3 54 8213 91-__1

10 1 1 2

Arnhem

1 211 3 15 – – 1 16 4 77 2 1 80 5 173 – – 7 180 6 70 – – – 70 7 44 – – – 44

822 9

subtotaal 383 _ 2 9 394 ?11

totaal 384 2 9 395

35

menstruatie-
duur in dagen ongehuwd zonder

kinderen

gehuwd

met kinderen

totaal aantal

pariteit
onbekend vrouwen

> 10

subtotaal ?

totaal

—-——-

190 15 22 5 232

190 15 22 5 232

____


>10 1 – – — 1

10

Tabel 28. Ongehuwde vrouwen uit hel interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constant menstraatieduur, verdeeld naar de duur van de menstruatie en de leeftijd

menstruatieduv

leeftijd Rotterdam[
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 >10 7 totaal

1411 2

15
16
17 1
18
19
2012461 14 211 23331 13 22 2312 8 23 3121 7 24 21 3 25 1 1 26 2 2 27 1 1 2 28 1 1 29 1 1 301 1 3112 3 32 1 1 33
34
35 11 2 361 1 37
38
39 1 1 40
41

  1. 42  1 1
  2. 43  1 1
  3. 44  1 1

totaal 1 2 15 39 66 13 50 2 1 1 190

vrouwen, die opgaven dat ze een constante menstruatieduur hadden, geen ver- schillen in duur aangetoond worden tussen ongehuwden, gehuwden met kinderen en gehuwden zonder kinderen.

In tabel 28 is de menstruatieduur van de ongehuwde vrouwen, die een ‘constante’ lengte van de menstruatie zouden hebben, uitgezet tegen de leeftijd. Met de rang- correllatietoets van Kendall kon echter noch te Rotterdam noch te Arnhem enig verband tussen beide grootheden gevonden worden.

De biologische leeftijd, uitgedrukt in het aantal jaren, welke de vrouw reeds menstrueerde op het moment van de ondervraging, werd voor de ongehuwde vrouwen met een ‘constante’ menstruatieduur, vergeleken met de duur van de

36

241 8 91528 35 67210 31 6929 1 30 3718 20

_ _

_ _

— _

dagen

Arnhem
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 > 10 ? totaal

11

9661

8 35 13 7 16 28 16 10 15 21 10 10

923

1

26 64 73 59 45 29

82096 6221 5943

1

1 23 14 2921 15 212 5 315 141 6 112 5 I31 5 11 112 11

11

11 112

1

1 15 77 173 70 44 2 1 1 384

menstruatie (tabel 29). Er kon bij toetsing met de rangcorrellatietoets van Kendall geen verband tussen de biologische leeftijd en de duur van de menstruatie vast- gesteld worden.

De relatie van de mate van bloedverlies met de menstruatieduur voor de onge- huwde vrouwen met een ‘constante’ duur wordt in tabel 30 vermeld. De gemiddelde duur van de menses blijkt zowel te Rotterdam als te Arnhem bij de vrouwen met veel bloedverlies langer te zijn dan bij degenen die een matig of weinig bloedverlies tijdens de menstruatie hebben. Evenzo is de gemiddelde menstruatieduur bij vrouwen met weinig bloedverlies, zowel te Rotterdam als te Arnhem, korter dan bij de andere vrouwen.

37

Tabel 29. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constant menstniatieduur, verdeeld naar de duur van de menstruatie en het aantal jaren, dat de vrouwen menstruee den

Rotterdam

Arnhem

61411112 7 1 3 9 12 9 5 3 2 1 2 81 91

10 1

totaal 6 22 23 36 29 16 13 8 5 9

1
21 31132211 4 1 5 3 15 12 9 13 3 1 5 61627241921141378 6 3 6 15 15 4 7 4 2 1 722876925 8
9

10
> 10 1

subtotaal 1 17 29 68 60 39 52 27 19 13 16 71

bloedverlies

veel matig weinig

gemiddelde menstniatieduur Rotterdam Arnhem

6,03 6,15 5,25 5,12 4,15 4,71

dagen dagen dagen

menstniatie- duur in dagen

aantal jare <1 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

1

11

1443 1 2752824231 3 9 5 14 7 7 3 3 3

totaal

1 17 29 68 60 39 53 27 19 13 16

Bij toetsing van deze verschillen met de twee-steekproeventoets van Wilcoxon werd de mate van bloedverlies twee aan twee vergeleken voor wat betreft de duur van de menstruatie. De volgende overschrijdingskansen werden gevonden :

38

nenstruatie

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 >20 ?

totaal

aantal vrouwen

1

2 1 1 15 111 39 1112 1113166 1 113 1 1 1 50 12 1 1

42221 312 42 190

1 2 115 212111 11 77 543131 1173 21211 2 70 1 44 12

12 6 7 3 6 1 1

12 6 7 3 6 1 1

veel/matig bloedverlies veel/weinig bloedverlies matig/weinig bloedverlies

5 1

5 1

Rotterdam 0,02 Rotterdam 0,0002 Rotterdam 0,005

383 1

384

Arnhem 0,0001 Arnhem 0,01 Arnhem 0,005

Voor de onderzochte vrouwen bestaat dus in beide steden een zeer significant ver- band, in dien zin, dat de intensiteit van de fluxus toeneemt naarmate de men- struatie langer duurt.

Voor het verband tussen de menstruatieduur en de lichaamsbouw (tabel 31), werd bij de ongehuwde vrouwen met een ‘constante’ duur te Rotterdam door middel van de toets van Kruskal-Wallis een sterke significantie gevonden (P = 0,005). Bij de Arnhemse vrouwen bleek geen significant verschil te bestaan.

39

Tabel 30. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ menstraatieduur, verdeeld naar de duur van de menstruatie en de mate van bloedverlies

Rotterdam

1111 21122 3 1 10 4 15 15 4 4 31 4 39 _ 39 5 8 46 9 63 3 66 6 3 10 _ 13 _ 13 7 13 36 1 50 _ 50 8222 9111

10 1 – – 1 1

Amhem

1 2__11_1 3 1 11 3 15 15 4 75 2 77 77 5 5 167 _ 172 1 173 6 5 65 70 70 7 7 37 _ 44 44 8222 9

10
>10
– – 1 1 1

subtotaal 20 355 7 382 1 383 ?11I

asthenicae ‘athleticae’

5,92 5,35 5,02 5,13

menstruatieduur in dagen

mate van bloedverlies veel matig weinig

subtotaal

7

totaal

aantal vrouwen

> 10

subtotaal ?

totaal

—-———-

31 136 20 187 3 190

31 136 20 187 3 190

totaal 20 356 7 383

1

384

dagen dagen dagen

De gemiddelde menstruatieduur bedroeg voor de ongehuwden : Rotterdam Amhem

pycnicae 5,40

5,30

Met de twee-steekproeventoets van Wilcoxon werden de somatotypen van de Rotterdamse vrouwen twee aan twee met elkaar vergeleken. De asthenicae bleken een zeer significant langere menstruatie te hebben dan de ‘athleticae’ (P = 0,002).

40

Tabel 31. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem met een ‘constante’ menstruatieduur, verdeeld naar de duur van de menstruatie en de lichaamsbouw

menstruatieduur

lichaamsbouw asthenischι ‘athletisch’ pycnisch

subtotaal

9

totaal aantal

vrouwen

1111 211-2_2 3 3 10 _ 13 2 15

4 2 21 4 Rotterdam 5 10 40 6 6 3 5 1 7 19 20 3 98 1 – 1

27 12 39 56 10 66 9 4 13 42 8 50 21 – 21

10 – -1 – 1 – 1 >10 — — – — – –

subtotaal 40 99 15 154 36 190

totaal 40 99 15 154 36 190

1 2-1-1-1 3 2 13 _ 15 _ 15 4 10 63 3 76 1 77

Arnhem 5 17 144 12 173 – 173 6 11 58 1 70 – 70 78 5 325 4 442 – 424

9—–

10
>10 1 – – 1 – 1

subtotaal 46 316 20 382 1 383 ?-1-1-1

totaal 46 317 20 383 1 384

Het verschil tussen de asthenicae en de pycnicae bleek echter niet significant te zijn (P = 0,23).

Merkwaardig is hierbij, dat de ‘athleticae’, welke, zoals reeds eerder gezegd, een menggroep van echte atletische en niet uitgesproken asthenische en pycnische typen vormen, zowel in Rotterdam als in Arnhem de kortste gemiddelde duur van de menstruatie blijken te hebben. Men zou verwachten, dat als er reële verschillen in de menstruatieduur tussen de vrouwen met verschillend somatype bestonden, de gemiddelde duur bij deze groep vrouwen tussen die van de asthenicae en de pycnicae zou liggen.

In Arnhem zal de ongunstige verdeling van de vrouwen over de 3 klassen het toetsingsresultaat wel beïnvloed hebben, terwijl in Rotterdam het geringe aantal

41

Tabel 32. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruatieduur, burgerlijke staat en pariteit.

Rotterdam

Arnhem 3 4 5

variatie van de
menstruatie- ongehuwd

duur in dagen

zonder kinderen

gehuwd

met pariteit kinderen onbekend

totaal

aantal vrouwen

232(49,9%) 207 ( 44,5%) 17(3,8%) 4 ( 0,8%) 5( 1,-%)

0 190
1 179
2 15
3 4
4 3 5

15
14 14

22 5 1 1

subtotaal 391 30 39 5 ?11

totaal

0 1 2

465 (100,-%)

392 30 39 5 466

38329394 ( 73,-%) 1331134 ( 24,8%) 88(1,5%) 2 – – 1 3(0,5%)

1 – – – 1(0,2%) 527 _ 2 11 540 (100-%)

subtotaal ?11

totaal 528 2 11 541

pycnicae een verantwoorde vergelijking van de menstruatieduur bij vrouwen met een verschillende lichaamsbouw bemoeilijkt zullen hebben. Wij menen daarom, dat, ondanks de significantie van de gevonden verschillen in menstruatieduur tussen asthenicae en ‘athleticae’ te Rotterdam, geen conclusie over het bestaan van een correlatie tussen lichaamsbouw en menstruatieduur getrokken mag worden.

4.1.2. De variatie van de menstruatieduur. Zoals reeds in de inleiding van deze paragraaf werd opgemerkt, blijken de percentages van vrouwen, die geen spreiding in de duur van haar menstruaties zouden hebben, tussen de beide steden nogal uiteen te lopen (tabel 32).

Beschouwt men de vrouwen zonder variatie tezamen met degenen, die 1 dag als spreiding van hun menstruatieduur opgaven, dan blijkt het procentuele voorkomen van een variatie van 1 dag of minder in de duur van de menstruatie in Rotterdam en Arnhem vrijwel gelijk te zijn (Rotterdam 94,4% en Arnhem 97,8 %). We kunnen daarom, naar onze mening, veronderstellen, dat de onnauwkeurigheid in de op- gaven over de variabiliteit van de duur van de menses, zich in de meeste gevallen beperkt heeft tot 1 dag.

Bij de bewerking van de gegevens werden de ongehuwde vrouwen, met een

42

2

Tabel33. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruatieduur en de leeftijd

variatie van de menstruatieduur in dagen leeftijd Rotterdam Arnhem

0 1 2 3 4 5 ? totaal 0 1 2 3 4 S ? totaal

142 21 1 1588 111826121 39 163526221 6664221 1 88

1731353

18 30 15
19 20 15
20 14 14
21 13 12
22 8 6 1 23 7 8 1 24 3 3 2512 2621 27251 28111 2912 3014 3132 3212 332 342 3522 3614 371

38 2 3911 401 412

>42 3 2

69 732531

2 2 1

1 485916 37 45 22 1 302912 25 22 7 15 14 5 16 15 2 653 353 361 851

1 2

1

5 1 31 1 2
2 1 4

5 1 12 2 3
2 1 1

2 5

otaal 1901791543-1 392 3831338 2-11 528

‘constante’ duur vergeleken met de ongehuwden, die een variabele menstruatieduur hadden.

Met de toets van Kxuskal en Wallis is voor de Rotterdamse vrouwen nagegaan of er verband bestond tussen de variatie van de menstruatieduur en de burgerlijke staat of pariteit (tabel 32). Er kon echter geen significante relatie aangetoond worden. Voor de Arnhemse vrouwen was toetsing niet mogelijk door het geringe aantal gehuwden en het overwegen van vrouwen met een variatie 0.

Het verband tussen de leeftijd en de variabiliteit van de menstruatieduur werd nagegaan met de tweesteekproeventoets van Wilcoxon (tabel 33). Ook hier kon geen significant verband aangetoond worden. Wel bestond voor de Rotterdamse vrouwen een zwakke aanwijzing (P = 0,06), dat op jongere leeftijd vaker een constante duur van de menstruatie wordt aangetroffen.

102 76 67 43 1 31 19 17 8 8 7 6 35 5 31 2 52 2

1

43

Tabel 34. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar dv variatiebreedte van de menstruatieduur en het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden

Rotterdam

2 1

1

Arnhem 23 4 5

variatie van de indagen

0 1

23 45

subtotaal ?1

aantal jarer

totaal

0 1

5

1 1

<1 1 2 3 4 5 6 7

8

6 22 23 36 29 16 13 8 6 11 28 23 21 17 7 10 _- _1 21 2– –1 2 21 _1

_– -_ -_ –1 _– –1 _– _- 12 34 54 62 51 36 23 19

12 34 54 62 51 36 23 19

17 29 68 60 39 52 27 19 6 16 22 24 13 14 16 6

1 1—– 3 23 45 92 87 54 67 45 25

4

  _1 _3 2 _1 1 _ ?1

subtotaal
totaal 3 23 45 92 87 54 68 45 25

Ook het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden, bleek bij toetsing, door middel van de twee-steekproeventoets van Wilcoxon, geen significante relatie met de variabiliteit van de mensesduur te hebben (tabel 34). Wel bestonden er zwakke aanwijzingen voor een dergelijke relatie (Rotterdam Ρ = 0,06; Arnhem Ρ = 0,09) doch deze waren tegengesteld.

Het verband tussen de mate van bloedverlies en de variabiliteit van de mensesduur bleek te Rotterdam significant te zijn (tabel 35) bij toetsing van 2 χ 2-tabellen met de xa-toets en wel in die zin, dat bij een vergelijking van de ongehuwde vrouwen met veel en matig bloedverlies een ‘constante’ duur van de menses meer bleek voor te komen bij de vrouwen met veel bloedverlies dan bij de vrouwen met matig bloedverlies (P = 0,03). Tussen de vrouwen met veel en de vrouwen met weinig bloedverlies bleek geen verschil in variabiliteit te bestaan.

Bij de Arnhemse ongehuwde vrouwen bestond een zwakke aanwijzing, dat zij, die een matig bloedverlies hadden, vaker een ‘constante’ menstruatieduur hadden dan de vrouwen met weinig bloedverlies.

Het is zeer discutabel of aan deze gevonden relaties enige reële waarde mag worden toegekend.

De variabiliteit van de menses bleek geen verband met de lichaamsbouw van de onderzochte vrouwen te hebben (tabel 36).

44

lenstruatie totaal — aantal

9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20>20?vrouwen

5942221-312-42 190 7 8 3 2 1 4 1 1 2 1 3 – 17 4 179 1__1_2——– 15 ————1- 4 ______________ 3

13 17 7 5 3 8 2 1 5 2 5 – 22 6 391 1

13 17 7 5 3 8 2 1 5 2 5 – 22 6 392 13 16 12 6 7 3 6 1 1 – – – 5 1 383

3314–1—–11132 ————– 2 ————– 1

16 19 13 10 7 3 8 1 1 – – – 6 2 527 1

16 19 13 10 7 3 8 1 1 – – – 6 2 528

  1. HET BLOEDVERLIES

De vloeistof, welke tijdens de menstruatie per vaginam afvloeit, is van een eigen­ aardige dikvloeibare substantie, welke in het begin donkerrood en later helderrood van kleur is. Op het einde der menses kan defluxusmeer bruinachtig gekleurd zijn. In deze vloeistof kunnen zich soms zeer kleine stolseltjes of stukjes endometrium- weefsel bevinden, welke echter meestal onopgemerkt blijven.

Het menstruele vocht bestaat voor 75 % uit gehemolyseerd bloed en voorts uit mucus, cellulaire afbraakprodukten, waaronder leucocyten, endometriumcellen en vaginale epitheelcellen (ISRAEL, 1959; FLUHMANN, 1956). Verder zijn nog cholesterol, oestrogenen, verschillende lipiden en euglobulinen aanwezig, TIETZE (1952) wijst op de relatief grote hoeveelheid Arseen, welke in het menstruele bloed kan worden aangetroffen (gemiddeld 320 μg%). Het verlies van endome- triumwecfsel is volgens FLUHMANN (1956) de tweede dag van de menstruatie het grootst.

Het menstruele bloed is onstolbaar en bevat, evenals plasma in het perifere bloed, geen prothrombine en fíbrinogeen. BELLtoonde reeds in 1910 aan, dat menstrueel bloed geen fibrino- geen bevatte. De huidige opvatting over de onstolbaarheid van het menstruele bloed is, dat het bloed, wat vrijkomt bij de afstoting van het endometrium in utero eerst wel stolt maar spoedig daama tengevolge van een fibrinolyse weer vloeibaar wordt. Deze fibrinolyse zou tot stand komen door de werking van een tryptisch ferment, dat in het endometrium zelf gevormd wordt. Bij een sterke bloeding zou de hoeveelheid ferment relatief tekortschieten voor het onstolbaar maken van alle bloed, waardoor stolsels gaan optreden.

Het menstruele bloed blijkt giftige eigenschappen te hebben, MACHT (1943) toonde in 1934

45

Tabel 35. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruatieduur en de mate van bloedverlies

variatie van de menstruatie- —

duur in dagen

mate van bloedverlies totaal veel matig weinig ? vrouwen

0
1
2 2 9 4 _ 15

31 136 20 3 190 13 147 17 2 179

Rotterdam 3 1 3 – – 4 41113

5

~

“””

subtotaal 48 296 42 5 391 ?11

totaal

48 297 42 5 392

0
1 217__8

20 355 7 1 383 10 115 7 1 133

Arnhem 3 2 – – 2 4

511 subtotaal 32 479 14 2 527

?11 totaal 32 480 14 2 528

in het speeksel, het zweet en het bloed van menstruerende vrouwen een stof aan, welke giftig was voor planten, o. w . SMITH en o. v. s. SMITH hebben sinds 1940 veel proeven gedaan in ver- band met de giftigheid van menstrueel bloed voor dieren. Het bleek hen, dat speciaal de eerste monsters van het menstruatiebloed de grootste giftigheid bezaten, hetgeen te verklaren was uit het feit, dat deze monsters het meeste ‘debris’ bleken te bevatten. Het endometrium bleek alleen giftige eigenschappen te vertonen tijdens de menstruatie. Het geïsoleerde ‘toxine’, dat bij’de weefselafbraak ontstaat, blijkt gebonden te zijn aan de euglobuline-fractie van het menstruele bloed. Er zijn aanwijzingen, dat het flbrinolytisch enzym en het menstrueel ‘toxine’ identiek zijn.

Volgens NOVAK en REYNOLDS (1932) vloeit het menstruele vocht met een snelheid van 2 tot 3 druppels per minuut. Deze snelheid zal echter niet gedurende de hele menses constant zijn, daar in de eerste twee dagen het bloedverlies meestal het sterkst is en daarna geleidelijk in intensiteit afneemt. Naar de mening van FLUHMANN (1956) stroomt het bloed niet continu, doch stoots- gewijs als gevolg van uteruscontracties. De stoten hebben een frequentie van eenmaal per 1 tot 15 minuten, terwijl de intervallen langer worden naarmate de menstruatie meer op gang gekomen is.

De mate van bloedverlies is moeilijk objectief vast te stellen, WHITE e.a. (1949) schrijven, dat het onmogelijk is om een norm vast te stellen voor het normale bloedverlies. Daarbij komt, dat er volgens NIXON (1956) individueel van maand tot maand variaties in de hoeveelheid verloren bloed mogelijk blijken te zijn. Zeker is, dat het bloedverlies onder normale omstandigheden geringer is dan de leek vaak denkt, STANDER (1945) citeert in zijn leerboek Hoppe en Seiler, die schrijven, dat

46

Tabel 36. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruatieduur en de lichaamsbouw

Rotterdam

0 40 99 15 36 190 1 29 122 16 12 179 2 6 6 2 1 15 3 4 4 4213 5

subtotaal 77 231 33 50 391 ?11

totaal 78 231 33 50 392

0 46 316 20 1 383 1 15 105 12 133 21718

variatie van de menstruatie- duur in dagen

asthenisch

lichaamsbouw ‘athletisch’

pycnisch

?

totaal

aantal vrouwen

Arnhem 3 1 1 2

4 511

subtotaal 63 430 33 1 527 ?11

totaal 63 431 33 1 528

het bloedverlies zelden meer dan 37 cc bedraagt en Labille, die aangeeft, dat de hoeveelheid verloren bloed varieert van 20 tot 65 cc. ISRAEL (1959) vermeldt als gemiddelde hoeveelheid een bloedverlies van 60 cc met een spreiding van 30 tot 150 cc. CURTÍS (1944) schat het gemiddelde bloedverlies op 50 cc. Wat de mate van bloedverlies betreft kreeg STROINK (1941) door vragen aan 159 verpleegsters – volledig subjectief bepaalde – opgaven :

9 – weinig 111 – ‘normaal’

26 – tamelijk veel

13 – teveel.
Deze opgaven zijn echter van weinig waarde, omdat de ondervraagde individuen

geen vergelijkingsnorm hebben. Ook WALLAU(1939) maakte gebruik van een sub- jectieve waardering van de mate van bloedverlies. Hij kon slechts weinig verschil zien in de sterkte van de fluxus bij vrouwen met verschillende lichaamsbouw.

Het aantal doekjes wordt soms gebruikt om de mate van bloedverlies aan te geven. Volgens CURTÍS (1944) zijn er 3 tot 5 doekjes per dag nodig op het hoogte- punt van de fluxus. HOYTEMA en JOOSSE (1950) noemen een menstruatie normaal, als de hoeveelheid bloed het verwisselen van maandverband in minder dan 4 uren niet noodzakelijk maakt, JOOSSE schreef in 1959, dat 5 tot 20 doekjes gebruikt

47

worden voor het opvangen van de menstruele afvalstoffen, DRILLIEN (1946) vroeg bij haar onderzoek bij vrouwen van de Auxilliary Territorial Service naar het aantal verbruikte doekjes. Twee of minder doekjes per dag, wat geduid werd als ‘gering’ bloedverlies, werden gebruikt door 15,7% der vrouwen, 3 tot 5 doekjes (matig bloedverlies) door 72,4% en 6 doekjes of meer per dag (‘veel bloedverlies’) door 11,9%.

Er zijn echter grote interindividuele verschillen in de frequentie van het verband- wisselen, welke grotendeels bepaald worden door verschillen in opvatting over persoonlijke hygiëne. Hierdoor wordt het vaststellen van de mate van bloedverlies door middel van het aantal verbruikte doekjes tot een onbruikbare objectieve maatstaf.

Zoals reeds in hoofdstuk 1 werd geschreven, hebben RANKIN e.a. (1962) getracht de betrouwbaarheid van anamnestische gegevens over de mate van bloedverlies te toetsen aan de uitkomsten van objectief onderzoek. In de eerste plaats probeerden zij door middel van de maandverbandjes gegevens in handen te krijgen. Zij deden dit door van een twintigtal vrouwen met menorrhagie het aantal per dag verbruikte verbandjes te tellen en deze te wegen om de hoeveelheid opgezogen vloeistof vast te stellen. Ook zij kwamen tot de conclusie, dat het aantal verbanden, welke ge- bruikt wordt interindividueel sterk uiteenloopt. Voorts bleek aan de auteurs, dat de ‘weegmethode’ in de praktijk ook weinig betrouwbaar is door de meer of min- dere vermenging van het menstruatievocht met urine.

Dezelfde auteurs hebben ook proeven gedaan met door radio-actief chroom ‘gemerkte’ erythrocyten, welke zij in de bloedbaan spoten. Door te meten hoeveel van deze isotopen was terug te vinden in het menstruatiebloed konden zij vrij nauwkeurig de mate van bloedverlies berekenen. Deze methodiek is echter uiter- aard voor de dagelijkse praktijk niet bruikbaar, PRICE (1964) deed soortgelijke

59 proeven met radio-actief ijzer (Fe ).

Volgens NDCON (1956) is het hemoglobinegehalte van het bloed de beste maat voor het vaststellen van een abnormaal sterk bloedverlies, RANKIN e.a. menen echter, dat het hemoglobinegehalte niet altijd een juiste maat vormt, daar dit soms zelfs bij sterke bloedingen volkomen normaal blijkt te zijn.

Zolang er nog geen betrouwbare methode is gevonden voor het vaststellen van de mate van bloedverlies tijdens de menstruatie, welke in de dagelijkse praktijk bruikbaar is, lijkt het ons zinvol toe om voorlopig alleen het meest objectieve gegeven uit de anamnese, namelijk het al-dan-niet voorkomen van stolsels in het menstruele vocht, als maatstaf te hanteren.

5.1. Eigen onderzoek betreffende de mate van bloedverlies

In de voorgaande paragraaf werd reeds gewezen op de moeilijkheid om de hoe- veelheid bloed, welke gedurende de menstruatie wordt verloren, op objectieve wijze vast te stellen. Nog moeilijker wordt het echter als men de opgaven van de vrouwen zelf als maatstaf voor een onderzoek moet gebruiken. In hoofdstuk 1 werd op dit probleem reeds de aandacht gevestigd. Gepoogd werd om bij het interview- onderzoek enig objectief criterium aan te leggen door de omschrijving ‘veel’ alleen te gebruiken als de fluxus gepaard ging met stolsels. Voor de normen ‘weinig’ en ‘matig’ moest echter gebruik gemaakt worden van de subjectieve waardering van de ondervraagden.

48

Ta bel 37. Vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de mate van bloedverlies, burgerlijke staat en pariteit

Rotterdam

Arnhem

5( 12,8%) 33(84,6%) К 2,6%)

39 39(100,-%)

2 2 2

1 ( 20,- -%)

4 ( 80,–%)

bloedverlies

veel matig weinig

subtotaal ?

totaal

veel matig weinig

subtotaal 7

totaal

ongehuwd

48 ( 12,2%) 297(75,8%) 42 ( 10,7%)

387
5( 1.3%)

392 (100.-%)

32 ( 6,1%) 480 ( 90,9%) 14 ( 2,6%)

526
2( 0,4%)

528 (100,-%)

zonder kinderen

8 ( 26,7%) 20 ( 66,6%) 2( 6,7%)

30

30 (100,-%) —

– –

gehuwd

met
kinderen onbekend

totaal

aantal vrouwen

62 ( 13,3%) 354 ( 75,9%) 45 ( 9,7%)

Van de vrouwen te Rotterdam) bleek bij 13,3% de menstruele fluxus stolsels te bevatten, terwijl dit bij de Arnhemse vrouwen in 6,1 % het geval was.

Waarom te Rotterdam bij tweemaal zoveel vrouwen stolsels tijdens de fluxus optraden dan te Arnhem, is niet duidelijk. Een verschil door het relatief grote aantal gehuwden te Rotterdam is zeer onwaarschijnlijk, daar door middel van toetsing volgens Kruskal-Wallis geen verband tussen de mate van bloedverlies en de burgerlijke staat of pariteit kon worden vastgesteld. Een zelfde verschil in het vóór- komen van veel bloedverlies tijdens de menses blijkt overigens ook aanwezig te zijn tussen de ongehuwde vrouwen in beide steden (tabel 37).

Ook kon geen verband tussen lichaamsbouw en de mate van bloedverlies (tabel 38) bij de ongehuwde vrouwen te Rotterdam noch bij die te Arnhem vastgesteld worden.

Tussen de duur van de menstruele cyclus en de mate van bloedverlies bleek geen verband te bestaan (paragraaf З.1.1.). Bij de ongehuwde vrouwen te Rotterdam bleken zij, die veel bloedverlies hadden, significant vaker een variabele duur van de menstruele cyclus te hebben dan degenen, die een matig bloedverlies hadden (paragraaf 3.1.2.). Voor de ongehuwden te Arnhem bleek dit verband niet te bestaan. Daar er ook geen verschillen in variabiliteit werden aangetroffen tussen de vrouwen, die weinig bloedverlies en de vrouwen die veel bloedverlies hadden, is het zeer de vraag of er enige waarde aan de significante correlatie voor de Rotter­ damse vrouwen mag worden toegekend.

De mate van bloedverlies bleek, zowel voor de onderzochte vrouwen te Rotter­ dam als te Arnhem, zeer significant gecorreleerd te zijn met de duur van de menses (paragraaf 4.1.1.). De intensiteit van defluxuswas sterker naarmate de menstruatie langer van duur was.

49

pariteit

5 461
5( 1.1%)

5 (100,–%)

1 10

466 (100,-%)

33 ( 6,1%) 492 ( 90,9%) 14 ( 2.6%)

11 539
2( 0,4%)

11 541

Tabel 38. Ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Amhem, verdeeld naar de mate van bloedverlies en de lichaamsbouw

Rotterdam

Amhem

asthenisch

10( 12,8%) 57 ( 73,1%) 10 ( 12,8%)

77
К 1,3%)

78 (100,-%)

5( 8,-%) 55 ( 87,3%) 3( 4,7%)

63
63 (100,-%)

‘athletisch’

31( 13,6%) 176 ( 77,2%) 21 ( 7,8%)

228
3 ( 1,4%)

231 (100,-%)

23 ( 5,3%) 395 ( 91,6%) Π ( 2,6%)

429
2( 0,5%)

431 (100,-%)

pycnisch

3( 8,8%) 25 ( 76,-%) 5( 15,2%)

33

33 (100,-%)

4 ( 12,-%) 29 ( 88,-%)

33
33 (100,-%)

mate van bloedverlies

veel matig weinig

subtotaal ?

totaal

veel matig weinig

subtotaal 7

totaal

lichaamsbouw

totaal

aantal subtotaal ? vrouwen

44 4 48( 12,2%) 258 39 297 ( 75,8%) 36 6 42 ( 10,7%)

338 49 387 41 5 ( 1,3%)

342 50 392 (100,-%)

32 32 ( 6,1%) 479 1 480 ( 90,9%) 14 14( 2,6%)

525 1 526
2 2( 0,4%)

527 1 528(100,-%)

Bij de Rotterdamse ongehuwde vrouwen bleken vrouwen met veel bloedverlies vaker een constante menstruatieduur te hebben dan de vrouwen met matig bloed­ verlies. Te Arnhem bestond een zwakke aanwijzing, dat ongehuwde vrouwen met matig bloedverlies vaker een constante duur van de menstruatie hadden dan degenen, die weinig bloed verloren (paragraaf 4.1.2.). Ook hier moet de vraag gesteld worden of deze verschillen enige waarde hebben.

  1. BESPREKING EN SAMENVATTING VAN DE ONDERZOEKRESULTATEN

6.1. Ondanks de zorgvuldigheid, waarmee de ondervraging in ons interview- onderzoek is geschied, bleek ons uit de onderzoekresultaten, dat ondervraging niet de meest betrouwbare methode is om zich een juist beeld van de menstruatie en de menstruele cyclus te kunnen vormen. Deze ervaring heeft ook ons tot de overtui­ ging doen komen, dat alleen kalenderopgaven van het menstruatiepatroon, gedurende lange tijd volgehouden, een redelijk beeld van de individuele duur en variabiliteit van de menstruele cyclus en de menstruatie kunnen leveren.

6.2. De menstruele cyclus bij vrouwen met een (vrijwel) constant beloop duurde bij respectievelijk 8 5 % en 8 6 % van de ondervraagde vrouwen 28, 29 of 30 dagen. De gemiddelde duur van de cyclus was bij de Rotterdamse vrouwen 27,8 dagen en bij de Arnhemse vrouwen 28,7 dagen.

Van 464 vrouwen te Rotterdam was de variatie in de duur van de menstruele cyclus bij 73,3% niet langer dan 3 dagen. Bij 541 vrouwen te Amhem had 84,3% een spreiding in de duur van ten hoogste 3 dagen.

50

De burgerlijke staat en de pariteit bleken geen verband met de duur of de varia- biliteit van de cyclus te houden.

De leeftijd vervulde geen rol bij de duur. De onregelmatigheid van de cyclusduur was bij de ongehuwde vrouwen te Amhem van 22 t/m 24 jaar geringer dan bij de jongere vrouwen.

Het aantal jaren, dat de ongehuwde vrouwen menstrueerden, was niet gecorre- leerd met de duur of de variabiliteit van de menstruele cyclus. De gevonden leef- tijdsverschillen in de regelmaat van de cyclus berusten in ons onderzoek dus niet op verschillen in biologische rijpheid.

De mate van bloedverlies hield geen verband met de duur van de cyclus. Wel hadden de ongehuwden te Rotterdam met veel bloedverlies tijdens de menses frequenter een spreiding van 4 dagen of langer in de cyclusduur dan de ongehuwde vrouwen met een matig bloedverlies. Voor de Arnhemse vrouwen kon dit verschil echter niet aangetoond worden.

Het somatotype van de onderzochte vrouwen vertoonde in ons onderzoek geen verband met de lengte of de variabiliteit van de menstruele cyclus.

6.3. De menstruatie had bij 34,9% der Rotterdamse vrouwen en bij 45,6% van de Arnhemse vrouwen een duur van 5 dagen. De gemiddelde duur bedroeg te Rotter- dam 5,22 dagen en te Amhem 5,15 dagen.

Bij 94,4% der vrouwen te Rotterdam en 97,8% van de vrouwen te Arnhem varieerde de menstruatieduur ten hoogste een dag.

De menses bleken bij de vrouwen te Rotterdam, voor wat betreft de duur en de variabiliteit van de duur, geen verband te houden met de burgerlijke staat en de pariteit, Zowel voor de ongehuwden te Rotterdam als te Amhem bestond geen relatie tussen de duur en variabiliteit in de duur van de menses met de leeftijd of het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden.

De mate van bloedverlies vertoonde voor de ongehuwde vrouwen uit ons onder- zoek een correlatie met de duur en de variabiliteit: de menstruatie duurde langer naarmate de intensiteit van de fluxus groter was.

Voorts bleek, dat de ongehuwde Rotterdamse vrouwen met veel bloedverlies vaker menstruaties van gelijke duur hadden dan de vrouwen met een matig bloed- verlies. De waarde van deze bevinding is discutabel mede door het feit, dat voor de Arnhemse vrouwen dit verband niet gevonden werd.

In Rotterdam hadden de asthenische ongehuwde vrouwen gemiddeld een langere menstruatieduur dan de ‘atletische’. Tussen de asthenische en de pycnische vrouwen bleek echter geen verschil in gemiddelde menstruatieduur te bestaan, waardoor de waarde van het verschil tussen asthenicae en ‘athleticae’ zeer dubieus moet worden geacht.

6.4. Bij 13,3% van de Rotterdamse vrouwen en 6,1 % van de Arnhemse vrouwen ging de menstruele fluxus met stolsels gepaard. Verband met de burgerlijke staat, de pariteit en de lichaamsbouw kon niet worden vastgesteld.

De relatie tussen de duur en de variabiliteit van de menstruele cyclus en de menstruatie en de intensiteit van de menstruele bloeding werd reeds in de voorgaan- de paragrafen beschreven.

51

HOOFDSTUK 4 – MENSTRUA TIE EN ARBEID

  1. INLEIDING

Van oudsher wordt aangenomen, dat er een groot verschil in prestatievermogen tussen de man en de vrouw bestaat.

In september 1963 hield SVEN FORSSMAN op het 14e Internationale Congres voor Arbeidsgeneeskunde te Madrid een officiële rede, welke gewijd was aan de vrouw in het arbeidsproces. Hij besprak hierin onder andere het werk van Astrand, die aangetoond heeft, dat het maximaal lichamelijk prestatievermogen van de vrouw 25 tot 30 % lager ligt dan dat van de man.

Het verschil tussen de prestaties van sommige spiergroepen bij man en vrouw blijkt echter soms nog veel groter te zijn. Zo beschreef HETTINGER (1957) de kracht van de onderarmbuigspieren, waarmee de man gemiddeld 31,8 kg. kan heffen en de vrouw gemiddeld slechts 19,3 kg.

Deze fysieke beperking van de vrouw in vergelijking met de man blijkt, voor wat betreft de beperking van de beroepskeuzemogelijkheden, in de praktijk slechts een zeer geringe rol te vervullen, daar het 25 tot 30% grotere maximaal lichamelijk prestatievermogen van de man alleen bij zeer zware arbeid zal behoeven te worden aangesproken.

Overigens heeft de vrouw door de eeuwen heen in haar functie van huisvrouw getoond zeer goed in staat te zijn tot het verrichten van middelzware tot zware arbeid. Zeer zware arbeid wordt door de vrouw verricht tijdens de bevalling, een arbeid, welke volgens STROINK (1965) te vergelijken is met het beklimmen van de Mont Blanc.

DROESEe.a. (1949) hebben gepoogd de dagelijkse werkzaamheden van de huis- vrouw te analyseren. Zij splitsten daartoe de huisvrouwenarbeid in 56 elementen, voor welke ieder afzonderlijk het calorieenverbruik per minuut werd bepaald. Deze onderzoekers berekenden aldus, dat de huisvrouw per dag 3000 calorieën verbruikt voor het verrichten van haar dagelijkse bezigheden ; een calorieenbehoefte, welke gelijk staat met die voor het verrichten van zware arbeid. Voor gehuwde vrouwen met kinderen lag de calorieenbehoefte nog aanmerkelijk hoger.

Een zeer gedetailleerd arbeidsfysiologisch onderzoek van KRAUT e.a. (1956) heeft de zwaarte van de huisvrouwenarbeid nog eens bevestigd, OEHLERT (1961) wijst op het feit, dat een huisvrouw met twee kinderen, gedurende 60 tot 70 uren per week, werk verricht, dat in zwaarte vergeleken kan worden met dat van een metaalarbeider.

Afgezien van de beperkingen, welke door de fysieke mogelijkheden worden bepaald, zijn de vrouw nog vele – veelal historisch gegroeide – beperkingen toege- dicht, welke slechts vaag omschreven en slecht gefundeerd zijn. Vele beroepen werden daardoor voor haar onbereikbaar. Anderzijds werd de vrouw – ook op zeer

52

vage gronden – beter dan de man in staat geacht tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Ten aanzien van de mythe over specifiek vrouwelijke beroepen zei FORSSMAN op het eerdergenoemde congres : „It has very often said that women should be more qualified for certain occupations than men, as for instance nurses in hospitals or monotonous work at the assembly-line in the factory. According to the present opinion among psychologists, the experience that such jobs are mainly reserved for women is due to tradition and education, which will also influence people’s attitude towards the role they take or have to play in society or at work”.

Gelukkig heeft de vrouw tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, door het gebrek aan manlijke arbeidskrachten, de kans gekregen en ook gegrepen om te bewijzen, dat zij zeer goed in staat is op de meeste arbeidsplaatsen de man te vervangen. Tegenwoordig wordt de vrouw in de meeste westerse landen als gelijkwaardig (en soms zelfs ook als gelijk gehonoreerd) partner in het arbeidsproces geaccepteerd. In de USA vormden de vrouwen in 1960 reeds een derde van de totale beroeps- bevolking.

De nog steeds voortgaande emancipatie van de vrouw, kan echter haar biolo- gische funktie als draagster en verzorgster van de progenituur niet wegnemen. Een funktie, waaraan ze gedurende de geslachtsrijpe periode als het ware iedere maand herinnerd wordt door het verschijnen van de menstruatie.

De menstruatie is echter slechts het sluitstuk van een cyclisch gebeuren, dat zich iedere maand herhaalt als geen bevruchting van het tijdens deze cyclus gerijpte eitje heeft plaatsgevonden. Tijdens deze mensuele cyclus voltrekken zich verande- ringen in de vrouw als gevolg van hormonale en nerveuze invloeden, welke alle bedoeld zijn als voorbereidingen voor een zwangerschap. Dit cyclisch proces voltrekt zich echter niet alleen in de genitale doch ook in extra-genitale sfeer en zal daardoor, zowel somatische als psychische veranderingen kunnen veroorzaken. Deze veranderingen zullen, onder andere, schommelingen in het lichamelijk en

geestelijk prestatievermogen van de vrouw tot gevolg kunnen hebben.
Anderzijds is het zeer goed denkbaar, dat het verloop van de menstruele cyclus beïnvloed wordt door bepaalde lichamelijke en geestelijke inspanningen, welke de

vrouw zich tijdens haar arbeid moet getroosten.
In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk zullen enkele aspekten van het

verband tussen menstruele cyclus en arbeid nader worden besproken.

  1. MENARCHE EN ARBEID

OEHLERT (1961) meent, dat zware lichamelijke inspanning tijdens de ontwikkelings- jaren zeker mede een invloed heeft op het optreden van ovariële insufficiëntie, welke tot uiting kan komen in een vertraging van de menarche.

HOFSTÄTTER (1962) citeert enkele auteurs uit Rusland en Japan, die een ver- traging van het menarchetijdstip vonden bij jonge meisjes, die reeds voor de puberteit in bepaalde beroepen (boerinnen, tabaksarbeidsters) werkzaam waren. Ook deze auteurs menen de verklaring hiervan te moeten zoeken in een remming van de genitale ontwikkeling.

De vraag doet zich overigens voor, of deze vertraging in de menarche geheel voor rekening van de vroege inschakeling in het arbeidsproces komt. Juist in de streken, waar de meisjes reeds zeer jong de handen uit de mouwen moeten steken zullen mede andere oorzaken van sociaal-hygiënische aard en de voeding een rol kunnen

53

spelen. Zo wijzen bijvoorbeeld с A. MILLS (1943) en WHITE e.a. (1949) op het feit, dat ondervoeding van welke oorzaak dan ook, aanleiding kan geven tot een ver­ traging in de ontwikkeling van de seksuele functies.

  1. INVLOED VAN DE MENSTRUELE CYCLUS OP HET LICHAMELUK PRESTATIEVERMOGEN

Over de invloed van de menstruatie op de arbeidsprestaties van de vrouw heerst geen eenstemmigheid, BAETJER (1946) citeert in haar boek zowel auteurs, die wel, als andere, die geen verband tussen menstruatie en arbeid gevonden hebben. TAYLOR schreef in 1942: „normal menstruation should be free from all pain and discomfort and should not cause depression of physical and mental activity”. NAVARRO MARTINEZ (1962) kon geen invloed van de normale menstruatie op de arbeidsproduktiviteit vaststellen.

V oor wat betreft de menstruele cyclus zijn er veel onderzoekers, die een schomme­ ling in de mate van het lichamelijk en geestelijk welbevinden konden aantonen, welke parallel loopt met deze maandelijkse cyclus. Tengevolge van deze schomme­ lingen zou een zekere invloed op de arbeidsprestaties zeker aanwezig kunnen zijn.

NOACK (1956, 1957) vond bij zijn onderzoekingen een ‘premenstrueller Tief’ en een ‘postmenstrueller Best’ in de prestaties van de vrouw. De vraag in hoeverre deze premenstruele prestatievermindering het gevolg is van verminderde spierkracht of van centraal-nerveuze componenten der psychomotoriek heeft NOACK door middel van experimenten trachten te beantwoorden. De spierkracht testte hij door het meten van de maximale isometrische contractie der buikwandmusculatuur. Hierbij bleek deze maximale kracht van de buikspieren postmenstrueel gemiddeld het hoogst te zijn. De psychomotoriek testte hij met behulp van de O’Connortest, waarbij de tijd, die nodig is om een aantal staafjes in daartoe bestemde gaatjes te stoppen als maat wordt gebruikt voor de psychomotoriek. Postmenstrueel bleek de be­ nodigde tijd significant lager te liggen dan in andere fasen van de menstruele cyclus, hetgeen wijst op een betere psychomotoriek in de postmenstruele fase.

DÖRING (1963) citeert Aulhom, die een duidelijk verband vond tussen de men- struele cyclus en de frequentie, waarmee intermitterende lichtsflitsen vertoond moeten worden willen zij als een continu lichtbeeld worden ervaren, de zg. ver- smeltingsfrequentie. Er bestond postmenstrueel een significant minimum in de versmeltingsfrequentie hetgeen de onderzoeker duidt als een uiting van een functioneel maximum.

DÖRING (1954) vond geen invloed van welk gedeelte van de menstruele cyclus dan ook op de reactietijd of het coördinatievermogen van de vrouw. Wel bleek hem een gering effect op de evenwichtsregulatie, dat hij onderzocht door dagelijks de voor-achterwaartse bewegingen van het lichaam van de staande vrouw te meten en deze te vergelijken met het verloop van de basale temperatuur. De regulatie van het evenwicht bleek postmenstrueel het beste te zijn. Ook PIERSON en LOCKHART (1963) konden geen significante veranderingen in reactietijd of bewegingstijd tijdens de menstruele cyclus vaststellen.

HOSEMAN (1960) vond, dat sportprestaties van vrouwen drie dagen voor de menses een dieptepunt bereikten, terwijl het prestatieverlies tijdens de menstruatie zelve niet zo groot was. Ook citeert hij Bausenwein en Ingeman, die tijdens de Olym- pische Spelen te Helsinki in 1952 bij olympische kampioenen over het algemeen

54

geen prestatievermindering konden vaststellen tijdens de menses. Voorts bleek het RYDE (1957), dat 85% van de vrouwen in staat was tijdens de menses normale sportprestaties te leveren.

In verband met de mogelijke invloed van de premenstruele fase en/of de menses op het prestatievermogen van de vrouw wordt door sommige auteurs (o.a. DÖRING, 1963) gepropageerd om het menstruatietijdstip door middel van ovulatie-remmende stoffen naar een vroeger of later tijdstip te verleggen, wanneer tijdens de te ver- wachten menstruatie bepaalde sportprestaties geleverd moeten worden.

In haar rapport van 1961 over het doping-vraagstuk, heeft de Federatie van bureaus voor medische sportkeuring in Nederland ook aan dit facet aandacht besteed. „Aangezien dit het op tegennatuurlijke wijze opzettelijk verstoren van een fysiologisch gebeuren is, met de bedoeling prestatievermindering te voorkomen en dus niet op een medische indicatie berust, is dit als doping te beschouwen”. Slechts in bijzondere gevallen, wanneer de middelen gebruikt worden op voor- schrift van een arts wordt het verschuiven van het menstruatietijdstip door deze commissie toelaatbaar geacht.

NOACK (1957) komt op grond van zijn eigen bevindingenen de bevindingen van anderen tot de uitspraak, dat het voor de praktijk van belang is, dat bij lopende- bandwerk en machine-gebonden arbeid van de vrouw rekening gehouden wordt met prestatiewisselingen gedurende de menstruele cyclus. Nog beter zou het echter zijn om de vrouw arbeid te laten verrichten, waarbij prestatiewisselingen geen al te grote invloed op de produktiviteit betekenen.

De lichamelijke conditie tijdens de verschillende fasen van de menstruele cyclus werd onder andere bestudeerd door KIKILLIUS. Zij beschrijft in haar proefschrift (1960) een onderzoek naar het verband tussen de mortaliteit wegens interne ziekten en de menstruele cyclus. Zij vond omtrent 111 vrouwen, die tussen 1950 en 1959 in de Universiteitskliniek te Mainz gestorven waren en van wie de menstruatie- anamneses bekend waren, het volgende:

gestorven tijdens

menstruatiefase
(4 dagen)
follikelfase (10 dagen) lutealefase (14 dagen)

statistische verwachting gevonden aantal

16 (14%) 39 (35%) 56 (51%)

40 (36%) 20 (18%) 51 (46%)

Zij schrijft als conclusie o.a. : „Diese Ergebnis berechtigt nur zu der Vermutung, dasz ein Zusammenhang zwischen der unterschiedlichen Häufigkeit der Todesfälle und der Follikel – bzw. der Menstruationsphase besteht”.

MC KINNON en MC KINNON (1956) vonden bij de obducties van 47 vrouwen, die door een ongeval, suicide of ziekte gestorven waren, dat slechts twee overlijdens- gevallen in de follikelfase hadden plaatsgevonden en de overige in de luteale fase. Op grond hiervan adviseren zij om speciaal de ernstige operaties uit te stellen tot de follikelfase.

ANDREAS (1961) kwam op grond van een onderzoek bij 877 vrouwelijke patiënten tot de conclusie, dat infectieziekten tijdens het premenstruum veel frequenter voor- kwamen dan in andere fasen van de menstruele cyclus.

Afgezien van de invloed, welke de menstruele cyclus op het lichamelijk prestatie- vermogen heeft, worden de arbeidsprestaties zeker ook mede beïnvloed door ver-

55

anderingen in de psyche tijdens de verschillende fasen van de menstruele cyclus. In de door COPPEN en KESSEL (1963) terugontvangen vragenlijsten betreffende de menstruatie beschreven de meesten van de ongeveer 450 vrouwen hun gevoelens

tijdens de menstruatie als depressief en gespannen.
DORING (1963) vond drie dagen voor de menstruatie een psychisch dieptepunt,

dat zich uitte in een versterkte prikkelbaarheid en depressiviteit. Dit psychisch dieptepunt kon nog tot enige dagen van de menstruatie aanhouden.

DALTON heeft veel werk verricht over de invloed van het menstruele gebeuren op het prestatievermogen van de vrouw. Uit een onderzoek bij 217 meisjes tussen de 11 en 17 jaar (1960a) bleek haar, dat tijdens de menstruatie 25% der meisjes gemiddeld lagere cijfers voor hun werk behaalden tegen 21 % hogere cijfers tijdens deze periode. Premenstrueel was dit respectievelijk 27% en 17% en postmenstrueel hadden 10% der meisjes lagere tegen 30% hogere cijfers voor hun schoolwerk.

Bij een vergelijking van de datum en aard van vergrijpen met de menstruatiedata op een meisjeskostschool (1960b) vond DALTON, dat van 272 vergrijpen er 29% door de meisjes tijdens een menstruatie waren gepleegd. Deze vergrijpen waren voornamelijk het gevolg van slordigheid en vergeetachtigheid.

Gedurende een halfjaar heeft DALTON alle vrouwelijke delinquenten beneden de 55 jaar in een der Engelse gevangenissen geïnterviewd in de eerste week van hun opsluiting (1961). Het bleek haar, dat bijna de helft van alle misdaden (49 %) waren gepleegd tijdens de menstruatie of in het premenstruum. Het verwachte aantal bij een normale verdeling over de gehele menstruele cyclus was voor de genoemde periode 29%. Het verband tussen menses en premenstruum enerzijds en misdaad anderzijds bleek zeer sterk significant te zijn. Haar conclusie luidde, dat de hormo- nale veranderingen bij de menses het individu waarschijnlijk minder vatbaar maken voor discipline. Het ongunstige effect van de menstruatie was het grootst bij de vrouwen met premenstruele spanning. Volgens DALTON zou de daar mee gepaard gaande verschijnselen van lethargie, langere reactietijd en geestelijke dofheid aan- leiding zijn tot snellere opspoorbaarheid van de vrouw na het delict.

COOKE (1945) vond, dat 84% van de vrouwen met een strafregister het delict vlak voor of tijdens de menses had gepleegd.

VANASSEN (1962) wijdt in zijn proefschrift over de premenstruele spanning (P.S.) een geheel hoofdstuk aan het verband tussen de P.S. en criminaliteit. Hij citeert onder andere vele auteurs uit het einde der vorige en het begin van deze eeuw, die allen wijzen op een verband tussen menstruatie en delicten, zoals bijvoor- beeld kleptomanie, pyromanie, nymfomanie, moordzucht en suicide. Zo duidelijk achtte VONKRAFFT-EBING (1902) het ‘auslösende Moment’, dat hij stelde: „het bestaan van geestelijke integriteit van een menstruerende vrouw is aanvechtbaar in forensische zin”. Vele recentere onderzoekingen hebben echter volgens DÖRING (1963) aangetoond, dat de toerekeningsvatbaarheid nauwelijks of niet beïnvloed wordt door de menstruatie.

FAZEKAS en JAKOBOviTZ (1956) onderzochten de geslachtsorganen van 300 vrouwen, die tengevolge van suicide stierven. 104 vrouwen, die binnen 8 dagen na de zelfmoordpoging stierven menstrueerden. Hun – voorzichtig gestelde – conclusie was, dat de schommelingen in de hormoonstofwisseling als gevolg van verande- ringen in de genitalia, mede een rol als zelfmoordbevorderende factor vervullen. In de meeste gevallen zou er echter primair een pathologische toestand in het centrale zenuwstelsel zijn.

56

Uit de obducties welke мс KINNONen мс KINNON(1956) verrichtten op 23 vrou­ wen, die tengevolge van zelfmoord gestorven waren, bleek hun, dat 22 van deze vrouwen in de luteale fase verkeerden.

  1. MAYER wees in 1958 op de ‘Unfallsbereitschaft’ tijdens de menstruatie als gevolg van verminderde opmerkzaamheid en reactievermogen, DALTON (1960c) hield een enquête onder 124 vrouwen tussen 15 en 55 jaar, die in de woning, op straat of in de fabriek een ongeval was overkomen. Het bleek haar, dat 44 hunner dit ongeval tijdens de menstruatie of in de vier daaraan voorafgaande dagen was overkomen. Zij concludeerde daaruit, dat er ‘zonder enige twijfel’ gedurende de menses en de vier daaraan voorafgaande dagen een verhoogde neiging tot onge- vallen bestaat. Dit zou volgens schrijfster het gevolg zijn van een zekere lethargie met verminderde mogelijkheid tot oordeelsvorming en vertraging van het reactie- vermogen.

In aansluiting aan de door hen vastgestelde onafhankelijkheid van reactiesnelheid aan enigerlei fase van de menstruele cyclus, poneren PIERSONen LOCKHART (1963), dat de ‘accident-proneness’ en de verminderde ‘efficiency’ gedurende de pre- menstruele periode en tijdens de menses, waarschijnlijk een gevolg zijn van onoplettendheid, welke secundair is aan een verhoogde afleidbaarheid tengevolge van onwelbevinden.

Over de oorzaak van deze cyclische schommelingen in het geestelijk en licha- melijk prestatievermogen van de vrouw is veel gepubliceerd, doch een geheel bevredigende verklaring kan tot op heden nog niet gegeven worden. De belang- rijkste theorieën verklaren de veranderingen uit een stoornis van het vegetatieve zenuwstelsel of een verstoring van het hormonale evenwicht, TIETZE (1952) schrijft, dat de dieptepunten van het lichamelijk en geestelijk prestatievermogen samen- vallen met de twee hormonale dieptepunten, namelijk de ‘HormonabfaH’ vlak voor de menstruatie en de ‘Hormonumstellung’ bij de ovulatie. Het minimum in de

hoeveelheid follikelhormoon vlak voor de menstruatie valt samen met een diepte- punt in het lichamelijk en geestelijk prestatievermogen. Hoe diep deze dieptepunten in feite zullen zijn is volgens TIETZE afhankelijk van de regulerende mechanismen via tussenhersenen en vegetatief zenuwstelsel. Als symptomen van het niet goed functioneren van deze ‘Gegenregulationen’ noemt hij onder andere:

  1. een verlaagd prestatievermogen vlak voor de menses.
  2. premenstruele veranderingen in het bloed (toeneming van bloedvolume en

erythrocytenaantal, leucocytose en een iets verlengde stollingstijd),

  1. verhoogde vatbaarheid voor of excacerbaties van infectieziekten tijdens de

menstruatie,

  1. premenstruele en menstruele veranderingen in de motiliteit van de darm

(diarrhoe of obstipatie),

  1. menstruele dermatosen (acne!),
    6. het optreden van conjunctivitiden tijdens de menses,
    7. het manifestworden van neurosen en psychosen in de menstruele periode.

PATHAK en KAHALi (1957) vonden een afneming van het aantal eosinofiele leuco- cyten tijdens het intermenstruum en een toenemen van het aantal aan het einde van de menses of kort daama.

Bij een onderzoek naar het hemoglobinegehalte en het erythrocytenaantal bij 23 gezonde vrouwen vond KNUTH (1937), dat deze premenstrueel stegen en een maxi-

57

mum bereikten kort voor of bij het begin van de menses. Tijdens de menses trad er weer een daling op, welke maximaal was op het eind van de fluxus.

DÖRING (1953) vond premenstrueel een versnelling van de polsfrequentie, een vergroting van het hartminutenvolume en een verlaagde vitale capaciteit van de longen. Deze functies bereikten bij het begin van de menses weer normale waarden. Tezamen met SCHAEFERS vond DÖRING (1951) bij 6 gezonde vrouwen tijdens het premenstruum nauwere pupillen dan in het postmenstruum, wat naar hun mening een gevolg zou zijn van een tonusverhoging van het parasympathische zenuwstelsel voor en gedurende de eerste twee dagen van de menstruatie.

  1. INVLOED VAN DE ARBEID EN HET BEROEP OP DE MENSTRUELE CYCLUS

Afgezien van de invloed, welke de verschillende fasen van de menstruele cyclus op de arbeidsprestatie kunnen oefenen, zou er ook een invloed van de arbeid op de menstruele cyclus bestaan. Hierover is echter veel minder bekend.

In paragraaf 2 van dit hoofdstuk werd reeds gewezen op de vertragende invloed, welke zware lichamelijke inspanning van jonge meisjes tijdens de ontwikkelings- jaren op het menarchetijdstip zou hebben.

In paragraaf 5 zal nog gesproken worden over de vaak tegenstrijdige meningen, welke er bestaan over de invloed van het beroep en de arbeid op het vóórkomen van dysmenorrhoe.

HESSELTINE (1944) ontkent, dat er een invloed van bepaalde werkzaamheden op de menstruatie bestaat, RYDE(1957) kon bij 35 vrouwelijke atleten geen afwijkingen vinden op het gebied van de menstruatie, de fertiliteit of de zwangerschap als ge- volg van hun sportprestaties. Ook ROUGIER en LINQUETTE (1962) konden bij hun onderzoek van vrouwelijke studenten tussen 19 en 25 jaar geen significante invloed van lichamelijke activiteiten op de menstruele cyclus vaststellen, DÜNTZER en HELLENDALL (1929) zagen bij observaties van 62 vrouwelijke sportslieden, dat

zware inspanning tijdens een wedstrijd over het algemeen een ongunstige invloed had op het ongestoord verloop van de daaropvolgende menstruatie. Volgens dezelfde onderzoekers hebben een relatief groot aantal sportleraressen dysme- norrhoe.

Arbeid, welke door de zwaarte of ongewoonte de kracht van de individuele vrouw te boven gaat, kan volgens TIETZE (1952) amenorrhoe doen ontstaan. Kort- durende amenorrhoe zag hij bijvoorbeeld bij plattelandsvrouwen optreden tijdens oogstperioden, waarin zeer zware en langdurende arbeid van deze vrouwen gevergd werd.

KÖPPiCH e.a. (1958) zagen veel menstruatiestoornissen onder 258 arbeidsters in een confectie-industrie, doch in 75% der gevallen bestonden deze reeds voor de indiensttreding.

Van oudsher achtte men zware lichamelijke inspanning gedurende de graviditeit schadelijk voor de goede ontwikkeling van de vrucht. Tot op heden is er echter nog geen duidelijke aanwijsbare samenhang gevonden tussen de verrichte arbeid en het optreden van abortus en uit observaties van sportsvrouwen, die, ondanks het bestaan van een – niet bekende – graviditeit topprestaties leverden, is gebleken, dat een normale graviditeit geen schadelijke gevolgen ondervond van deze zware lichaamsinspanningen.

58

Wel moet men bedacht zijn op de mogelijkheden van een intoxicatie van de vrucht tengevolge van bepaalde beroepsbezigheden van de aanstaande moeder en de daaruit voortvloeiende beschadigingen van vrucht en/of placenta. Een sub- toxische concentratie voor de moeder kan letaal blijken te zijn voor de vrucht. Voorbeelden van giffen, welke de vrucht kunnen schaden zijn onder andere lood (drukkerijen), arseen, fosfor, salicylzuur, jodium, kwik (spiegelfabrieken), zwavel- koolstof en tabak. Het werken met radio-actieve stoffen of röntgenstralen door de aanstaande moeder kan dood of beschadiging van de zich ontwikkelende vrucht tot gevolg hebben.

In de tweede helft van de zwangerschap zal de grootte van de zich ontwikkelende vrucht bezwaren kunnen gaan opleveren bij het verrichten van bepaalde werkzaam- heden. Staande arbeid kan stuwing in de perifere circulatie geven, waardoor het optreden van varices, hemorrhoïden en pretibiaal oedeem bevorderd wordt. Ook zittend en bukkend werk kan tot dezelfde bezwaren aanleiding geven. Door de (extra-) belasting, welke de vrucht voor het moederlijk circulatie-apparaat betekent, zal het verrichten van zware arbeid in deze periode vrijwel altijd gecontra-indiceerd zijn. FORSSMAN (1963) meent dan ook, dat het uit medisch oogpunt in bepaalde beroepen wenselijk is, dat de arbeid 4 tot 6 weken voor de verwachte partus wordt onderbroken tot eenzelfde periode na de bevalling. Deze wenselijkheid is, onder andere door de Nederlandse wetgever, reeds lang gerealiseerd voor de vrouwen, die in loondienst werkzaam zijn.

  1. BEROEP EN DYSMENORRHOE

De meningen, over het verband tussen het vóórkomen van dysmenorrhoe en de soort arbeid, welke verricht wordt, variëren in de literatuur van ‘geen invloed’ tot ‘duidelijk verband’.

LAKEMAN (1933) vond geen significante verschillen tussen het optreden van dysme- norrhoe bij vrouwen, die tijdens de arbeid voortdurend stonden of zaten en vrou- wen, die in beweging waren. Volgens HESSELTINE(1944) zouden ‘gewone’ menstrua- tiestoomissen geen gevolg zijn van het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Ook DAVIS (1938) vond geen verband tussen dysmenorrhoe en beroep of werk- houding. DRiLLiEN (1946) zag in haar onderzoek bij 714 vrouwelijke militairen geen verschil in het vóórkomen van dysmenorrhoe tussen de groep vrouwen met zittend werk en de groep met meer ambulante werkzaamheden. Ook SVENNERUD (1959) schaart zich onder auteurs, die geen verband tussen dysmenorrhoe en arbeid aannemen.

DE VERE (1960) drukt zich zeer voorzichtig uit door te verklaren, dat dysmenorr- hoe bij vrouwen met zittend werk meer lijkt voor te komen, FLUHMAN(1956) meent, dat langdurende arbeid en een zittend beroep een ongunstige invloed hebben op de pijnlijkheid van de menses.

BAETJER(1946) neemt aan, mede op grond van de studie van Ewing, dat er wel een verband met het beroep aanwezig is. Ewing publiceerde in 1942 een studie over 14.000 vrouwen, die behoorden tot het w.A.A.F.-personeel in Engeland. Hij toonde aan, dat er meer menstruatieklachten voorkwamen bij vrouwen in zittende be- roepen (telefonistes, télexistes, e.d.) dan bij degenen, die in meer actieve beroepen werkzaam waren, KRONENBERG (1944) meent, dat dysmenorrhoe onder arbeidsters, die fysiek actief zijn, niet zoveel verzuim veroorzaakt als onder kantoormeisjes.

59

HOFSTÄTTER (1962) vestigt er de aandacht op, dat veel lopen, machinenaaien en voetbediening van machines gemakkelijk aanleiding kunnen geven tot het op anti-peristaltische manier terugdrijven van bloed of stukjes uterusslijmvlies in de tuba. Als gevolg hiervan zouden ontstekingen van uterus, tubae of peritoneum kunnen ontstaan, welke het optreden van een (secundaire) dysmenorrhoe tot gevolg kunnen hebben.

KÖPPicH e.a. (1958) verrichtten een onderzoek over de invloed van werk aan de lopende band in de confectie-industrie. Zij vonden bij 212 van de 258 arbeidsters een stoornis van de menstruele cyclus. Bij 159 bestond de stoornis echter reeds voor de tewerkstelling in de industrie. In de meeste gevallen was een oorzaak te vinden in een ontsteking van een deel van het genitaalapparaat, De auteurs konden geen verband vinden tussen het beroep en het optreden van de metro-adnexitiden. De arbeidsprestatie bleek echter in negatieve zin beïnvloed te worden door gyneco- logische afwijkingen. Door middel van dynamometrie der vingerflexoren toonden zij een vermindering en een snellere vermoeidheid van de vingerflexie aan bij 75 % der meisjes, die een gynecologische afwijking hadden. Bij meisjes met heftige dysmenorrhoeklachten kon de arbeidsprestatie zelfs tot ongeveer 10% dalen.

60

HOOFDSTUK 5 DYSMENORRHOE (I)

  1. INLEIDING EN BEGRIPSOMSCHRIJVING

De naam dysmenorrhoe betekent met een vrije vertaling van de Griekse naam (onder)delen : ‘bemoeilijkte maandelijkse vloeiing’. Ondanks het feit, dat de vroege- re opvatting over de genese van de dysmenorrhoe, waarbij de pijn tijdens de menstruatie werd beschouwd als een gevolg van een bemoeilijkte afvloed der menstruele afvalstoffen door obstructie, niet houdbaar is gebleken, is de naam nog steeds gehandhaafd.

Over de inhoud van het begrip dysmenorrhoe zijn de meningen in de literatuur sterk verdeeld. Een verdeeldheid, welke mogelijk is voor ieder fenomeen, waarbij de intensiteit van pijn als belangrijkste component aanwezig is. Zolang een pijn- sensatie nog alleen subjectief te waarderen valt, zal iedere poging tot begripsom- schrijving en definiëring van het begrip dysmenorrhoe een slag in de lucht blijven.

TAYLOR betoogde in 1942, dat de normale menstruatie niet vergezeld gaat van pijn of onwelbevinden, DAVIS (1938), FLUHMANN (1956) en ook ISRAEL (1959) menen echter, dat iedere vrouw tijdens de menses wel iets voelt, al zal dit zich veelal beperken tot een licht onwelzijn. Zij reserveren het woord dysmenorrhoe, evenals STOECKEL (1947), voor de abnormaal pijnlijke menstruatie. Wanneer moeten we echter van een ‘abnormale’ pijn spreken? Is iedere pijn in feite niet abnormaal? ROGERS (1964) schreef dan ook: „It becomes a matter of fine distinction, to de- termine the point beyond which the normal distress of menstruation is to be defined as dysmenorrhoe”.

ISRAEL spreekt van dysmenorrhoe als de menses zo pijnlijk zijn, dat ze de patiënt noodzaken de normale levenswijze voor enkele uren of dagen te onderbreken en medische hulp te zoeken. Ook WHITE (1949) en LUKAS (1965) gebruiken het cri- terium van het onderbreken der normale wijze van leven, WHITE schrijft: „any degree of pain during menstruation sufficient to interfere with a woman’s normal occupation, may be placed in the category of dymenorrhoe”.

TIETZE (1952) noemt de klachten, waarmee een menstruatie gepaard gaat eerst dan dysmenorrhoe, als deze aanleiding geven tot een tijdelijke arbeidsongeschikt- heid, KÜSTNER (1933) definieert dysmenorrhoe met: „das Unbehagen bei der Menstruation, welche sich zu einem grade steigert, der eine Ausübung des Berufes oder irgend-welcher Tätigkeit unmöglich macht”.

Bij welke mate van pijn of onbehagen zullen vrouwen hun levenswijze of arbeid onderbreken c.q. medische hulp inroepen? Het zal wellicht een groot verschil maken of een huismoeder pijn bij de menstruatie ervaart of een kantoor- of fabrieks meisje. In feite zijn vaak juist andere argumenten dan het ervaren van pijn, be- palend voor het zich al-of-niet arbeidsgeschikt voelen. Hoeveel vrouwen zullen het

„Like endometriosis it is an affliction of civilization”.
(DE VERE – Practioner 185 (1960), 308.

61

menstruele gebeuren juist niet aangrijpen voor het legaliseren van hun arbeids- verzuim of slechtere arbeidsprestaties?

Ook het inroepen van medische hulp is een louter individuele beslissing; voor de een zal dit een vanzelfsprekendheid zijn bij ieder onwelbevinden, terwijl de ander slechts bij zeer hoge uitzondering haar arts zal consulteren.

Iedere beperking in de definitie van de dysmenorrhoe roept (zeer moeilijk exact te beantwoorden) vragen op. Alleen de meest ruime begripsomschrijving lijkt ons enige kans te hebben als gespreksbasis voor een normalisatie van het dysmenorrhoe begrip te kunnen dienen, daar dan de subjectieve interpretatie van patiënt en onder- zoeker tot een minimum beperkt kan worden.

Voor het in deze studie verwerkte onderzoek is dan ook bewust uitgegaan van een zo ruim mogelijk gestelde inhoud van het begrip dysmenorrhoe. Onder dysme- norrhoe werd in ons onderzoek verstaan :
alle periodiek optredende klachten van pijn en onwelbevinden, welke samenhangen met de menstruatie, aanvangen kort voor of tijdens de menstruatie en enkele uren na het begin der menses of ten laatste tegelijk met de menstruatie eindigen.

Rest ons nog de begrippen dysmenorrhoe enpremenstruele spanning afte bakenen.

Sommige auteurs vatten beide syndromen eenvoudigheidshalve samen onder de naam menorrhalgie, waaronder zij dan begrijpen het complex van de klachten, welke kunnen optreden in de week voor en tijdens de menstruatie. Begrijpelijk is dit wel als men weet, dat de premenstruele spanning en de dysmenorrhoe vaak ongemerkt in elkaar overgaan. Toch pleit VAN ASSEN (1962) in zijn proefschrift over de premenstruele spanning (P.S.) voor een gescheiden houden van beide syndromen ; zowel wat betreft de diagnose als de behandeling.

De p.s. begint 4 tot 14 dagen voor de te verwachten menstruatie en verdwijnt volledig en vrij acuut bij het begin van de menses. Centraal staat daarbij de klacht van prikkelbaarheid, al of niet gepaard gaande met depressie, angst, moeheid, hoofdpijn, hyperplasia mammae, nostalgie, obstipatie, acne e.d. Bij het onderzoek blijkt een premenstruele gewichtstoeneming vrijwel nooit te ontbreken. Slechts bij 9 van de 18 door VAN ASSEN uitvoerig onderzochte patiënten met P.S. bestonden tevens klachten van (primaire) dysmenorrhoe.

Dysmenorrhoe begint hoogstens één dag voor de te verwachten menstruatie en verdwijnt tijdens of tegelijk met de menses. De belangrijkste klacht hierbij is de pijn in de onderbuik en/of in de rug, eventueel gepaard gaande met andere klach- ten, zoals hoofdpijn, misselijkheid en -zelden – braken of coUapsgevoelens. Een overzicht van enkele verschillen tussen dysmenorrhoe en premenstruele spanning wordt gegeven in tabel 39.

Tabel39. In de literatuur aangegeven verschillen tussen dysmenorrhoe en premenstruele spanning

begin der klachten eind der klachten

belangrijkste klacht objectieve bevindingen

primaire dysmenorrhoe

ten hoogste 1 dag voor de menstruatie
ten laatste bij het einde van de menses

buikpijn en/of rugpijn nihil

premenstruele spanning

4 tot 14 dagen voor de men- struatie
vlak voor de menses

prikkelbaarheid gewichtstoeneming

62

Over de etiologie van zowel de p.s. als de dysmenorrhoe bestaan vele hypothesen, p.s. zou het gevolg zijn van een hormonale dysfunctie of een endogene allergie voor de eigen geslachtshormonen, waardoor een abnormale Natrium- en vocht- retentie zou ontstaan, welke het optreden van hersenoedeem tot gevolg heeft. Dit hersenoedeem zou volgens Selye de klachten van de p.s. veroorzaken. Ook de pre- menstruele gewichtstoeneming kan volgens TIETZE (1952) verklaard worden met deze vochtretentie. MORTON (1960) vond bij patiënten m et p.s. een hypoglycémie, welke hij verklaarde door aan te nemen, dat een verandering in de koolhydraat- stofwisseling optreedt, als gevolg waarvan een verhoogde glucosetolerantie ont- staat.

Van de 18 patiënten van VAN ASSEN bleken 16 in hun jeugd niet en de overige 2 inadequaat ‘voorgelicht’ te zijn en bij 13 hunner hadden neurotische klachten in de jeugd bestaan. Op grond van zijn onderzoek komt hij tot dezelfde conclusie als Hauser, die stelt, d a t d e premenstruele spanning moet worden beschouwd als een aspecifiek prikkelsyndroom v a n d e tweede cyclushelft, d a t meer bepaald wordt door de lage pnkkeldrempel dan door pathologische factoren, al dan niet hormo- naal, allergisch of tengevolge van vochtretentie.

  1. SECUNDAIRE DYSMENORRHOE

BIJ de secundaire dysmenorrhoe zijn de pijnklachten het gevolg van een afwijking in het kleine bekken. Ze treden meestal pas verscheidene jaren na de menarche voor het eerst op, na vele jaren van pijnloze en relatief pijnloze menstruaties (DE VERE, 1960; DOYLE, 1955; DAVIS, 1938). Soms pas zelfs in de tweede of derde decade (DOYLE, 1955).

De pijnklachten beginnen meestal reeds enkele dagen voor d e t e verwachten menstruatie en blijven gedurende enkele dagen (DOYLE) of gedurende de gehele menses aanwezig.

De afwijkingen in het kleine bekken geven aanleiding tot een congestie, welkede menstruatiepijn veroorzaakt. D e aard der pijn is veelal dof, diffuus stekend of brandend (DOYLE, DAVIS).

De lokalisatie der pijn correspondeert vaak met de lokalisatie van de afwijkingen (DAVIS). DOYLE en FLUHMANN (1956) schrijven, dat de pijn in een of beide fossa iliacae of in de onderbuik om de mediaanlijn is gelokaliseerd en soms uitstraalt naar het laagste deel van het sacrum of naar de mediale of achterzijde van de dij of soms zelfs tot in de vagina.

Oorzaken van de secundaire dysmenorrhoe zijn onder andere’

Hypoplasie van het genitaalapparaat In 60 % van de gevallen van secundaire dysmenorrhoe zou dit volgens HOYTEMA en JOOSSE (1950) de oorzaak zijn Het kan gepaard gaan met hypo- of hypermenorrhoe
KONIG (1959) vond bij vrouwen met dysmenorrhoe m 23% van de gevallen een hypoplasie tegen 8,6% bij vrouwen zonder dysmenorrhoe V an de 100 patiënten met dysmenorrhoe, welke door LUKAS (1965) uitvoerig werden onderzocht, hadden er 60 een meer of minder uitgesproken hypoplasie van het genitaalapparaat. Volgens deze auteur is de hypoplasie echter zeker niet de direkte oorzaak van de dysmenorrhoe

Ontstekingen in h e t kleine bekken, waarbij congestie en/of prikkeling v a n h e t peritoneum optreedt. De pijn treedt hierbij op voor de te verwachten menstruatie Bij ontstekingen van de adnexa is de pijn meer lateraal gelokaliseerd

  1. Submukeuze myomen of uteruspohepen Vooral als deze gesteeld zijn zal de uterus ze

63

reflectoir als corpora aliena pogen uit te drijven Volgens KÖNIG (1959) heeft 1 van de 3 à 4

vrouwen met deze afwuking dysmenorrhoeklachten.

  1. Endometriosis Deze wordt gekenmerkt door een sterk progressieve pijn vóór de te ver-

wachten menses.

  1. Gefixeerde retroflexio uten of cervixstncturen, als gevolg van traumata of ontstekingen,

welke aanleiding hebben gegeven tot de vorming van adhesies of stricturen in en om de

inwendige genitalia.

  1. Membraneuze dysmenorrhoe (Uterus ichtyosis, dysmenorrhoea apoplectica). Deze zeld-

zame vorm van dysmenorrhoe, waarbij grote lappen endometrium of gehele afgietsels van het endometrium onder spastische pijnen worden uitgedreven, is voor het eerst beschreven door Morgagni m 1779
Er zijn in de loop der jaren vele theorieën ontwikkeld over de enologie van deze aandoening. De meest bevredigende tot op heden is die van ISRAEL (1959). Deze auteur meent, dat er primair een verhoogde produktie van oestrogenen en progesteron ontstaat, welke aan- leiding geeft tot hyperplasie van het endometrium. Dit verdikte endometrium ondergaat een incomplete desintegratie ten tijde van de menstruatie waama necrotische lappen onder reflectonsch ontstane koliekachtige contracties van de uterus uitgestoten worden. Pro- gestrontoediening verergert de klachten. De beste behandeling zou bestaan uit een remming van de ovulatie (GREENBLATT e.a., 1954).

  1. Anomalieën van de genitalia, zoals uterus bicorms en hymen imperforata.
  2. Sterke hyperemie m het kleine bekken als gevolg van vankeuze bloedvaten, obstipatie of

seksuele prikkels.

  1. Helminthiasis (DAvis).
  2. Soms is er een duidelijk verband tussen het vóórkomen van dysmenorrhoe en appendicitis. Een enkele maal begint de dysmenorrhoe echter juist na een appendectomie; waarschijnlijk als gevolg van adhesievorming.
  3. PRIMAIRE DYSMENORRHOE

Verreweg het grootste deel van de gevallen van dysmenorrhoe zijn primair, DA vis schat het aantal op 82% van alle gevallen van dysmenorrhoe. SVENNERUD (1959) vond op 197 vrouwen, die wegens dysmenorrhoe gynecologisch onderzocht wer- den, bij 175 ervan (88,9%) geen afwijkingen, FURUHJELM (1963) echter kon bij de helft van 182 vrouwen, die haar wegens dysmenorrhoe consulteerden, een orga- nische oorzaak vaststellen.

Strikt gesproken zijn alle vormen van dysmenorrhoe secundair; secundair namelijk aan een bepaalde ziekte of afwijking of aan een hormonale of nerveuze dysfunctie. DAMS (1938) definieert de primaire dysmenorrhoe daarom als: alle gevallen van dysmenorrhoe, welke beginnen tegelijk met of in de eerste twee jaren van de puberteit, waarbij geen duidelijke macroscopisch zichtbare pathologische afwijkingen bestaan en anamnestisch geen verschijnselen van een genitale infectie gevonden zijn.

De diagnose van primaire dysmenorrhoe mag volgens SCHMIDT(1964) alleen per exclusionem gesteld worden; dus pas nadat een grondig gynecologisch onderzoek geen objectieve afwijkingen in het kleine bekken heeft onthuld.

Er bestaan vele synoniemen voor de naam primaire dysmenorrhoe; zoals onder andere: essentiële dysmenorrhoe, spastische of spasmodische dysmenorrhoe, intrinsieke dysmenorrhoe en idiopathische dysmenorrhoe.

Primaire dysmenorrhoe is soms reeds aanwezig van de eerste menstruatie af. V olgens RANDALL en ODELL (1943) treedt in 65 % der gevallen primaire dysmenorr- hoe reeds vanaf de menarche op. GOLUB e.a. (1963) vonden dat bij 9 van 30 onder- zochte meisjes reeds ernstige dysmenorrhoeklachten bij de eerste menstruatie aanwezig waren.

64

Meestal echter begint de primaire dysmenorrhoe pas enkele maanden tot jaren na de menarche. Dit is zeer waarschijnlijk en gevolg van het feit, dat de eerste cycli na de menarche anovulatoir van aard zijn.

Primaire dysmenorrhoe wordt het meest frequent aangetroffen in de derde levensdecade met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar (FLUHMANN, 1956).

Karakter van de pijn. Het is meestal een scherpe, koliekachtige, weeënachtige pijn, welke gelokaliseerd is laag-mediaan in de regio hypogastrica van de onderbuik (‘douleur aux mains croisséés’) en kan uitstralen tot in de rug (ruit van Michaelis), dijen, rectum en vagina (HOYTEMA en JOOSSE, 1956; DOYLE 1955 e.a.). BILLIG (1943) vond, dat de buikkrampen vaal gelokaliseerd waren in de huidgebieden, welke vanuit de ruggemergsegmenten Th. 12 of L.l gei’nnerveerd worden of langs de takken daarvan, de nn. ilio-inguinales en de nn. ilio-hypogastrici. De lokalisatie van de rugpijn staat volgens BILLIG in verband met de plaats van aanhechting der ligamenta flavae aan de wervelkolom.

THEOBALD (1946) wijst op het feit, dat de uteruspijn veelal uitstraalt in de huid- gebieden, welke geïnnerveerd worden door takken van de eerste lumbale zenuw. Diepe palpatie boven de linker processus transversus van de tweede lumbale wervel, op het einde van de eerste lumbale zenuw, veroorzaakt pijn bij vrijwel alle vrouwen met dysmenorrhoe. Anesthesie van de huidgebieden, waarin de uterus- pijnen uitstralen, kunnen deze pijnen doen verdwijnen.

De krampen houden meestal 1 tot 3 minuten aan en treden op met intervallen van 15 tot 20 minuten. Niet alle krampen behoeven echter met pijn gepaard te gaan (FLUHMANN, 1956). Een enkele maal is de pijn bij de primaire dysmenorrhoe con- tinu en dof van karakter en wordt dan meer in de rug dan in de buik ervaren. In deze gevallen bestaat er een veneuze stuwing in het kleine bekken tijdens de menstruatie, zoals dit bij vele vormen van secundaire dysmenorrhoe ook het geval is (‘pelvic congestion syndrome’)·

Begin van de Machten. De pijn begint enkele uren voor de te verwachten menstrua- tie, synchroon met de fluxus of in de loop van de eerste menstruatiedag (DOYLE, 1955; DE VERE, 1960; ISRAEL, 1959 e.a.). De pijn verergert vaak gedurende de eerste uren van haar optreden en vermindert 8 tot 10 uren na het begin van de fluxus geleidelijk in intensiteit.

DAVIS verzamelde 681 gevallen van dysmenorrhoe uit eigen materiaal en dat van andere auteurs. Hij vond, dat de menstruatiepijn in 15,5% der gevallen premen- strueel, in 51,4% tijdens de menses en in 26,4% zowel tijdens als voor de menses optrad. In de overige gevallen bestond geen regelmaat in het tijdstip van het op- treden van dysmenorrhoe.

Bij een onderzoek van 350 vrouwen met dysmenorrhoe vond MUSHLIN (1961), dat de pijn bij 47,6% van de vrouwen premenstrueel begon en bij 52,4 % synchroon met de menses. Van 83 vrouwen met dysmenorrhoe, welke door LUKAS (1965) werden onderzocht, bleken de klachten bij 61 vrouwen premenstrueel, bij 19 gelijk met het optreden van de fluxus en bij 3 tijdens de fluxus te beginnen.

Duur der klachten. D e duur der pijnklachten varieert van enkele uren tot twee à drie dagen (DEVERE, 1960 e.a.). WHITE e.a. (1949) schrijven echter, dat bij de primaire dysmenorrhoe de klachten alleen de eerste dag van de fluxus aanwezig zijn.

65

DAVIS vond, dat de dysmenorrhoeklachten in 48 % der gevallen een dag of korter duurde, in 36% der gevallen twee dagen en in 16% der gevallen langer dan twee dagen. Het maximum van de pijnintensiteit wordt volgens ISRAEL (1959) bereikt binnen 24 uur na het begin van de menses.

De primaire dysmenorrhoe kan voorafgegaan of vergezeld worden door ver- schijnselen, welke ook bij premenstruele spanning optreden, zoals hoofdpijn, moeheid, rillerigheid, bleekheid, anorexie, misselijkheid, braken, rugpijn, gewrichts- pijnen, algemene malaise, hyperesthesie, diarrhoe of constipatie, tenesmi, fre- quente mictie, syncope en bradycardie.

De hoofdpijn tijdens de menses is meestal van migraine-achtige aard en waar- schijnlijk endocrien van oorsprong (YOUNGMAN, 1959), waardoor spasme van her- senvaten of licht hersenoedeem optreedt. Het braken, de misselijkheid en de bradycardie zijn volgens ISRAELeen gevolg van overprikkeling van de nervus vagus. De rugpijn wordt meestal veroorzaakt door veneuze stuwing in het kleine bekken.

In tabel 40 wordt een overzicht gegeven van enkele verschillen tussen de primaire en secundaire dysmenorrhoe, zoals deze in de literatuur vermeld worden. Het zal echter soms onmogelijk blijken op grond van de in deze tabel genoemde verschillen de beide vormen te differentiëren, doordat ze zeer veel op elkaar kunnen gelijken.

Tabel 40. Verschillen tussen primaire en sekundaire dysmenorrhoe

eerste optreden van de dysmenorrhoeklachten

begin der klachten

duur der klachten

aard der klachten

lokalisatie

mate van bloedverlies

objectieve bevindingen differentiaal diagnose

primaire dysmenorrhoe

vaak reeds aanwezig bij de eerste ovulatoire bloeding

enkele uren voor of synchroon met de menses

enkele uren tot twee dagen

meestal koliekachtig, inter- mitterend

laag mediaan in onderbuik ot’ in de rug

meestal gering

negatief

spasmodische pijn op te wekken door het inbrengen van een uterussonde in het ostium internum van de uterus (ISRAEL)

secundaire dysmenorrhoe

soms pas na jaren van pijnloze menses

enkele dagen voor het begin van de menses

enkele dagen of de gehele menstruatie

meestal dof of diffuus-stekend

variabel, soms meer lateraal, soms uitstraling tot in de dij of vagina

hypomenorrhoe, hypermenorr- hoe of ‘normaal’

positief

pijn niet op te wekken door inbrengen van een uterussonde in het ostium internum van de uterus

Eigen onderzoek betreffende aard en duur der dysmenorrhoeklachten

In het kader van het interview-onderzoek te Rotterdam en Arnhem werd aan de vrouwen met dysmenorrhoe ook gevraagd naar de aard en de duur der klachten. Een overzicht van de genoemde klachten is te vinden in tabel 41. Daar sommige

66

Tabel 41. Klachten van de vrouwen met dysemenorrhoe uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de aard, het tijdstip en de duur

alleen Ie premenstrueel dag van

menstruatie
Rt Ahm Rt Ahm Rt Ahm Rt Ahm Rt Ahm Rt Ahm

buikpijn
rugpijn
hoofdpijn
malaise
misselijkheid
braken 14 duizeligheid 2 1
collaps 11 pijn of moeheid

in de benen 2 totaal 59 80 170 278

9 30 1 7 1 1

1

2

10

!91 327 24 55 8 14 11 1 5 10 43 1 2 11

45 57 135 227 5 11 16 33 3 6 4
4 7

2 3 2

Ie + 2e dag van de menstruatie

langer dan 2 dagen van menstruatie

gedurende de
gehele Totaal

12 38 15-4 245 415

vrouwen meer dan één klacht aangaven, is het totale aantal der vermelde klachten iets groter dan het aantal vrouwen met dysmenorrhoe.

Van de 660 genoteerde klachten blijken er 68% alleen op de eerste dag der menstruatie aanwezig te zijn, 7,5 % gedurende de eerste twee dagen en 3,5 % ge- durende langer dan twee dagen. In 21 % der gevallen traden de klachten alleen vlak voor de menstruatie op.

Voor wat de aard der klachten betreft, blijkt buikpijn verreweg het meest fre- quent te zijn (78% van alle klachten). Daarna komen in volgorde van frequentie: rugpijn (12%), hoofdpijn (3%), misselijkheid (2,3%), malaise, braken, duizeligheid, collaps en pijn of moeheid in de benen.

  1. DE PATHOGENESE VAN PRIMAIRE DYSMENORRHOE

Het vraagstuk van de oorzaak van de primaire dysmenorrhoe is nog steeds niet bevredigend opgelost. Er zijn zelfs auteurs, die het bestaan van een dysmenorrhoe zonder aantoonbare afwijkingen ontkennen, DOYLE (1955) en ISRAEL (1959) citeren beiden MILLER en BEHRMANN, die in 1953 schreven, dat: „the abscence of a patho- logical condition recognizable only by present methods does not necessarily prove that one does not exist”.

De meeste auteurs zijn het er echter over eens, dat een veelheid van factoren bij het optreden van primaire dysmenorrhoe een rol kan vervullen.

In de loop der jaren zijn vele hypotheses opgesteld over de genese van de pri- maire dysmenorrhoe. De belangrijkste hiervan zullen besproken worden.

4.1. Hypercontractiliteit der uterusmusculatuur

Uteruscontracties behoeven niet per se pijnlijk te zijn. Toch zijn ze bij de primaire dysmenorrhoe op de een of andere wijze verantwoordelijk voor de pijn. De versterkte contracties c.q. spasmen van de uterusspieren zouden op directe wijze of via een ischemische anoxie de sensibele zenuw- uiteinden in het myometrium prikkelen. Mogelijk ontstaat de pijn door retentie van normaliter

menstruatie

67

uitgescheiden metabolielen, welke de sensibele zenuweinden prikkelen DAVIS (1938) meent, dat de directe oorzaak van de pijn bij de dysmenorrhoe gezocht moet worden in een chemische prikkeling van de zcnuwuitcinden

MoiR heeft met behulp van intra-uterme ballons, welke aangesloten waren op een kymograaf, reeds in 1934 het bestaan van uteruscontracties en de veranderingen ervan tijdens de menstruele cyclus kunnen aantonen Het bleek hem, dat de uterus na een menstruatie gedurende 14 dagen kleine snelle contracties vertoonde met een frequentie van 3 tot 5 per minuut Daarna werden de contracties sterker en langer van duur (1 à 2 minuten) om een maximale intensiteit te bereiken in de eerste twee dagen van de menstruatie

Bij een vergelijking van de uteruscontracties bij vrouwen met en zonder dysmenorrhoe zag MOiR, dat bij de eersten de contracties sterker waren en langer aanhielden Pijn trad op wanneer de intra-uterme druk hoger was dan de systolische bloeddruk waardoor de bloedvaten gedurende de contracties dichtgeknepen werden en een ischemie van het myometrium tot gevolg had Deze ischemie zou dan – evenals dit bij angina pectoris en claudicatio intermittens het geval is – pijn veroorzaken

Ook OARETT (1960) heeft de uteruscontractiliteit bestudeerd door middel van het plaatsen van met water gevulde ballons in het lumen van de uterus Hij vond een basis-contractihteit (A- golven), welke bestond uit zeer kleine snelle samentrekkingen met intervallen van 10 tot 50 seconden en drukken variërend van 0,2 tot 1 mm Hg Na de ovulatie worden sterkere en langer- durcnde B-golven hierop gesuperponeerd, welke een maximum bereiken op de eerste dag der menses en verdwijnen bij het einde van de menstruatie Bij anovulatoire cycli bleken deze B- golven te ontbreken De circulatie in het myometrium werd reeds zeer duidelijk gestoord wanneer de druk in de uterus meer bedroeg dan 80 mm Hg

RANDALL en ODELL (1943) en ARTHURE (1957) onderschrijven het bestaan van abnormaal sterke uteruscontracties bij dysmenorrhoe WILSON en KURZROK (1947) konden echter geen verschil constateren tussen de uteruscontracties bij vrouwen met een normale menstruatie en die bij vrouwen met dysmenorrhoe

WOODBURY (1950) meent, dat het verschil tussen pijnlijke en pijnloze uteruscontracties gelegen is in het dysntmische en gedesorganiseerde karakter van de pijnlijke contracties HIJ kon met behulp van elektro-uterogrammen geen speciale typen van golven onderscheiden bij dysme- norrhoe Wel bleken er vaak gedesorganiseerde en gedeeltelijk gedesorganiseerde typen van contracties aanwezig te zijn bij vrouwen met dysmenorrhoe

Over het ontstaan van de versterkte contracties en spasmen van het myometrium bestaan verschillende hypothesen

a Stoornis іл hel neuro-vegetatieve zenuwstelsel

Tijdens de menstruele cyclus treden cyclische tonusveranderingen op tussen de sympathicus en de parasympathicus In de follikelfase zou het parasympathische systeem overheersen (trofotrope fase) en in de luteale fase het sympathische (ergotrope fase) Deze overgangen bij ovulatie en menstruatie ontstaan abrupt

DORING en SCHAEFERS (1951) hebben deze cyclisch optredende tonusveranderingen in het vegetatieve zenuwstelsel aangetoond door middel van het meten van de pupilwijdte In het premenstruum bleek de pupil nauwer te zijn dan in het postmenstruum De pupilverwijding vond plaats tijdens de menstruatie Deze auteurs concludeerden hieruit, dat de tonus van de parasympathicus verhoogd is tijdens de premenstruele fase en de eerste twee dagen van de menstruatie

De versterkte spasmen worden door ARTHURE (1957) toegeschreven aan een te sterke werking (‘overaction’) van de sympathicus, welke waarschijnlijk vanuit het centrale zenuwstelsel veroor­ zaakt wordt Geheel in overeenstemming hiermee merken GREENBLATT e a (1951) op, dat de dysmenorrhoe-pijn precies voldoet aan de criteria, welke door Leriche en Pfeiffer zijn opgesteld voor de sympathische pijn Het bleek WOODBURY (1950) niet mogelijk het syndroom van de dysmenorrhoe op te wekken door intraveneuze toediening van acetylcholine Het syndroom was ten dele wel op te wekken door histamine

b Stoornis in het hormonale evenwicht

DOYLE (1955) meent, dat een stoornis in het evenwicht tussen de regulatoren van de uterus­ contractiliteit de oestrogène stoffen en progesteron, oorzaak is van de hvpercontractiliteit der uterusspier Onder invloed van oestrogène stoffen wordt de motiliteit van de uterus, zowel wat

68

het aantal als de grootte van de contracties betreft, versterkt en de gevoeligheid van de uterus voor Oxytocine uit de hypofyseachterkwab vergroot (WHITE e a , 1949) Progesteron remt de motihteit van de uterus

Excessieve luteïnisatie en inadequate toediening van oestrogenen voor de remming van de ovulatie zouden volgens MILLS (1956) een verergerende invloed hebben op de dysmenorrhoe

Overproduküe van oestrogène stoffen wordt door sommige auteurs beschouwd als mogelijke oorzaak van de te sterke uteruscontracties Deze overproduktie van oestrogenen geeft in de uterus echter ook aanleiding tot het optreden van een sterke hypcrplasie van het endometrium, bekend als Hyperplasia glandularis cystica De bloeding, welke optreedt na deze Hyperplasie, is echter vrijwel altijd pijnloos Overigens ligt de top van de oestrogeenproduktie bij de ovulatie en deze gaat volgens FLUHMANN (1956) nooit met pijn gepaard Het incidenteel optreden van ‘middenpijn’ is het gevolg van peritoneumprikkeling door bloed, dat tijdens het barsten van een follikel kan vrijkomen

GREENBLATT, HAMMOND en CLARKE (1954) konden met kleine giften progesteron in de tweede helft van de menstruele cyclus de klachten van primaire dysmenorrhoe opwekken Wor- den grote hoeveelheden toegediend dan ontstaat een membraneuze dysmenorrhoe Bij onderzoek van bloed en urine van dysmenorrhoepaticnten kon echter nooit een overmaat of een tekort van een dezer hormonen worden aangetoond (ISRAEL, 1938)

с Mechanische factoren

Een belemmering van de menstruele afvloed en de daardoor optredende ophoping van bloed in de uterusholte doet compensatoir ‘luteale’ contracties ontstaan (RANDALL en ODELL, 1943) Cervicale obstructie is een van de oudste hypothesen over de oorzaak van dysmenorrhoe

Reeds Hippocrates beschrijft de behandeling van pijnlijke menses door middel van digitale ver- wijding der cervix of verwijding met behulp van loden pijpjes Marion Sims schreef m 1866 nog „nulli dysmenorrhoea nisi obstructiva” MENDES DE LEON verwijt voornoemde auteur echter in een voordracht, welke hij in 1896 hield, dat deze, met dit met grote autoriteit geponeerde axioma, lange tijd een verdere ontwikkeling van de kennis naar de etiologie van de dysmenorrhoe ш de weg heeft gestaan MENDES DE LEON wijst daarbij onder andere op een onderzoek van Hulbert in 1890, die onder 10 000 tijdens het leven onderzochte vrouwen en bij 300 obducties geen enkel geval gevonden heeft, waarbij een mechanisch beletsel voor het afvloeien van het bloed bestond, behoudens door misvormingen of atresieen van de uterus

Tot op heden wordt de cervixdilatatie met dilatatoren nog steeds door vele auteurs als een succesvolle behandelingswijze van de primaire dysmenorrhoe beschreven Cervixdilatatie door middel van dilatatoren van Hegar vlak voor de menses geeft een matige tot redelijke verminde­ ring van de pijnklachten tijdens de menstruatie Het effect van de oprekking is echter slechts tijdelijk en niet geheel zonder risico door mogelijke beschadigingen en compressie van cervix- z e n u w e n (ARTHURE, 1957, DOYLE, 1955, RANDALL en ODELL, 1943, HOYTEMA en JOOSSE, 1950, DAVIS, 1938) of laceratie van de cervix De daaruit voortvloeiende mogelijkheid tot insufficientie van de cervix kan aanleiding geven tot dyspareunie en – secundaire – dysmenorrhoe

Volgens THEOBALD (1946) kan de hypercontractiliteit bij dysmenorrhoe echter niet veroor­ zaakt worden door obstructie van het bloed, daar het altijd mogelijk blijkt een metalen canule tot in de uterusholte te steken

ISRAEL (1959) legt er de nadruk op, dat cervicale obstructie eigenlijk alleen etiologisch van belang kan zijn als tegelijkertijd het anti stollingsmechanisme in de uterus relatief of absoluut tekort schiet Een sterk bloedverlies tijdens de menstruatie, een hypermenorrhoe, gaat gepaard met de vorming van stolsels Deze stolsels geven door obstructie aanleiding tot sterke contracties van de uterus, welke zich manifesteren in het optreden van een (secundaire) dysmenorrhoe

Vroeger werd aangenomen, dat primaire dysmenorrhoe alleen optrad bij hypoplasie van de uterus De lange rigide cervix, de nauwe isthmus en de sterke anteflexie of retroflexie van de infantiele uterus zou een mechanische belemmering vormen voor een goede afvloed van men­ strueel bloed, waardoor de uterus sterker moest contraheren om het bloed te lozen JEFFCOATE e a (1945) vonden echter slechts 27 maal een hypoplasie op 829 gevallen van primaire dysme­ norrhoe ISRAEL (1959) vermeldt het vóórkomen van hypoplasie bij slechts 31 % van 174 vrouwen met dysmenorrhoe Anderzijds bleek aan beide auteurs, dat vele vrouwen met een hypoplasie van het genitaalapparaat geen dysmenorrhoeklachten hadden

ASPLUND (1952) vond bij hysterografie geen verschil in wijdte van de isthmus en cervix uteri bij vrouwen met en bij vrouwen zonder dysmenorrhoe

Overigens is de mechanische verklaring van de pijnklachten tijdens de menses bij infantilisme

69

van de uterus wel verlaten. Tegenwoordig denkt men meer aan een irregulariteit en spasticiteit van het onvolwassen spierweefsel als oorzaak der dysmenorrhoe.

HUNTER e.a. (1957), en SIMMONS (1958) zagen een onmiddellijke verlichting van de menstruatie- pijn door lokale applicatie van de proteolytisch-werkende stof Bromelain op de cervix. Zeer goede resultaten zou deze stof geven, wanneer de applicatie plaatsvond vlak voor de te ver- wachten menstruatie. Met behulp van hysterografie kon de relaxerende werking van deze stof op de cervix worden gedemonstreerd. De cervix bleek bij onderzoek zachter en meer gevascu- lariseerd geworden te zijn.

ABRAMSON en REÍD (1958) behandelden de dysmenorrhoe-pijn bij 2900 vrouwelijke employees van een verzekeringsmaatschappij met Relaxine, een stof(hormoon?), welke bij vele zoogdieren en ook bij de mens tijdens de zwangerschap in het bloed blijkt voor te komen. Relaxine heeft een verslappende werking op het bindweefsel van de symphysis pubis en op de cervix van nulliparae. In 93 % der gevallen zagen de bovengenoemde auteurs succes van deze behandeling.

4.2. Vasospasme in de uterusspier

Naast de vele auteurs, die de mechanische visie aanhangen, waarbij de myometriumbloedvaten tengevolge van de spierspasme dichtgedrukt worden, zijn er enkele onderzoekers, die aannemen, dat de ischemische anoxie in de uterusspier veroorzaakt wordt door een actieve vasospasme.

MARKEE (1940) implanteerde stukjes endometrium in de voorste oogkamer van apen en ont- dekte, dat er reeds vóór de menstruatie een arteriële vasoconstrictie optrad, welke op haar beurt weer aanleiding gaf tot spasmen in het myometrium.

GRIFFITH en LITTLE (1949) menen, dat er, tengevolge van de uteruscontracties, een reflexvaso- spasme optreedt, waardoor de sensibele zenuwuiteinden in de wand van de myometriumbloed- vaten geprikkeld worden en daardoor de pijnsensatie bij dysmenorrhoe veroorzaken.

HAUSER, die geciteerd wordt door LUKAS (1965) meent, dat er een ‘hypersympathicotonie’ op- treedt, welke aanleiding geeft tot het optreden van een vasoconstrictie.

  1. v. SMITHen o. w. SMITHpubliceerden in 1947 een artikel over het bestaan van een menstrueel ‘toxine’. Een ‘toxine’ in het menstruele bloed, dat geïsoleerd kon worden. Het werd geïdentifi- ceerd als een atypisch euglobuline afkomstig van katabolische eindprodukten van de endo- metriumalbraak. Zij ontwikkelden de volgende theorie over de etiologie van de primaire dysmenorrhoe. Op de 25e dag van de menstruele cyclus stopt de hormoonproduktie, waardoor het endometrium gaat slinken. Er ontstaat tevens oedeem in het subepitheliale weefsel met een infiltratie van leukocyten en een stasis van bloed in de capillairen. Dit ‘uitgeputte’ endometrium

produceert een weinig toxine. Het wegvallen van oestrogène stoffen vlak voor de menstruatie heeft een vasospasme tot gevolg, waardoor de afbraak van het endometrium verder voortgang vindt. Hierdoor ontstaat weer meer ‘toxine’, welke weer een sterkere vasospasme geeft, enzovoorts. De sterke vaatspasme heeft binnen 6 à 48 uur tot gevolg, dat de functionele laag van het endo- metrium wordt afgestoten en een ischemie van het myometrium optreedt. De ischemische myometriumcontractie veroorzaakt, wanneer ze een bepaalde sterkte bereikt, pijn.

Alhoewel het zeer goed denkbaar is, dat een primaire vasoconstrictie aanleiding geeft tot spierspasme en/of spierischemie in de uterus, wordt volgens FLUHMANN (1956) hiermee toch niet het veelal ritmische karakter van de dysmenorrhoe-pijn verklaard.

Op grond van de hypothese, dat primaire dysmenorrhoe zou berusten op een spierischemie tengevolge van vernauwing der uterusbloedvaten, hebben BUTLER en мс KNIGHT (1955) dysme­ norrhoe behandeld met vitamine E. Zij schrijven, dat zij daarmee gunstige resultaten hebben geboekt.

4.3. Neurogene factoren

DAMS (1938) en DOYLE (1955) vonden pathologische veranderingen in de perifere sympathische zenuwen, welke bestonden uit een duidelijke degeneratie van ganglioncellen en interstitiële infiltratie. Gedacht werd hierbij aan een subacute of chronische neuritis van de nervus presa- cralis en/of het ganglion van Frankenhaüser als etiologisch moment voor de dysmenorrhoepijn. DE VERE (1960) wijst er echter op, dat deze lokale degeneraties in het gehele sympathische systeem kunnen worden aangetroffen.

DICK en BILLIG (1943) propageren bepaalde lichaamsoefeningen ter correctie van de houding bij dysmenoirhoepatienten. Zíj baseren deze behandeling op hun ontdekking, dat bij vrouwen met een primaire dysmenorrhoe een „postural defect of contracted fascial ligamentous bands restricting posterior tilt excursion range of the pelvis in relation to the leg and back” bestaat.

70

Tijdens de menses zouden de ligamenten zich verder gaan verkorten, waardoor bepaalde zenuwen in de knel komen en wel met name de uit Th 12 en L 1 stammende Nervus iliohypogastncus en de Nervus illioinguinalis De schrijvers verklaren, dat in een periode van 10 maanden, waarin deze oefeningen gedaan werden, het verzuim wegens dysmenorrhoe 80% minder was geworden bij hun patiënten, waardoor 70 000 ‘vrouw-uren’ gewonnen werden GOLUB e a (1959, 1960 en 1963b) menen, dat een modificatie van deze oefeningen, welke als componenten bevatten ‘trunk-bending’ en ‘trunk-extension’, nog betere resultaten geeft dan de oorspronkelijke oefe- ningen van DICK en BILLIG IVERSEN en HANSEN (1963) bereikten een verbetering of ‘genezing’ bij de helft van 64 patiënten door middel van heilgymnastiek

Het is echter zeer de vraag of bij deze lichaamsoefemngen de psychische momenten van de gymnastiekbeoefening niet een veel belangrijker rol vervulden dan de houdingsverbetering, welke er mogelijkerwijs mee bereikt wordt

THEOBALD schrijft in 1946, dat er bij de primaire dysmenorrhoe sprake is van een ‘referred pain’ in het dermatoom van de eerste lumbale zenuw Hij kon vaak een vermindering van de dysraenorrhoeklachten bereiken door anaesthesie van de betreffende huidgebieden

4.4. Allergische factoren

SCHMIDT (1964) schrijft over een patiente met een overgevoeligheid voor een eigen hormoon. Na een desensibilisatiekuur waren de dysraenorrhoeklachten verdwenen Ook hier is het de vraag, zoals de schrijver zelf reeds stelt, in hoeverre de psychische verwerking van de vele aan- dacht, welke de patiente gekregen heeft, niet op zichzelf al ‘genezend’ heeft gewerkt

Verschillende auteurs beschrijven het bestaan van een nasale dysmenorrhoe HENKES (1913) wijst op het verband, dat er tussen de neus en de genitalia zou bestaan Tijdens de menstruatie zouden vaak neusbloedingen en gezwollen neusslijmvliezen optreden, terwijl een neusoperatie uitgevoerd tijdens de menses van een patiente eerder tot ernstige nabloedingcn zou neigen dan wanneer deze op een ander tijdstip werd uitgevoerd HFNKES en DAVIS (1938) citeren beiden Fliess, die in 1897 enkele ‘Genitalstellen’ in het neusslijmvlies beschreef, welke, als ze geprikkeld worden, een reactie van de genitalia tot gevolg zou hebben Deze ‘Genitalstellen’ zouden zich bevinden in het middelste deel van de middelste neusschelp, op het tuberculum septi en op het voorste gedeelte van de onderste neusschelp

Alhoewel geen anatomisch substraat bekend is voor deze naso-genitale betrekking, is het wel zeker, dat coryza en neusverstoppingen bij sommige vrouwen meer vóórkomen tijdens de menses dan daarbuiten

HENKES zag evenals Fliess een verminderen of verdwijnen van menstruatiepijnen door cocaini- seren of cautenseren van deze genitale plekjes in het neusslijmvlies HENKESontkent de mogelijk- heid van suggestieve beïnvloeding door de behandeling der genitale plekjes, „want penselen met water in plaats van cocaïne had geen enkel effect”

MC CAIN en OLLEY (1963) deden proeven met een oraal toe te dienen ‘nasal decongestant’ en bereikten in 50% der gevallen (ι e 3 van de 6 patiënten’) vermindering van de dysraenorrhoe- klachten

In het Nederlandse Leerboek der Vrouwenziekten (1956) wordt allergie ook als mogelijke oorzaak voor de dysmenorrhoe genoemd, waarbij de uterus gevoelig zou zijn voor bepaalde allergenen Er wordt gewezen op het feit, dat ongeveer de helft van de vrouwen, die aan astma lijden pijnlijke menses hebben

ISRAEL (1959) zag soms een duidelijke vermindering van de dysraenorrhoeklachten na een subcutane injectie van een weinig Hel Adrenalini 1/1000 of na orale toediening van antihista- minica

FLUHMANN (1956) noemt bij de mogelijke oorzaken van dysmenorrhoe een overgevoeligheid voor voedingsmiddelen of inhalatiestoffen

4.5. Psychogene factoren

Vrijwel alle auteurs, die over de etiologie van de primaire dysmenorrhoe geschreven hebben, betrekken de psyche m hun beschouwingen

De waardering van de mate, waarin de psyche een rol zou vervullen bij het optreden van dysmenorrhoe wisselt echter sterk FLUHMANN (1956) schrijft „Dat de psyche een belangrijke rol speelt bij dysmenorrhoe wordt vrij algemeen geaccepteerd, doch niet, dat het de emge oorzaak is”

71

LUKAS (1965) kwam, op grond van de resultaten van een uitvoerig gynecologisch en psycho- logisch onderzoek van 100 dysmenorrhoe-patienten, tot de conclusie, dat in vrijwel alle gevallen (ook in de gevallen van secundaire dysmenorrhoe’), psychische conflicten aanwezig waren Hij meent op grond hiervan, dat de meeste gevallen van dysmenorrhoe psychisch bepaald zijn en gewoonlijk door een onopgelost innclijk conflict worden opgewekt

Daarbij komt, dat de invloed van de psyche op de verwerking van het menstruele gebeuren van vrouw tot vrouw verschillen vertoont De taboes, het bijgeloof en de folklore, welke de menstruatie omgeven maken een psychogene invloed onafwendbaar, schrijven MAZER en ISRAEL (1959) Zo kent men het eeuwenoude volksgeloof, dat menstruerende vrouwen geen bloeiende bloemen mogen aanraken en geen gistend deeg mogen hanteren Mogelijk vindt dit bijgeloof haar oorsprong in de giftige eigenschappen, welke het menstruele bloed voor planten en bepaalde dieren blijkt te bezitten In de Bijbel worden voorschriften gegeven vanwege de toendertijd geldende onreinheid van de menstruerende vrouw „maar als ene vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in hare afzondering zijn, ” (Leviticus IS 19) In de Middeleeuwen werd iedereen, die geslachtsgemeenschap had tijdens de menstruatie, door de Kerk zwaar gestraft Ook heden ten dage echter blijkt het menstruele gebeuren nog voor velen omgeven te zijn met een waas van geheimzinnigheid CARP schrijft in zijn leerboek over de neurosen (1947) „In de steden, waar de belangstelling voor de sexuele functie bij het kind veel vroeger reeds geprikkeld wordt dan op het land en de menarche eerder pleegt aan te vangen, komen dysmenorrhoische verschijnselen bij meisjes en jonge vrouwen veelvuldiger voor

COPPEN en KESSEL (1963) citeren Sainsbury, die in 1960 een verhoogde score van neuroticisme vond door middel van de Maudsley Personality Inventorytest bij patiënten, welke wegens dysmenorrhoe m het ziekenhuis waren opgenomen Daartegenover staan echter onderzoekingen, waaruit niets blijkt van een verband tussen dysmenorrhoe en neurose

SCHUCK (1951) kwam door ondervraging van 800 vrouwelijke studenten te New York tot de overtuiging, dat „psychoneurosis was no more frequent in those cases allied with essential dysmenorrhoe than in a controlgroup with normal menses”

SVENNERUD (1959) vond bij zijn onderzoek, dat in hoofdstuk 8 nog nader besproken zal worden, enkele argumenten, welke zijns inziens pleiten tegen de mening, dat psychoneurose als de hoofdoorzaak van primaire dysmenorrhoe moet worden beschouwd Zijn argumenten waren

1

2 3

Het verzuimpatroon, voor andere oorzaken dan dysmenorrhoe, is gelijk voor vrouwen met en vrouwen zonder dysmenorrhoeverzuim

Het voorkomen van dysmenorrhoe bij zeer verschillende beroepen en typen was gelijk Dysmenorrhoe verdwijnt meestal na een graviditeit, onafhankelijk van de burgerlijke staat en het resultaat van die graviditeit

COPPEN en KESSEL (1963) zonden aan 500 vrouwen een vragenlijst over de menstruatie en com- pleteerden het onderzoek met de Maudsley Personality Inventorytest, welke gericht is op het onderkennen van de mate van neuroticisme en extraversie bij de proefpersonen De neuroti- cisme-score van de vrouwen met dysmenorrhoe bleek niet significant te verschillen van die bij de andere vrouwen, in tegenstelling tot enkele andere menstruaticstoornissen, zoals onregel- matige menses en premenstruele spanningssymptomen Zij concludeerden „This survey pro- vides no evidence to justify dysmenorrhoea being regarded as a psychosomatic condition or one that calls for psychological treatment” Uit een recenter onderzoek van COPPEV (1965) bij psy- chiatrische patiënten bleek echter wel, dat onder neurotische patiënten veel dysmenorrhoe voorkwam Ruim 25 % hiervan consulteerde om deze reden een arts

M J w DEGROOT (1954a) kwam, op grond van verschillen in verzuimoorzaken tussen man en vrouw, tot de conclusie „De man pleegt zijn nerveuze klachten op te hangen aan de kapstok van zijn spijsverteringsorganen, zulks in tegenstelling met de vrouw, die veelal vlucht in men- struatieklachten of in algemene vage duidingen als hoofdpijn, rugpijn en duizeligheid”

Zowel DE VERE (1960) als HOYTEMA en JOOSSE (1950) bevelen aan om, voordat bij een vrouw tot chirurgische ingrepen wordt overgegaan, ter behandeling van een primaire dysmenorrhoe, haar eerst door middel van progestatieve stoffen of hormonen een anovulatoire cyclus te laten doormaken Blijkt de patiente bij de withdrawal bloeding ook pijn te ervaren, dan is chirurgisch ingrijpen gecontraindiceerd, omdat dan geconcludeerd mag worden, dat de psyche het enige of althans het belangrijkste etiologisch moment van de onderhavige dysmenorrhoe is Er zal dan van een operatie weinig heil te verwachten zijn

Andere auteurs bevelen aan om, alvorens tot een operatieve ingreep voor de behandeling van primaire dysmenorrhoe wordt overgegaan, de vrouw psychologisch of psychiatrisch te laten onderzoeken

72

MAROULiES (1954) schrijft, dat de intensiteit van de dysmenorrhoeklachten beïnvloedbaar is door suggestie Hij wijst op het voorkomen van ‘sympathie-lijdsters’ in de omgeving van een patiente met heftige dysmenorrhoe ARTHURE (1957) meent, dat de primaire dysménorrhée soms door (auto)-suggestie verdwijnt

GOLUB e a (1957) beschrijven een experiment met suggestie bij 2706 meisjes van 4 ‘secondary- schools’ Deze meisjes werden ondervraagd over het al dan niet voorkomen van dysmenorrhoe voor en na een periode van zes maanden, waarin ze allen lichamelijke oefeningen hadden gedaan De leerlingen van twee dezer scholen werd herhaaldelijk m het verloop van dit halfjaar verteld, dat de lichaamsoefemngen dysmenorrhoeklachten zouden doen verdwijnen De leerlingen van de andere twee scholen kregen dezelfde oefeningen, echter zonder de suggestie van genezing der dysmenorrhoe Het bleek aan de auteurs, dat er na afloop van de periode geen significante ver- schillen aantoonbaar waren in de mate van ‘genezing’ tussen de leerlingen van beide groepen van scholen

In het kader van suggestieve beïnvloeding der dysmenorrhoeklachten is ook de invloed van de behandeling met placebo’s beproefd SCHMIDT beschreef in een klinische les in 1964 de waarde van een placebo-behandeling bij dysmenorrhoe Merkwaardigerwijs kan een placebo soms somatische veranderingen teweeg brengen Hij meent dan ook, dat het geven van een placebo „indien het met de juiste decorum geschiedt, een echte behandeling is met aantoonbare soma- tische veranderingen en niet een voor de gekhouderij, waarvoor het meestal wordt aangezien” MENAKER en POWERS (1962) gaven aan 50 van 100 vrouwen met ‘incapacitating’ dysmenorrhoe een placebo en de andere 50 vrouwen 5 mg dienestrol gedurende 20 dagen achtereen In de placebo-groep reageerden 16 van de 50 vrouwen met een duidelijke vermindering van de dysme- norrhoeklachten tegen 28 in de groep met dienestrol HAYDEN (1960) kon geen vermindering van klachten constateren na giften van een placebo aan 117 vrouwen met matige tot ernstige dysme- norrhoe

WITTKOWER en WILSON verrichtten in 1940 persoonlijkheidsstudies bij 57 niet geselecteerde vrouwen van 16 tot 40 jaar met primaire dysmenorrhoe Zij onderscheidden twee types onder deze vrouwen
a het ‘Tomboy-type’ De vrouwen van dit type hadden als kind voornamelijk jongensachtige

interesses gehad en vonden de vrouwelijke rol, die zij moesten spelen niet prettig
b De onrijpe, „either shy or shut-in or chronical anxious and complaintive” De vrouwen van dit type verwachten sympathie en aggraveren daarvoor haar kwalen en gebruiken de menstruatie om de aandacht tot zich te trekken
Ook HERSCHBERG (1963) en CARP (1947) menen, dat een der factoren voor het optreden van de primaire dysmenorrhoe de onbewuste afkeer van het vrouw-zijn is

Over het mogelijk verband lussen sociale aanpassing (social adjustment) en het voorkomen van dysmenorrhoe hebben GOLUB en MEXDUKE (1963a) een onderzoek verricht bij 173 meisjes van 16 en 17 jaar Zij bepaalden de sociale aanpassing met de Washburne Inventory Test en konden geen correlatie vinden met het vóórkomen van dysmenorrhoe Door allerlei restricties, die zij moesten maken bij de waardering van de gevonden scores moet de conclusie van dit onderzoek echter dubieus genoemd worden

GAENSSBAUER (1939) wijst op inwoningsproblemen, conflicten met schoonmoeder en problemen in de arbeidssfeer als mogelijke oorzaken voor dysmenorrhoe

De mate van onwelbevinden tengevolge van de menstruatie hangt af van de tolerantie voor pijn (LOWE en FERGUSON, 1951)

De reactie van het individu op perifere prikkels en het punt, waarop deze als ‘pijn’ ervaren worden, is vast te stellen aan de mate van reactie op bepaalde – gestandaardiseerde – elektrische, mechanische of thermische prikkels

ΗΑΜΑΝ (1944) verrichtte proeven met de ‘sensimeter’ en kwam tot de conclusie, dat vrouwen met dysmenorrhoe vaak een verlaagde pijndrempel hebben

Moeilijkheden of stoornissen m het seksuele leven en/of huwelijksleven kunnen belangrijke bijdragen leveren tot het optreden van dysmenorrhoe

LUKAS (1965) heeft 50 vrouwen met dysmenorrhoe en 50 vrouwen zonder dysmenorrhoe onderworpen aan de Associatie-test van Jung en de resultaten van de primaire reacties op ‘prik­ kelwoorden’ vergeleken tussen beide groepen De vrouwen met dysmenorrhoe hadden meer ge­ richte ‘Fehlleistungen’, welke zouden wijzen op de aanwezigheid van conflicten in het vrouwe­ lijke seksuele kunnen en in de verhouding ouders-kind In 1951 beschreef WAGNER een soortgelijk

73

onderzoek, waardoor hij, door middel van ‘steekwoorden’, in vele gevallen een psychisch conflict kon aanwijzen als diepere oorzaak van het optreden van pijnlijke menstruaties

NIXON (1956) betoogt, dat dysmenorrhoe nooit voorkomt bij vrouwen, die erotisch normaal zijn noch bij vrouwen, die volkomen frigide zijn

Onwelkome seksuele ervaringen (ARTHURE, 1937, DAvis, 1938), angst voor de eisen van het seksuele leven (CARP, 1947), dyspareume (DAVIS) en angst voor het optreden van graviditeit (ARTHURE, DAVIS) kunnen vaak dysmenorrhoeklachten doen ontstaan of verergeren Onder de 100 dysmenorrhoepatienten, die door LUKAS (1965) psychologisch werden onderzocht bestond in 9 gevallen een conceptievrees De klachten verdwenen bij deze vrouwen zodra de fluxus begon

CARP (1947) schrijft met betrekking tot de dysmenorrhoe „Voorafgaande opvoeding en de verdere psycho-seksuele ontwikkeling van een kind en de wijze, waarop de eerste menstruatie beleefd en verwerkt wordt is bijzonder belangrijk Een toestand van angstig-gespannen ver- wachting, gevoelens van schaamte, een voorstelling ener bedreiging van het Ik-bestaan, schuld- gevoelens en voorstellingen \an een bestraffing voor seksuele zonden en niet in de laatste plaats een reactivering van neurotische gevoelens van genitale minderwaardigheid in verband met een verdrongen kinderlijk castratiecomplex, kunnen alle leiden tot een ziekelijke gevoelsinstelling en een even ziekelijke aandachtsconccntratie op het normale fysiologische proces van de eerste menstruatie

Al moge de eerste menstruatie wel steeds een psychisch trauma betekenen voor elk jong meisje, slechts bij een ziekelijke verwerking en op een gesensibiliseerde bodem zullen neurotische ver- schijnselen in de zin van verschillende dysmenorrhoïsche pijnen en andere klachten zich kunnen handhaven”

Bij alle 7 vrouwen met dysmenorrhoe, die door TROY (1951) werden ondervraagd en aan een Rohrschach-test onderworpen, bleken zich m de jeugd sterke taboe’s ontwikkeld te hebben ten aanzien van alles wat met de genitale functies te maken had Bij iedere menstruatie zou het castratie-complex gereactiveerd worden, waardoor een verlaging van de pijndrempel zou ontstaan

Regelmatige seksuele gemeenschap (DAvis, 1938) en soms zelfs alleen al een ontluikende ver- liefdheid (THEOBALD, 1946) kunnen een dysmenorrhoe doen ‘genezen’ Vele auteurs menen, dat een bestaande dysmenorrhoe na het huwelijk in intensiteit zal verminderen of geheel verdwijnen

Volgens MEYER-RÜEOG (1924), is het verdwijnen van dysmenorrhoeklachten na een verloving, huwelijk, abortus of bevalling, een gevolg van de veranderde psychologische situatie en een verandering van de innerlijke instelling ten opzichte van de menstruatie, waardoor deze als iets normaals en natuurlijks wordt ervaren

DE VERE (1960) wijst echter op de mogelijkheid, dat de coïtus ovulatoire cycli doet ontstaan, welke pijnlijk kunnen zijn Als dysmenorrhoe pas tijdens het huwelijk ontstaat is dit volgens, de door LUKAS geciteerde, A Mayer het gevolg van problemen, waann man, kind of schoon- moeder een rol vervullen

Een ongelukkig of onvruchtbaar huwelijk kan het optreden van menstruatiepijnen doen ontstaan (MILLS, 1943, DAVIS, 1938) Onder de gehuwde dysmenorrhoepatienten, welke LUKAS (1965) beschreef, bleken tweemaal zo veel huwelijksproblemen te bestaan als bij een vergelijkbare groep vrouwen zonder dysmenorrhoe

Het al of niet seksueel voorgelicht zijn en de wijze, waarop dit geschied is, zou volgens HERSCH- BERO (1963) van grote invloed zijn op het verloop van de menstruatie Deze auteur vond, dat van 158 meisjes met dysmenorrhoe er slechts 23 waren ‘voorgelicht’ en dan nog meestal op inade- quate wijze VAN ASSEN (1962) constateerde, dat van 18 vrouwen met een premenstrueel span- ningssyndroom er 16 niet voorgelicht waren, terwijl dit bij de overige twee slechts zeer gebrekkig gebeurd was LUKAS (1965) kon echter geen duidelijk verschil zien in de mate of de wijze, waarop vrouwen met dysmenorrhoe en vrouwen zonder dysmenorrhoe ‘voorgelicht’ waren

De houding van de moeder en de omgeving van een meisje ten opzichte van het menstruele gebeuren is zeer belangrijk

ISRAEL (1959) meent, dat een angstneurose met betrekking tot de menstruatie kan ontstaan door overmatige aandacht en koestering van de dochter door een moeder, die zelf ook dysme- norrhoe heeft (gehad) Ook CARP (1947) is dezelfde mening toegedaan „Een overmatige bezorgd- heid van de omgeving en maandelijks terugkerende bedverplcging werken niet zelden een zich ontwikkelende hypochondrische gevoelsinstelling in de hand”

Van 38 patiënten met een primaire dysmenorrhoe zag LUKAS(1965) bij 6 een ‘symptoomkopie’ (identificatie met moeder of zuster) als belangrijkste oorzaak voor het optreden van de dysme- norrhoe

74

HOKSTÄTTER (1962) schrijft „Die primaire dysmenorrhoe halte ich in den meisten Fallen fur ein durch Mutter, Schwester, Freundin (leider auch manchmal durch den Arzt) induziertes Angstphànomen”. ROGERS (1964) wíl om die reden dan ook de moeder bij de behandeling van dysmenorrhoe betrekken

Angst voor pijn heeft een zeer belangrijke invloed op het vóórkomen van dysmenorrhoe, schrijft ISRAEL (1959) GOLUB en MENDUKE (1963a) verklaren, evenals BOYD en VALENTINE (1953), dat vrouwen met dysmenorrhoe neigen tot een sterkere angst voor lichamelijke functies dan de vrouwen zonder dysmenorrhoe

Reeds eerder werd HOFSTATTER geciteerd, die de primaire dysmenorrhoe zag als een door de omgeving geïnduceerd angstfenomeen, „die grosste Noxe ist oft die Angst”

Het menstruele gebeuren bij de vrouw wordt sterk beïnvloed door stresssituaties
Een menorrhagie kan van emotionele oorsprong zijn STIEVE (1952) verklaart deze ‘Schreck- blutungen’ door een prikkeling van de parasympathicus, welke een overvulling van de vaten in

het splanchmcusgebied doet ontstaan (‘pelvic congestion syndrome’, DAVIS)
Bekend is ook de amenorrhoe bij vrouwen in stress-situaties NIXON (1956) citeert Sydenham, die vond, dat van 436 geslachtsrijpe vrouwen, die gedurende de Tweede Wereldoorlog in een Japans gevangenkamp te Hongkong zaten, slechts 35 % een regelmatige menstruatie had Op grond van ervaringen uit de zelfde oorlog wijst WAONER (1951) nog op het vóórkomen van ‘Knegsamenorrhoe’, ‘Ghetto-amcnorrhoe’ en ‘Notstandsamenorrhoe’ Volgens Martius die geciteerd wordt door LUKAS (1965), bestond bij alle joodse vrouwelijke gevangenen in het beruchte kamp Auschwitz een amenorrhoe Zeer bekend is ook de tijdelijke amenorrhoe, welke kan optreden bij het aanvaarden van een nieuwe betrekking, een verhuizing e d Zo vond bij- voorbeeld DRILLIEN (1946) bij vrouwen, die dienst namen bij de Auxilliary Territorial Service, dat er bij meer dan 25% der rekruten vlak na de inlijving een amenorrhoe bestond, welke gedurende tenminste één cyclus aanhield STROINK (1941) ondervroeg 167 gezonde verpleegsters van 19 tot 41 jaar naar veranderingen in het menstruatiepatroon onder invloed van uitwendige omstandigheden Tijdelijke amenorrhoe bleek bij 13 vrouwen opgetreden te zijn toen ze in het ziekenhuis gingen werken en bij 13 andere vrouwen bleef de menstruatie uit gedurende een of

meer cycli na een verhuizing of repatriëring
Ook dysmenorrhoe kan optreden of verergeren onder invloed van emoties (ARTHURE, 1957 e a.)

„Distressing events’ kunnen de intensiteit van de dysmenorrhoe van maand tot maand doen wisselen (ARTHURE)

WITTKOWER en WILSON (1940) bleek, dat bij vrouwen met dysmenorrhoe vier maal zo vaak psychische traumata m de jeugd hadden plaatsgevonden dan bij vrouwen zonder dysmenorrhoe. Opneming in een ziekenhuis wegens dysmenorrhoe kan de klachten acuut doen verdwijnen (THEOBALD, 1946) In vakanties zouden de klachten vaak verminderen of zelfs geheel verdwijnen

(WITTKOWER en WILSON, 1940, GAENSZBAUER, 1939).

75

HOOFDSTUK б – HET VÓÓRKOMEN VAN DYSMENORRHOE EN ENKELE FACTOREN,WELKE VERBAND KUNNEN HOUDEN MET HET OPTREDEN VAN DYSMENORRHOE

  1. HET VÓÓRKOMEN V A N DYSMENORRHOE

In tabel 42 wordt een overzicht gegeven van de uitkomsten van een aantal onder- zoekingen, welke in de loop der jaren over het vóórkomen van dysmenorrhoe zijn verricht. De in deze tabel geregistreerde percentages variëren van 1% (SWAAK, 1965) tot 90% (DAVIS, 1938). Het meest frequent werden echter percentages van 30% tot 50% gevonden.

Uiteraard zouden de verschillen in leeftijdsopbouw, burgerlijke staat en sociale samenstelling der onderscheidene groepen vrouwen mede van invloed kunnen zijn op de gevonden verschillen in het optreden van dysmenorrhoe. Dit zal echter slechts zeer ten dele het geval zijn; de grote variaties zijn hiermee niet te verklaren.

De belangrijkste bijdrage tot deze verschillen wordt zeer waarschijnlijk geleverd door de reeds in de inleiding van het vorige hoofdstuk gesignaleerde verscheiden- heid in hetgeen men onder dysmenorrhoe verstaat. Pas wanneer iedere onderzoeker bereid is om het begrip dysmenorrhoe van eenzelfde inhoud te voorzien, zal het in de toekomst mogelijk worden de gegevens over het vóórkomen van dysmenorr- hoe bij verschillende groeperingen, nationaliteiten en rassen met elkaar te verge- lijken.

1.1. Eigen onderzoek

De door ons uit het interview-onderzoek gevonden cijfers over het vóórkomen van dysmenorrhoe zijn vermeld in tabel 43.

De inhoud, welke wij aan het begrip dysmenorrhoe meenden te moeten geven, staat beschreven in het begin van hoofdstuk 5.

Van de vrouwen te Rotterdam hadden 54,1% en van de vrouwen te Arnhem 59,4 % in het jaar voorafgaande aan het moment van de ondervraging een of meer malen klachten gehad vlak voor of tijdens de menstruatie.

  1. LEEFTUD EN DYSMENORRHOE

De meeste auteurs zijn het er over eens, dat dysmenorrhoe voornamelijk bij jeug- dige vrouwen voorkomt, (ARTHURE, 1957; FLUHMANN, 1956 e.a.). COPPEN en KESSEL (1963) vonden door middel van een enquête bij 500 vrouwen, een significante negatieve correlatie tussen dysmenorrhoe en leeftijd, met name een afnemen van het vóórkomen van dysmenorrhoe met het toenemen van de leeftijd.

De klachten beginnen meestal 1 tot 2 jaar na de menarche. Aanvankelijk is de pijn weinig intensief, doch wordt volgens ISRAEL (1959) in de loop van de jaren sterker.

76

Tabel42. Literatuuroverzicht van het percentuele vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoe- verzuim

auteur

MEAKER STURGIS MILLER

EWING BOYNTON LAKEMANN

DAVIS
RANDALL & ODELL
HESSEL TINE
HAMAN
1945 THEOBALD
DRILLIEN
CLASON
INGERSOLL
ΠΕΤΖΕ
CURTIUS & KRÜGER
GOLUB
SMITH & NORRIS

80 4 41

KÖPPICH
GOLUB e.a. SVENNERUD MAZER & ISRAEL KÖNIG SCHRÖDER

HA YDEN
MUSHLIN
NAVARRO MARTINEZ LANALDE
ROUGIER & LINQUETTE

1958 1958 1959 1959 1959 1959 1960 1961 1962 1962 1962

HERSCHBERG 1963 COPPEN & KESSEL 1963

SWAAK 1965

jaar van publikatie

1922 1923 1930

1931 1932 1933

aantal vrouwen

7.000 2.077 785

7.390 2.282 365

714 4.000

2.000 2.706

258 448 890

3.135

240 4.000 1.050 1.000

900 463

418

percentage vrouwen met dysmenorrhoe

percentage vrouwen met dysmenorrhoe- verzuim

1938 1943 1944

1946 1946 1946 1948 1952 1952 1957 1957

Bij 350 vrouwen met dysmenorrhoe vond MUSHUN (1961), dat in 55,6% der gevallen de dysmenorrhoe tussen het 12e en het 13e jaar begon. Van deze vrouwen was 85 % tussen de 17 en 29 jaar oud. Van de vrouwen, die wegens dysmenorrhoe- klachten de Universiteitsvrouwenkliniek te Tübingen bezochten, zag LUKAS (1965), dat de meesten 21 of 22 jaar oud waren, DAVIS (1938) berekende, dat de gemiddelde leeftijd, waarop zijn patiënten medische hulp zochten voor hun dysmenorrhoe- klachten, 22,3 jaar was. Hij verklaart deze vrij hoge gemiddelde leeftijd door het toenemen van het aantal gevallen van secundaire dysmenorrhoe en de progressivi- teit van de klachten met het stijgen van de leeftijd, DE VERE (1960) vermeldt, dat de

47

6 20,4

48 geregeld
41 soms
20-90 1-5
± 35
65
16,6
± 80
50,4 15,1
53,7 7.7
35
203
33,9
12,4-20,6
35 16,5% bij arbeidsters

3%bijhigh- schoolmeisjes

30,6
62
30,9 14,1

8 16-24,6

5-10 48

8 62 35 5

79% v.d. vrouwen tot 25 jaar

19,5
32,8 % matig 12,8% ernstig

1

17% soms 3% altijd

38 % der vrouwen met dysmenorrhoe

77

Tabel43. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem

totaal

aantal vrouwen

vrouwen met dysmenorrhoe

vrouwen met dysmenorrhoeverzuim

aantal percentage aantal

percentage

dysmenorrhoe meestal begint als vrouwen tussen de 15 en 25 jaar oud zijn. WHITE e.a. (1949) schrijven, dat de meeste gevallen van primaire dysmenorrhoe pas op het 17e jaar beginnen en dan tot het 25e jaar blijven bestaan, mits er voordien nog geen kind geboren is.

RANDALL en ODELL (1943) vonden bij 41 vrouwelijke studenten met ‘incapaci- tating’ dysmenorrhoe de volgende leeftijdsverdeling:

15 t/m 17 jaar: 18 t/m 21 jaar: 22 t/m 25 jaar:

> 25 jaar:

2 gevallen 20 gevallen 7 gevallen 12 gevallen

= 4,8% = 48,7% = 17,0% = 29,2%.

KÖNIG (1959) zag een stijging in het vóórkomen van dysmenorrhoe in de leeftijds- klasse 18 tot en met 22 jaar, welke gevolgd werd door een daling in de leeftijds- klasse 23 tot en met 27 jaar en daarna weer een top in de frequentie, welke ongeveer bij het 35e jaar lag.

SVENNERUD (1959) zag de meeste gevallen van dysmenorrhoe in de leeftijds- klasse van 20 t/m 24 jaar.

Volgens ISRAEL (1959) is dysmenorrhoe, welke na het 20e jaar begint, vrijwel altijd het gevolg van een afwijking in het kleine bekken. Na het 30e jaar wordt het vóórkomen van dysmenorrhoe bij ongehuwde vrouwen minder frequent en ver- mindert geleidelijk in intensiteit.

DRILLIEN (1946) vond een significant hoger percentage klachtenvrije vrouwen onder degenen, die 27 jaar en ouder waren dan onder degenen, die 20 tot en met 26 jaar waren. Zij vond geen significant verschil tussen de vrouwen, die jonger dan 20 jaar en zij, die tussen de 20 en 27 jaar waren.

Een ernstige dysmenorrhoe na het 30e jaar zou volgens ARTHURE (1957) vrijwel alleen worden aangetroffen bij ongehuwde teleurgestelde vrouwen.

2.1. Eigen onderzoek

Bij de bewerking van de gegevens werd uitgegaan van de werkelijke leeftijden van de vrouwen; deze werden niet ingedeeld in leeftijdsklassen. Om praktische redenen werd echter voor de tabellen wel gebruik gemaakt van leeftijdsklassen. Vergeleken werden de leeftijden van de vrouwen met dysmenorrhoe met die van de vrouwen zonder dysmenorrhoe.

Om een mogelijke invloed van de burgerlijke staat en de pariteit uit te schakelen werden de gehuwde en de ongehuwde vrouwen gescheiden beschouwd.

78

Van de 74 gehuwden onder de Rotterdamse vrouwen hadden 31 dysmenorrhoe, waarvan 5 met verzuim. Met de toets van Wilcoxon kon geen significant verschil worden gevonden tussen de leeftijden van de gehuwden met en de gehuwden zonder dysmenorrhoe.

In tabel 44 is een leeftijdsverdeling gegeven van de ongehuwde vrouwen. Bij een beschouwing van het percentuele vóórkomen valt op, dat zowel te Rotterdam als te Arnhem het vóórkomen van dysmenorrhoe in de leeftijdsklassen 19 t/m 21 jaar en 22 t/m 24 jaar hoger is dan in de klasse van de 15 tot en met 18-jarigen. Speciaal voor het Arnhemse deel van het onderzoek is dit zeer duidelijk. Bij toetsing van de leeftijdsverschillen met de toets van Wilcoxon, blijken de Arnhemse vrouwen met dysmenorrhoe significant ouder te zijn dan zij, die geen dysmenorrhoe hadden (P = 0,03). Voor de vrouwen te Rotterdam blijkt geen significant verschil in leeftijd te bestaan.

Tabel44. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar leeftijdsklassen

totaal aantal Leeftijdsklasse vrouwen

dysmenorrhoe Rotterdam Arnhem aantal % aantal %

dysmenorr hoeverzuim Rotterdam Arnhem

15 t/m 18 19 t/m 21 22 t/m 24 25 t/m 29 30 t/m 34 35 t/m 39 40 t/m 44

totaal

201 305 107 53,2 92 141 53 57,6 37 44 20 54,1 20 28 14 70,- 17 5 12 70,6 15 4 10 66,6

8 3 37.5

167 54,8

101 71,6

28 63,6

13 46,2

3 60,-

2 50,-

——

% aantal %

14,9 49 16,1 15,2 35 24,8 13,5 9 20,4 25,- 2 7,1

Rotterdam Arnhem
14 2 1 2100

aantal

30 14 5 5

2 11,8
1 6,7
———-

57 14,6 95 18,-

390 528 221 56,7 314 59,5

De leeftijdsopbouw van de Rotterdamse groep vrouwen vertoont een grotere spreiding dan de groep te Arnhem. Zo omvat het onderzoek in Rotterdam relatief meer vrouwen, die ouder zijn dan 25 jaar dan te Arnhem. De vraag rijst nu in hoe- verre deze grotere bezetting van de oudere leeftijdsgroepen in Rotterdam het resultaat van dit gedeelte van het onderzoek heeft ‘afgevlakt’, zodat voor Rotterdam geen en voor Arnhem wel een significant verband tussen leeftijd en het vóórkomen van dysmenorrhoe kon worden gevonden. Men zou zich namelijk kunnen voor- stellen, dat de frequentie van het optreden van dysmenorrhoe toeneemt tot een bepaalde leeftijd en daarboven weer gaat afnemen.

Om deze mogelijke invloed van de oudere vrouwen op het toetsingsresultaat uit te schakelen, werden bij de ongehuwde vrouwen, die jonger waren dan 26 jaar, de leeftijden van degenen met dysmenorrhoe en degenen zonder dysmenorrhoe nog apart met elkaar vergeleken en getoetst. De leeftijd van de Arnhemse vrouwen met dysmenorrhoe blijkt nu nog sterker significant hoger te zijn dan van de vrouwen zonder dysmenorrhoe (P = 0,005) dan bij de vergelijking van alle vrouwen, terwijl voor de Rotterdamse vrouwen wederom geen aanwijzing voor een leeftijdsverschil gevonden kon worden (P = 0,26).

– –

79

De oorzaak voor het verschil tussen de Rotterdamse en de Arnhemse vrouwen is niet geheel duidelijk, alhoewel uit tabel 44 is af te lezen, dat de hoge frequentie in het vóórkomen van dysmenorrhoe bij de vrouwen van 19 t/m 21 jaar en 22 t/m 24 jaar te Arnhem hierbij een belangrijke rol vervuld zal hebben.

De sterkere significantie bij toetsing van het leeftijdsverschil bij de vrouwen tot 26 jaar in het Arnhemse gedeelte van het interview-onderzoek zou kunnen wijzen op een ‘afvlakkend’ effect van de oudere vrouwen op het onderzoekresultaat. Dit zou het geval zijn, als boven een bepaalde leeftijd het vóórkomen van dysme- norrhoe minder sterk is of niet meer stijgt; wellicht zelfs in een daling omslaat. Er kon echter geen aanwijzing gevonden worden, dat de relatieve frequentie van dysmenorrhoeklachten bij de vrouwen van 29 jaar en ouder afwijkt van deze frequentie bij jongere vrouwen (toets voor een 2 x 2-tabel, binomiale benadering).

  1. BURGERLIJKE STAAT, PARITEIT EN DYSMENORRHOE

Vele auteurs menen, d a t d e burgerlijke staat o p zichzelf geen invloed heeft o p op- treden van dysmenorrhoe (DOYLE, 1955; ARTHURE, 1957 e.a.). Het huwelijk – als zodanig – z o u geen reducerende invloed oefenen o p h e t vóórkomen v a n pijn- klachten tijdens of vlak voor de menstruatie, DEVERE (1960) schrijft zelfs, dat de dysmenorrhoe soms pas na het huwelijk kan beginnen of verergeren, doordat de coïtus in die gevallen h e t optreden van ovulatoire cycli o p gang brengt.

SVENNERUD (1959) vond, d a t 61,4% d e r vrouwen met dysmenorrhoe ongehuwd was. V an de 350 door MUSHLIN (1961) onderzochte vrouwen met dysmenorrhoe was 84,6% ongehuwd en 97,1 % kinderloos.

Een partus of abortus heeft echter meestal wel het verdwijnen van de menstruatie- klachten tot gevolg (MILLER e.a. 1953; DEVERE, 1960; RANDALL en ODELL, 1943; ISRAEL, 1959).

DAVIS(1938) vond ook, dat de meeste gevallen van dysmenorrhoe na het huwelijk bleven bestaan, doch dat de meeste vrouwen de klachten kwijt raakten na een partus. Bij de spasmodische vorm van dysmenorrhoe is dit waarschijnlijk een gevolg van het scheuren van sympathische zenuwvezels bij de dilatatie van de cervix tijdens de partus.

SVENNERUD vond bij 66 vrouwen, die aangaven, dat ze vroeger dysmenorrhoe gehad hadden, dat bij 33 de klachten na een graviditeit verdwenen waren ; bij 25 spontaan en bij 8 n a voorafgaande medicatie. Deze schrijver is zó overtuigd van d e heilzame werking van een partus op het vóórkomen van dysmenorrhoe, dat hij stelt, dat er reden is om aan te nemen, dat de dysmenorrhoe secundair is als er na een graviditeit nog ernstige dysmenorrhoeklachten blijken te bestaan.

COPPEN en KESSEL (1963) vonden bij hun enquête-onderzoek geen verband tussen

Tabel 46. Vóórkomen van dysme- norrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de gehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de pa- riteit

geen kinderen of abortus dysm. +

80

Rotterdam Arnhem

2 30

g e c n
d
ySm, d y s m

10 20 –

verzuim

totaal

de ernst van een bestaande dysmenorrhoe en de burgerlijke staat. Wel bestond er een significante negatieve correlatie tussen het vóórkomen van dysmenorrhoe en de aanwezigheid van kinderen.

ARTHURE (1957) en DOYLE (1955) waarschuwen echter tegen een al te optimisti- sche opvatting over de ‘genezende’ invloed van een partus op de menstruatie- klachten.

3.1. Eigen onderzoek

Van de 392 ondervraagde ongehuwde vrouwen te Rotterdam hadden er 221 (56,4%) dysmenorrhoeklachten en van de 74 gehuwde vrouwen 31 (41,9%). Te Arnhem hadden 314 (59,5%) van de 528 ongehuwde vrouwen dysmenorrhoe en 8 (61,5%) van de 13 vrouwen, die gehuwd of gehuwd geweest waren (tabel 45).

Het kleine aantal gehuwden onder de Arnhemse vrouwen maakte het onmogelijk om het vóórkomen van dysmenorrhoe in deze groep te toetsen. Bij de vrouwen

Tabel 45. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar burgerlijke staat

Rotterdam

31

geen
dysm. dysm.

171 221 (43,6%) (56,4%)

verzuim totaal

57 392

geen dysm.

43
(58,1%) (41,9%)

ongehuwden dysm. +

gehuwden dysm. +

Arnhem 214 314 95 528 5 8 2 13 (40,5%) (59,5%) (38,5%) (61,5%)

uit het Rotterdamse gedeelte van het onderzoek bleek het aantal vrouwen met dysmenorrhoe onder de gehuwden bij toetsmg significant lager te zijn dan onder de ongehuwden öiMoets voor een 2 x 2 tabel, Ρ = 0,03).

Na een verdeling van de gehuwde vrouwen naar pariteit wordt echter duidelijk, dat de gehuwde staat – als zodanig – geen invloed heeft op het meer of minder vóór- komen van dysmenorrhoeklachten, Tabel 46 laat zien, dat van de 39 vrouwen met kinderen te Rotterdam er 11 (28,2%) en van de 30 gehuwden zonder kinderen 20

2
(66,7 %) klachten van dysmenorrhoe hadden. Bij toetsing met de x -toets blijkt het

vóórkomen van dysmenorrhoe bij de gehuwde vrouwen met kinderen zeer signi- ficant minder te zijn dan bij de gehuwden zonder kinderen (P = 0,003) en bij de ongehuwden (P = 0,001). Een vergelijking tussen de ongehuwde vrouwen en de

wel kinderen of abortus

geen dysm. + dysm. dysm. verzuim

pariteit onbekend dysm. +

totaal

geen
dysm. dysm.

verzuim

totaal

28 11 3 39 5
2 2 3 8 2 11

1

dysm.

verzuim totaal

5 74

5

81

gehuwden zonder kinderen toont, dat te Rotterdam dysmenorrhoe zelfs iets vaker blijkt voor te komen bij de laatsten. Dit verschil is echter niet significant (x2-toets, Ρ = 0,37).

  1. MENARCHELEEFTIJD, HET A A N T A L JAREN SINDS DE MENARCHE EN DYSMENORRHOE

LUKAS (1965) zag geen verschil in de gemiddelde menarcheleeftijd van 100 vrouwen met dysmenorrhoe en 100 vrouwen zonder dysmenorrhoe.

Volgens vele onderzoekers zouden de menstruaties pas enkele maanden of jaren na de menarche pijnlijk beginnen te worden (ARTHURE, 1957; DAVIS, 1938 e.a.). SVENNERUD (1959) vond bij 336 vrouwen, die dysmenorrhoe hadden of vroeger gehad hadden, dat deze klachten bij 215 hunner reeds binnen een jaar, bij 28 een tot twee jaar en bij 93 meer dan twee jaren na de menarche begonnen waren.

De geslachtsrijpe periode wordt veelal ingeleid met een aantal anovulatoire bloedingen. Bloedingen met een cyclustijd, welke korter is dan 2 weken zijn vrijwel altijd anovulatoir, daar de corpus-luteumfase alleen reeds 14 dagen duurt. Er zijn echter anovulatoire bloedingen, welke in periodiciteit, duur van de fluxus en de mate van bloedverlies geheel op ovulatoire bloedingen gelijken (JOOSSE, 1959).

Anovulatoire bloedingen zijn volgens JOOSSE en vele andere auteurs altijd pijn­ loos. Het gebruik van ovulatieremmende stoffen als profylaxe voor het optreden van dysmenorrhoe berust op dit principe, GOLUB, MENDUKE en LANG (1963) menen echter op grond van een onderzoek, dat ze verrichtten bij (slechts) 30 meisjes, te kunnen concluderen, dat dysmenorrhoe niet afhankelijk is van het vóórkomen van ovulatie, omdat bij 9 van deze meisjes reeds ernstige klachten bestonden van de eerste fluxus af.

4.1. Eigen onderzoek

Van 459 vrouwen te Rotterdam en 539 te Arnhem was zowel de menarcheleeftijd als het al of niet vóórkomen van dysmenorrhoe bekend.

Voor de Rotterdamse vrouwen kon zowel bij de ongehuwden als bij de gehuwden met de toets van Wilcoxon geen verband worden aangetoond tussen het vóór- komen van dysmenorrhoe en de menarcheleeftijd.

Voor de 526 ongehuwde vrouwen uit het Arnhemse deel van het onderzoek gaf de toetsing volgens Wilcoxon een zeer significante relatie te zien (P = 0,01), in die zin, dat de menarcheleeftijden van de vrouwen met dysmenorrhoe lager waren dan die van de vrouwen zonder dysmenorrhoe (tabel 47).

Het is echter de vraag of aan dit onderzoekresultaat veel belang moet worden gehecht. De mogelijkheid van een invloed van de leeftijd of het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueren op dit onderzoekresultaat is namelijk in het geheel niet denkbeeldig.

Bij het onderzoek naar het verband tussen leeftijd en het tijdstip van het optreden der menarche (hoofdstuk 2) is reeds gewezen op het feit, dat de menarcheleeftijd een daling kan ondergaan in de loop van de tijd; m.a.w., dat de jongere vrouwen (die later geboren zijn) meer kans hebben op een lagere menarcheleeftijd dan de oudere vrouwen. Voor het Rotterdamse gedeelte van ons onderzoek kon het bestaan van een daling worden aangetoond.

Op grond van de gegevens uit de literatuur (welke in ons retrospectieve ziekte-

82

Tabel 47. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij vrouwen uit het interview-onder- zoek te Arnhem, verdeeld naar menarcheleeftijd en burgerlijke staat

menarche- leeftijd

ongehuwd gehuwd (geweest) totaal

geen dysm.+ geen dysm. + geen dysm. +
dysm. dysm. verzuim totaal dysm dysm. verzuim totaal dysm. dysm. verzuim totaal

totaal

214 314 95 528 5 8 2 13 219 322 97 541

verzuimonderzoek wel, doch in interview-onderzoek niet bevestigd konden worden) mogen we aannemen, dat het vóórkomen van dysmenorrhoe boven een bepaalde leeftijd (25 jaar?, 30 jaar?) in frequentie afneemt. De oudere vrouwen met een geringere kans op dysmenorrhoe en een grotere kans op een later menarchetijdstip dan de jonge vrouwen, zouden daardoor het onderzoekresultaat over het verband tussen menarcheleeftijd en het vóórkomen van dysmenorrhoe kunnen beïnvloeden.

1011 11

7 31 5 38 1 1 1 7 32 6 39 44 74 26 118 1 3 _ 4 45 77 26 122 63 92 31 155 1 2 1 3 64 94 32 158 62 74 24 136 3 1 4 65 75 24 140 26 37 7 63 – – – – 26 37 7 63

6 4 1 10 _ – _ _ 6 4 1 10 441_141_5 _1_1_____1_1

11
12
13
14
15
16
17
18
? 1112
—-1112

De enige mogelijkheid om een eventuele invloed van de leeftijd uit te schakelen zou bestaan in een vergelijking van de menarcheleeftijden bij vrouwen met en zonder dysmenorrhoe binnen een groep van dezelfde leeftijd. De mogelijke invloed van een regressie van het menarchetijdstip kan alleen opgeheven worden door vrouwen te vergelijken, die in hetzelfde jaar geboren zijn. Daar onze gegevens in de loop van een zestal jaren werden verzameld en dus de vrouwen, die in hetzelfde

jaar geboren werden niet allen even oud waren op het moment van de ondervraging, zou een opsplitsing naar leeftijd en geboortejaar zulke kleine aantallen geven, dat een statistische bewerking onmogelijk werd.

Uit biologisch standpunt bezien, is naar onze mening het verband tussen het vóór- komen van dysmenorrhoe en de ‘biologische’ leeftijd van de vrouw echter een veel belangrijker gegeven. Het verband dus tussen het vóórkomen van dysmenorrhoe en het aantal jaren, dat de vrouw menstrueert, waarbij dan hier onder menstruaties ook moeten worden begrepen de periodiek optredende bloedingen, welke het gevolg zijn van anovulatoire cycli.

Om een mogelijke invloed van de burgerlijke staat en de pariteit op het onder- zoekresultaat te voorkómen, werd het verband tussen het aantal jaren menstruaties en het vóórkomen van dysmenorrhoe alleen nagegaan voor de ongehuwde vrou- wen. Een overzicht van de gevonden frequenties van het vóórkomen van dysme- norrhoe verdeeld naar het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden, wordt gegeven in tabel 48.

Van 386 ongehuwde vrouwen te Rotterdam en 526 te Arnhem, was het aantal 83

Tabel 48. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden

Rotterdam

dysme- norrhoe

4(80,-%)

5(41,7%) 13 (38,2%) 27(46,6%) 38(61,1%) 26(51,-%) 26(72,2%) 14(60,9%) 10(52,6%)

6 (46.1 %) 10(58,8%) 4(57,1%) 4 (80,-%) 29(60,4%)

216 ?652211

totaal 392 221 (56,4%) 57 528 314(59.5%) 95

jaren ‘menstruatie’ bekend. Bij toetsing met de toets van Wücoxon blijkt voor de Rotterdamse ongehuwde vrouwen een aanwijzing (P = 0,07) en voor de Arnhemse ongehuwde vrouwen een significant verband (P = 0,003) te bestaan tussen het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden en het vóórkomen van dysmenorrhoe. Uit tabel 48, blijkt, dat dysmenorrhoe relatief minder frequent wordt aangetroffen bij de vrouwen, die nog pas slechts enkele jaren periodieke bloedingen hebben, dan bij alle vrouwen tezamen. Zeer waarschijnlijk is dit een gevolg van het feit, dat in de eerste jaren na de menarche nog vele – zo niet alle – cycli van anovulatoire aard zijn.

5.MENSTRUATIEPATROON EN DYSMENORRHOE

Menstruele cycli, welke korter duren dan twee weken zijn meestal pijnloos, omdat het volgens JOOSE(1959) dan vrijwel altijd anovulatoire bloedingen betreft.

DRiLLiEN (1946) vond significant meer ‘disabling’ dysmenorrhoe bij vrouwen, die zulke onregelmatige cycli hadden, dat zij aangaven zelfs niet bij benadering te weten, wanneer de volgende menstruatie verwacht kon worden. Ook vond deze onderzoekster een positief verband tussen het vóórkomen van ‘disabling’ dysme- norrhoe en een menstruatieduur van 7 dagen of langer.

SWAAK (1965) berekende uit de keuringsgegevens van 418 leerling-kraamver- zorgsters, dat de gemiddelde duur van de menstruatie bij degenen, die klachten-

aantal
jaren totaal

dysme- norrhoe- verzuim

totaal

aantal vrouwen

Arnhem

dysme- norrhoe

1(33,3%)

dysme- norrhoe- verzuim

menstruatie

aantal vrouwen

84

< 1 5 1 12 2 34 3 58 4 62 5 51 6 36 7 23 8 19 9 13 10 17 11 7 12 5 > 12 48

3 23 3 45 8 92 11 87 5 54 11 68 4 45 2 25 1 •16 3 19 13 2 10 5 26

7(30,4%) 4 22(48,9%) 5 53 (57,6%) 12 50(57,5%) 16 33(61,1%) 15 47 (69,1 %) 15 28(62,2%) 10 20 (80,-%) 5 13 (81,2%) 5 13 (68,4%) 1

8(61,5%) 3

3(33,3%) 1 15(57,6%) 2

subtotaal 386

55 526

313 94

vrije menses zouden hebben 5,1 dag bedroeg, terwijl dit bij de vrouwen, die een abnormale menstruatie hadden 6,1 dag was.

5.1. Eigen onderzoek
5.1.1. Menstruele cyclus en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

  1. Bij het zoeken naar een mogelijk verband tussen de cyclusduur en de fre- quentie van het dysmenorrhoevóórkomen werd uitgegaan van de gegevens, welke verkregen zijn van de ongehuwde vrouwen met een ‘constante’ cyclusduur (tabel 49).

Tabel 49. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen met een ‘constante’ cyclusduur uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de duur van de menstruele cyclus

duur van de

cyclus in dagen

geen dysm.

Rotterdam

dysm. + dysm. verzuim

totaal

geen dysm.

Arnhem

dysm. +
dysm. verzuim totaal

<27 6 8 , 14 19 23 4 42 28 t/m 30 66 68 15 134 123 188 55 311 SOI 1 4 1 5 3 9 3 12

totaal 73 80 17 153 145 220 62 365

Van de 14 vrouwen te Rotterdam, die een cyclus hadden, welke 27 dagen of korter duurde, hadden er 8 (57,1 %) dysmenorrhoeklachten. Van de 42 Arnhemse vrouwen met een cyclusduur welke 27 dagen of korter was, hadden er 23 (54,8 %) last van dysmenorrhoe.

Een cyclusduur van 28, 29 of 30 dagen werd aangetroffen bij 134 vrouwen te Rotterdam, van wie er 68 (50,7 %) dysmenorrhoe bleken te hebben en bij 311 vrou- wen te Arnhem, van wie er 188 (60,4%) dysmenorrhoeklachten hadden.

Van de 5 vrouwen te Rotterdam en de 12 vrouwen te Arnhem, die een cyclus- duur hadden, welke langer dan 30 dagen duurde, bleken er 4 (80%) respectievelijk 9 (75 %) dysmenorrhoe te hebben.

In beide steden lijken de vrouwen met een lange menstruele cyclus dus vaker last van dysmenorrhoe te hebben dan de vrouwen met een cyclus, welke korter dan 31 dagen duurde.

Een toetsing van 2 χ 2-tabellen leert echter, dat geen significant verband bestaat tussen de duur van de menstruele cyclus en het vóórkomen van dysmenorrhoe.
b. Tabel 50 geeft een overzicht van het vóórkomen van dysmenorrhoe bij 392 ongehuwde vrouwen te Rotterdam en 528 ongehuwde vrouwen te Arnhem, ver-

deeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclus. Getoetst werd de spreiding 2

van 0 t/m 3 dagen tegenover de spreiding van 4 dagen of langer. Met de x -toets voor een 2 χ 2-tabel bleek geen significante correlatie te bestaan tussen de mate van variabiliteit van de menstruele cyclusduur en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

85

Tabel 50. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruele cyclusduur

variatie- breedte van de menstruele cyclus in

dagen

Rotterdam

Arnhem

0t/m3 127 4t/m5 20 6t/m7 12

>7 10

152 38 279 181 262 22 7 42 7 15 26 8 38 10 18 21 4 31 16 19

221 57 390 214 314

menstruatie- duur in dagen

Rotterdam Amhem

86

geen dysm.

dysm.

dysm. + verzuim

totaal

geen
dysm. dysm.

dysm. +
verzuim totaal

74 443 5 22 5 28

11 35 95 528

95 528

subtotaal 169 722

totaal 171 221 57 392 214 314

5.1.2. Menstruatie en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

  1. Uit tabel 51 blijkt, dat zowel te Rotterdam als te Arnhem dysmenorrhoe minder vaak wordt aangetroffen bij de ongehuwde vrouwen met een menstruatie, welke 4 dagen of korter duurde dan bij de vrouwen met een langere menstruatieduur.

Tabel 51. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen met een ‘constante’ menstruatieduur uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de duur van de menstruatie

geen dysm.

dysm. +
dysm. verzuim totaal

geen dysm. + dysm. dysm. verzuim

totaal

111 22211

8 7 3 15 11 4 2 15 22 17 5 39 39 38 5 77 35 31 9 66 60 113 40 173

3
4
5
6
7 811
222

2 11 2 13 22 48 15 70 18 32 10 50 16 28 5 44

9111—- 10 1 1 1 – – – – >10 – – – – 1 – – 1

subtotaal 89 101 31 190 152 231 67 383 711

totaal 89 101 31 190 152 232 67 384

In het Rotterdamse gedeelte van het onderzoek was dit zelfs ook nog het geval voor de vrouwen, wier menses 5 dagen duurde. Bij toetsing met de tweesteekproeven- toets van Wilcoxon blijkt de menstruatieduur van de ongehuwde vrouwen met dysmenorrhoe, zowel in Rotterdam als in Arnhem, zeer significant langer te zijn dan bij de ongehuwden zonder dysmenorrhoe (Rotterdam Ρ — 0,006, Arnhem Ρ = 0,01).

  1. Het vóórkomen van dysmenorrhoe bij de ongehuwde vrouwen, ingedeeld naar de grootte van de onregelmatigheid van de menstruatieduur wordt gegeven in tabel 52.

2 Zowel te Rotterdam als te Arnhem kon door middel van toetsing met de x -toets

voor een 2 χ 2-tabel geen verschil in frequentie van de dysmenorrhoepatienten gevonden worden tussen de onderzochte vrouwen met een ‘constante’ duur en de vrouwen met een variabele duur van de menstruatie.

Tabel 52. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de variatiebreedte van de menstruatieduur

Variatie van de

menstruatie in dagen

0
1
2 313242
-_2

4323—-

5

“•

~

111

geen dysm.

Rotterdam

dysm. + dysm. verzuim

totaal

geen dysm.

Amhem

dysm. +
dysm. verzuim totaal

89 101 31 190 152 231 67 383 75 104 20 179 57 75 24 132 5 10 2 15 3 6 3 9

170 221

“”~

57 391 214 313 95 527

subtotaal ?1111

totaal 171 221 57 392 214 314 95 528

  1. MATE V AN BLOEDVERLIES TIJDENS DE MENSTRUATIE EN DYSMENORRHOE

Naast de mening, dat menstruatiepijn en fluxus volledig onafhankelijk van elkaar zijn (SCHUCK, 1951), treft men in de literatuur vaker de overtuiging aan, dat er wel een verband tussen beide bestaat. Dit verband wordt door HOYTEMA en JOOSSE (1950) e.a. afgeleid uit de waarneming, dat dysmenorrhoe meestal gepaard gaat met een matig tot gering bloedverlies.

Ook LUKAS (1965) meent, dat de intensiteit van de pijn meestal omgekeerd even- redig is met de sterkte van de bloeding, DAVIS (1938) schrijft, dat in de meeste ge- vallen van dysmenorrhoe van het congestieve type de pijnintensiteit evenredig en bij de dysmenorrhoe van het spasmodische type omgekeerd evenredig is aan de hoeveelheid bloedverlies.

DRILLIEN (1946) schatte de mate van bloedverlies aan de hand van het aantal per

87

dag verbruikte doekjes. Het bleek haar, dat er een sterk significant verschil bestond tussen het voorkomen van ‘disabling’ dysmenorrhoe bij gering bloedverlies (< 2 doekjes per dag) en bij veel bloedverlies (> 6 doekjes per dag), [in die zin dat er bij de vrouwen met veel bloedverlies tijdens de menstruatie twee maal zo vaak ernstige dysmenorrhoe bestond als bij de vrouwen met een geringe fluxus.

De pijn bij de menstruatie is meestal maximaal bij het begin van de fluxus en vermindert volgens ARTHURE (1957) in intensiteit als de bloeding goed ‘doorzet’. Anovulatoire bloedingen, welke meestal pijnloos verlopen, kunnen, zoals reeds eerder werd gezegd, ook in de mate van bloedverlies geheel gelijken op ovulatoire bloedingen; dus op ‘echte’ menstmaties. Door het optreden van stolsels kan me- norrhagie aanleiding geven tot een obstructieve (en dus in feite een secundaire)

dysmenorrhoe.

6.1. Eigen onderzoek

Van 461 onderzochte vrouwen te Rotterdam en 539 onderzochte vrouwen te Amhem was de mate van bloedverlies tijdens de menstruatie bekend. Een overzicht hiervan wordt gegeven in de tabellen 53 (ongehuwde vrouwen) en 54 (gehuwde vrouwen).

Tabel 53. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Amhem, verdeeld naar mate van bloedverlies

mate van bloedverlies

veel matig weinig

totaal

aantal vrouwen

48 297

dysme- norrhoe- verzuim

14 (29.2%)

totaal aantal vrouwen

32 480

Arnhem

dysme- norrhoe

dysme- norrhoe- verzuim

12 (37,5%)

Rotterdam

dysme- norrhoe

387 219 (56,6%) 56 (14,5%) 526 312 (59,3%) 94 (17,9%)

38 (79,2%) 163 (54,9%)

23 (71,9%) 285 (59.4%)

39 (13,1%)
42 18(42,9%) 3(7,1%) 14 4(28,6%) 1(7,1%)

subtotaal
onbekend 52 1 22 1

totaal 392 221 57 528 314 95

Van de ongehuwde vrouwen met veel bloedverlies (dus zij, die stolsels hadden bij de fluxus) bleek te Rotterdam 79,2% en te Amhem 71,9% last van dysme- norrhoe te hebben. Van de ongehuwde vrouwen die opgaven, dat ze een matig bloedverlies hadden, had 54,9 % te Rotterdam en 59,4 % te Amhem dysmenorrhoe. Van de ongehuwde vrouwen met een gering bloedverlies bestonden dysmenorrhoe- klachten bij 42,9% van hen te Rotterdam en 28,6% te Amhem. Deze verschillen waren bij toetsing met de xa-toets voor een 2 χ 3-tabel voor Rotterdam zeer signi­ fikant (Ρ = 0,001) en voor Amhem significant (P = 0,02). In figuur С wordt deze relatie d.m.v. staafdiagrammen geïllustreerd.

Voor de ongehuwde vrouwen in ons onderzoek bleek dus bij de vrouwen met

88

81 (16.9%)

IL 100

75

50-

25

Rt Ahm veel

Rt Ahm matig

Rt Ahm weinig

Figuur C. Het vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim ( E ] ) bij 387 ongehuwde vrouwen te Rotterdam en 526 ongehuwde vrouwen te Arnhem uit het interview-onderzoek, verdeeld naar de mate van bloedverlies.

veel bloedverlies veel vaker dysmenorrhoe voor te komen dan bij de andere vrou- wen en bij de vrouwen met gering bloedverlies veel minder vaak dysmenorrhoe dan bij de anderen.

Voor de gehuwde vrouwen te Rotterdam (tabel 54) was het verband tussen bloed- 2

verlies en dysmenorrhoe met de x -toets niet significant, hetgeen mogelijk veroor- zaakt zou kunnen zijn door de pariteit. Alhoewel in tabel 54 wel een gering verschil is te onderkennen in het vóórkomen van dysmenorrhoe met betrekking tot de

Tabel54. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de gehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar de pariteit en de mate van bloedverlies

pariteit

geen kinderen

wel kinderen

pariteit onbekend

totaal

totaal mate van aantal

bloedverlies vrouwen

dysmenorrhoe

dysmenorrhoe- verzuim

veel 8 7 matig 20 12 weinig 2 1

veel 5 matig 33 weinig 1

veel matig weinig

74 31

89

mate van bloedverlies tussen de gehuwden met kinderen en de gehuwden zonder kinderen te Rotterdam, blijkt dit verschil niet significant te zijn.

In hoeverre ten aanzien van het onderzoekresultaat bij de ongehuwde vrouwen sprake is van de invloed van de mate van bloedverlies op het al dan niet pijnloos verlopen van de menstruatie kan niet uit de onderzoekresultaten worden afgeleid.

Wat betreft de dysmenorrhoe van het congestieve type zijn waarschijnlijk zowel de overvloedigheid van de fluxus als de pijnklachten tijdens de menstruatie het gevolg van de veneuze stuwing in het kleine bekken. Voor het optreden van spas- modische dysmenorrhoe is een invloed van de mate van bloedverlies zeer wel mogelijk. In de verantwoording van het interview-onderzoek (hoofdstuk 1) werd reeds gesteld, dat de notatie ‘veel bloedverlies’ in ons onderzoek alleen gebruikt werd als de ondervraagde aangaf, dat zij tijdens de fluxus stelsels kwijtraakte. Deze stelsels kunnen oorzaak zijn van het optreden van een (secundaire) dysme- norrhoe. Het significant minder vóórkomen van dysmenorrhoe bij de onderzochte vrouwen met weinig bloedverlies dan bij de andere onderzochte vrouwen kan hier- door echter niet verklaard worden.

  1. LICHAAMSBOUW EN DYSMENORRHOE

Over het verband tussen lichaamsbouw en het optreden van dysmenorrhoe is weinig bekend. Slechts in een viertal van de ons ter beschikking staande publikaties over dysmenorrhoe, wordt over het bestaan van een eventueel verband geschreven.

HIRSCH (1923) vond, dat 85% van de dysmenorrhoepatienten een asthenische en 2% een pyenische habitus hadden, WALLAU (1939) zag een verschil tussen het vóórkomen van dysmenorrhoe bij leptosome en pyenische vrouwen. Van 1113 leptosome vrouwen leed 15,0% aan dysmenorrhoe en van 751 pyenicae 5,1 %.

KÖNIG (1959) zag bij 100 dysmenorrhoepatienten, dat 58% een leptosome, 29% een pyenische en 13 % een atletische habitus had, tegenover 48 % leptosomen, 37 % pyenicae en 15% athleticae bij een controlegroep van 100 vrouwen zonder dysme- norrhoe. SCHUCK (1951) kon bij zijn onderzoek naar het vóórkomen van primaire dysmenorrhoe bij 800 vrouwelijke patiënten geen relatie aantonen tussen een bepaalde habitus en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

7.1. Eigen onderzoek

Van 342 ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en van 527 ongehuwden te Arnhem was de lichaamsbouw bekend (tabel 55). Noch te Rotter- dam noch te Arnhem is er, bij toetsing van 2 χ 3-tabellen met de xs-toets, een verband te onderkennen tussen habitus en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

Ook voor de gehuwden te Rotterdam werd geen verband gevonden met de lichaamsbouw.

  1. SCHOOLOPLEIDING EN DYSMENORRHOE

Over de relatie tussen de sociale status en het vóórkomen van dysmenorrhoe is weinig geschreven, WTTTKOWER en WILSON (1940) schrijven, dat dysmenorrhoe voornamelijk vóórkomt bij vrouwen uit de ‘betere’ en meer ontwikkelde sociale lagen van de bevolking.

90

Tabel 55. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar lichaamsbouw

bouw totaal aantal

vrouwen

asthenisch 78 42 ‘athletisch’ 231 133 pycnisch 33 18

subtotaal 342 193 onbekend 50 28

totaal 392 221

8.1. Eigen onderzoek

dysme- norrhoe- verzuim

16 (20,5%) 32 (13,9%) 4 (12,1%)

52 (15,2%) 5

57

totaal dysme-
aantal norrhoe norrhoe-

Rotterdam

dysme- norrhoe

Arnhem

(53,8%) (57,6%) (54,5%)

(56,4%)

vrouwen

63 40 431 255 33 19

527 314 1

528 314

(63,5%) (59,2%) (57,6%)

(59,9%)

In hoofdstuk 1 hebben we reeds geschreven, dat de schoolopleiding – met veel voorbehoud – mogelijk enige indicatie geeft van de sociale status van het gezin, waaruit iemand afkomstig is. Op grond hiervan werd het verband tussen school- opleiding en het vóórkomen van dysmenorrhoe onderzocht. Tabel 56 vermeldt de gegevens betreffende het verband tussen schoolopleiding en het vóórkomen van dysmenorrhoe bij de ongehuwde vrouwen.

In Arnhem blijken tussen de vrouwen met verschillende opleidingsniveau’s geen verschillen te bestaan.

Tabel 56. Vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij de ongehuwde vrouwen uit het interview-onderzoek te Rotterdam en te Arnhem, verdeeld naar de schoolopleiding

opleiding totaal aantal

vrouwen

LO, Huish.-
school, e.d. 105

ULO 270

Rotterdam

dysme- norrhoe

dysme- norrhoe- verzuim

totaal aantal vrouwen

Arnhem

dysme- norrhoe

dysme- norrhoe- verzuim

41 (18,6%) 35 (16,7%) 19 (19,6%)

HBS, MMS, e.d.

subtotaal opl. onbekend

17

totaal 392

221 57

68 (64,8%) 18 (17,1%)

147) 39 (14,4%) 6 ((53,3%)

220 133 210 120 97 60

527 313 11 528 314

(60,4%) (57,1%) (61,8%)

392 221 (56,4%) 57 (14,5%)

(59,4%) 95

95

(18,-%)

dysme- verzuim

14 (22,2%) 76 (17,6%) 5 (15,2%)

95 (18,-%)

95

91

Voor de Rotterdamse ongehuwde vrouwen bleek het, vanwege de geringe bezetting van de categorie met MMS, HBS e.d., niet mogelijk de indeling in drie opleidingsniveau’s vol te houden, zodat de groep met de middelbare schoolop- leiding voor de statistische bewerking gevoegd werd bij de vrouwen met ULO- opleiding. Er blijkt dan voor de Rotterdamse vrouwen een duidelijk verschil te bestaan in vóórkomen van dysmenorrhoe tussen de ongehuwde vrouwen met alleen lagere schoolopleiding (64,8%) en zij, die tevens een voortgezette opleiding

a
hadden genoten (53,3 %). Bij de toetsing met de x -toets blijkt dit verschil echter

(net) niet significant te zijn (P = 0,06). Er bestaat dus alleen van het Rotterdamse deel van het onderzoek enige aanwijzing, dat bij de ongehuwden met alleen lagere- schoolopleiding, relatief iets meer dysmenorrhoe vóórkomt dan bij degenen, die een voortgezette opleiding hebben gevolgd.

  1. BESPREKING EN SAMENVATTING VAN DE ONDERZOEKRESULTATEN

9.1. Dysmenorrhoe blijkt bij de vrouwen in ons interview-onderzoek, zowel te Rotterdam (54,1 %) als te Arnhem (59,4%) relatief vaker voor te komen dan bij de vrouwen, die door de meeste van de andere onderzoekers op het vóórkomen van dysmenorrhoe zijn onderzocht. Zeer waarschijnlijk is dit een gevolg van de ruime interpretatie, welke wij aan het begrip dysmenorrhoe meenden te moeten geven.

Een goede vergelijking van het dysmenorrhoe-vóórkomen bij verschillende bevolkingsgroepen, rassen en dergelijke, zal pas mogelijk worden als door iedere auteur bij zijn onderzoek uitgegaan zal worden van een zelfde inhoud van het dysmenorrhoebegrip.

9.2. Evenals dat in onderzoekingen van andere auteurs het geval was, bleek ook in ons onderzoek een verband te bestaan tussen de leeftijd en het vóórkomen van dysmenorrhoe. Bij de ongehuwde vrouwen kwam dysmenorrhoe minder frequent voor in de jongste leeftijdsgroep van geslachtsrijpe vrouwen (15 tot en met 18 jaar)

dan bij de ouderen. Speciaal in het Arnhemse deel van het onderzoek bleek zeer duidelijk, dat dysmenorrhoe meer vóórkomt bij vrouwen van 19 jaar en ouder dan bij jongere vrouwen.

Het is echter de vraag of hier sprake is van een reëel verband tussen het vóór- komen van dysmenorrhoe met de leeftijd. Mogelijk moet de verklaring eerder gezocht worden in het geringe aantal jaren, dat deze 15 t/m 18-jarigen menstruaties hebben. Binnen de groep van 15 t/m 18-jarigen vrouwen blijken het voornamelijk de 15-jarigen te zijn, die veel minder vaak last van dysmenorrhoe hebben dan de vrouwen van 16, 17 en 18 jaar. In paragraaf 9.4. wordt nog nader op het verband tussen het aantal jaren verlopen sinds de menarche en het vóórkomen van dysme- norrhoe ingegaan.

In het Arnhemse gedeelte van het onderzoek werd geen aanwijzing gevonden, dat de relatieve frequentie van dysmenorrhoeklachten bij de vrouwen van 29 jaar en ouder afwijkt van deze frequentie bij jongere vrouwen.

9.3. Dysmenorrhoe kwam bij gehuwden te Rotterdam significant minder frequent voor dan bij ongehuwden. Aangetoond kon echter worden, dat de burgerlijke staat – als zodanig – dit verschil niet veroorzaakte.

De pariteit bleek wel van belang : dysmenorrhoe kwam significant minder voor 92

bij de gehuwden met kinderen dan bij de gehuwden zonder kinderen en de onge- huwden.

9.4. Alhoewel bij de ongehuwden te Arnhem de menarcheleeftijd van degenen, die dysmenorrhoeklachten hadden, zeer significant lager was dan van de vrouwen, die geen dysmenorrhoe hadden, is het de vraag in hoeverre dit gevonden verschil van waarde is. Voor de onderzochte vrouwen uit het Rotterdamse deel van het onderzoek kon geen verband aangetoond worden.

Een verband tussen het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden en het vóór- komen van dysmenorrhoe bleek zowel in het Rotterdamse als in het Arnhemse gedeelte van ons onderzoek aanwezig te zijn. Voor de Arnhemse ongehuwde vrouwen was dit verband zelfs zeer significant. In beide steden werd dysmenorrhoe minder vaak aangetroffen bij de vrouwen, die pas drie of minder jaren menstruaties hadden dan bij degenen die reeds langer menstrueerden. Wij menen hierin een bevestiging te mogen zien van de opvatting, dat de cycli in de eerste jaren na de menarche bij vele vrouwen nog anovulatoir van karakter zijn.

9.5. Alhoewel in ons onderzoek enige relatie gevonden werd tussen de lengte van de menstruele cyclus en het vóórkomen van dysmenorrhoe bleek deze niet signifi- cant te zijn. De mate van variabiliteit in duur van de menstruele cyclus bleek geen verband met het dysmenorrhoevóórkomen te houden.

Zowel voor de Rotterdamse als de Arnhemse ongehuwde vrouwen bleek de menstruatieduur bij de vrouwen met dysmenorrhoe zeer significant langer te zijn dan bij de vrouwen zonder dysmenorrhoe. Bij nadere beschouwing van de ge- gevens (tabel 51) blijkt dysmenorrhoe minder vaak te worden aangetroffen bij de vrouwen met een menstruatieduur van minder dan 5 dagen dan bij de vrouwen, wier menses een langere duur hadden.

Het is de vraag in hoeverre hier sprake is van een directe correlatie tussen men- struatieduur en dysmenorrhoe-vóórkomen. In hoofdstuk 3 (paragraaf 4.1.1.) konden wij vaststellen, dat de intensiteit van het bloedverlies tijdens de menses groter is bij een langere duur van de menstruatie. In paragraaf 6 van dit hoofdstuk hebben wij beschreven, dat voor de vrouwen uit ons onderzoek dysmenorrhoe meer vóórkomt naarmate de fluxus overvloediger is. Daarom is het mogelijk, dat de gevonden correlatie tussen de lengte van de menstruatie en het dysmenorrhoe- vóórkomen in feite het gevolg is van de mate van het bloedverlies tijdens de menstruatie.

Een verband tussen het dysmenorrhoe-vóórkomen en de variabiliteit van de menstruatieduur kon niet worden aangetoond.

9.6. Er blijkt in ons onderzoek te Rotterdam en te Arnhem voor de ongehuwde vrouwen een significant verband te bestaan tussen de mate van bloedverlies en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

De onderzochte vrouwen, die tijdens de fluxus stolsels verloren, hadden veel vaker last van dysmenorrhoe dan de andere vrouwen. Bij de vrouwen, die opgaven, dat zij slechts een gering bloedverlies tijdens de menstruaties hadden, kwam veel minder vaak dysmenorrhoe voor dan bij de vrouwen, wier bloedverlies groter was.

In hoeverre de mate van bloedverlies van invloed is op het optreden van dysme- norrhoe, kan niet zonder meer uit de onderzoekresultaten afgeleid worden. Wel

93

mag worden aangenomen, dat stolsels in utero oorzaak kunnen zijn van het op- treden van een obstructieve (secundaire) dysmenorrhoe.

De bevinding uit ons onderzoek, dat de vrouwen met weinig bloedverlies veel minder vaak last van dysmenorrhoe hadden dan de andere vrouwen is in tegen- spraak met de waarnemingen van HOYTEMA en JOOSSE en die van LUKAS, die dysme- norrhoe juist veelal gepaard zagen gaan met een gering bloedverlies.

9.7. Een verband tussen het vóórkomen van dysmenorrhoe en lichaamsbouw kon in ons onderzoek niet aangetoond worden.

9.8. In het Rotterdamse gedeelte van het onderzoek bleek dysmenorrhoe (net) niet significant vaker voor te komen bij de ongehuwde vrouwen met alleen lagere- schoolopleiding dan bij de ongehuwde vrouwen met een voortgezette opleiding. Voor de vrouwen te Arnhem werd geen verband gevonden tussen opleiding en het vóórkomen van dysmenorrhoe.

94

HOOFDSTUK 7-ZIEKTEVERZUIM

„A worker on the job must both be willing and able to be there; if one of these conditions is not satisfied, he will be absent”.

£ ^ГГ^.”ГК

chives Industrial Health 13 (1956), 55.

Het is haast ondoenlijk om in betrekkelijk kort bestek een inzicht te verschaffen in de problematiek van het ziekteverzuim.

Speciaal in de eerste tien jaren na de Tweede Wereldoorlog is een groot aantal artikelen verschenen in de medische vakliteratuur en ook daarbuiten, welke een of meer aspecten van het ziekteverzuim behandelen. Aan deze na-oorlogse interesse liggen ongetwijfeld mede de sterk gestegen ziekteverzuimcijfers ten grondslag.

Ziekteverzuim is niet hetzelfde als verzuim door ziekte. De motivering om te verzuimen wordt niet alleen bepaald door de mate van ziek-zijn of onwelbevinden; ze is mede sterk afhankelijk van een veelheid van factoren, welke op zichzelf niets met het lichamelijk of geestelijk welzijn van het individu te maken hebben.

Hoe moeilijk de studie betreffende het ziekteverzuim wel is, kan onder andere blijken uit het feit, dat in 1951 een „Commissie tot onderzoek van de invloed van het ziekteverzuim op de Arbeidsproduktiviteit” werd ingesteld door de toenmalige minister van sociale zaken en volksgezondheid Joekes. Nadat deze commissie onder voorzitterschap van prof. Muntendam in 1954 een interimrapport had uitgebracht is niets meer van haar activiteiten openbaar geworden. De statistische sub-com­ missie constateerde in dit interimrapport, dat de ziekengeldkosten per ƒ 1000,— loon in de na-oorlogse jaren (1946 t/m 1950), voor wat de meeste Bedrijfsvereni- gingen betreft, 74 % hoger en voor wat de Raden van Arbeid betreft 89 % waren gestegen ten opzichte van de jaren vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Tevens bleek hun ook, dat het gemiddeld aantal verzuimgevallen per werknemer per jaar (de verzuimfrequentie) en het aantal wegens ziekteverzuim niet gewerkte dagen per 100 man-dagen (verzuimpercentage) tijdens en na de oorlog belangrijk waren toe- genomen, terwijl de gemiddelde duur van de verzuimen niet of nauwelijks was gestegen.

De Commissie-Muntendam komt in haar interimrapport tot de conclusie, dat er twee oorzaken zijn aan te wijzen voor het sterk gestegen ziekteverzuim na de Tweede Wereldoorlog en wel :
1. Een mentaliteitsverandering van de arbeidende bevolking, welke het gevolg

zou zijn van de invloed van de voorbije oorlog, waarin het arbeidsverzuim vaak als een soort sabotagedaad tegen de bezetter werd gezien en dan ook eerder gestimuleerd dan geremd werd. Deze mentaliteitsverandering zou dan ook vooral debet zijn aan het toegenomen aantal kortdurende verzuimen.

  1. De gewijzigde structuur der arbeidsmarkt. „Voor de oorlog werden de veel oudere arbeidskrachten uit het arbeidsproces gestoten, waardoor het risico voor langdurende ziektegevallen kleiner werd”. Het arbeidstekort na de oorlog zou oorzaak zijn, dat de oudere arbeider langer gehandhaafd werd, waarvan echter een toeneming van het aantal langdurende ziekteverzuimgevallen het gevolg was.

95

De door de commissie als eerste genoemde invloed geldt nu – 20 jaren na de oorlog – in veel geringere mate, daar een groot deel van de huidige arbeidende bevolking deze oorlog niet meer als werknemer heeft meegemaakt.

Toch stijgt het ziekteverzuin nog steeds. Een verklaring hiervoor is moeilijk te geven, daar zeer vele factoren een rol (kunnen) spelen. Alleen door grote en syste- matisch opgezette onderzoeken naar de rol, welke de onderscheidene factoren bij het ziekteverzuim vervullen, zal het mogelijk zijn nader tot de oplossing van het ziekteverzuimvraagstuk te geraken.

Voor een bespreking van enkele factoren, welke de verzuimgedragingen beïn- vloeden kan het beste gebruik gemaakt worden van de indeling, welke door м. j. w. DEGROOT (1958) in zijn dissertatie is gebruikt, DEGROOT onderscheidt:

  1. de verzuimbehoefte
  2. de verzuimnoodzaak
  3. de verzuimgelegenheid
  4. de verzuimmogelijkheid.

Ad 1. Onder verzuimbehoefte verstaat DEGROOT: „Het complex van gevoelens van lichamelijke en geestelijke aard, dat resulteert in een zodanige graad van minus- dispositie, dat de betrokken werknemer het gevoel heeft niet tot werken in staat te zijn”.

De verzuimbehoefte is dus een zuiver subjectief criterium : de werknemer zelf bepaalt of hij tot werken in staat is.

Ongetwijfeld is deze subjectieve bepaling van de arbeidsgeschiktheid afhankelijk van velerlei factoren.
I. Enerzijds is daarbij de aard van het werk en wel speciaal de wijze, waarop het werk door de werknemer ervaren wordt, van belang.

  1. De zwaarte van het werk.
  2. Het tempo, waarin de arbeid verricht moet worden.

с De plaats van het eigen werk binnen het gehele produktieproces.

  1. de afwisseling c.q. eentonigheid van het werk.
  2. De tijd van het etmaal, waarin de arbeid verricht moet worden : bij het bepalen

van de eigen arbeidsgeschiktheid zal zeker in overweging genomen worden of

het werk ’s nachts of overdag verricht moet worden.

ƒ. Het arbeidsmilieu, zoals stoffigheid, warmte, vocht, verlichting, enz.
g. De dag van de week: het aantal ziekmeldingen neemt volgens BOK (1948) voor

arbeiders in dagdienst van de dinsdag tot de zaterdag af.
II. Anderzijds is de relatie van de werknemer tot zijn werk en bedrijf van betekenis. a. Het verantwoordelijkheidsgevoel van de werknemer voor zijn werk, wat onder

andere beïnvloed wordt door: de binding aan het bedrijf, de positie van de werknemer in het bedrijf (arbeider – toezichthoudende functies), de lengte van het dienstverband, de grootte van het bedrijf, enz.
Naar de mening van PUGH (1959) is ziekteverzuim omgekeerd evenredig met de mate van verantwoordelijkheid, welke aan de functie verbonden is.

  1. De afstand tussen het bedrijf en de woonplaats, de vervoersmogelijk- heden, enz.

Voorts is voor de subjectieve arbeidsgeschiktheidsbepaling van groot belang hoe de werknemer zijn ziek-zijn of onwelbevinden ervaart. Een ieder, die iets met con- trole op het ziekteverzuim te maken heeft, kent uit eigen ervaring mensen, die

96

00
‘keihard’ zijn en met een temperatuur van 38 -39 nog door willen werken en zij,

die bij het eerste hoestje reeds menen niet meer tot werken in staat te zijn.

Ad 2. D e verzuimnoodzaak wordt volgens de definitie van DE GROOT bepaald „door het oordeel van derden met betrekking tot de wenselijkheid of noodzakelijkheid om bij een gegeven minus-dispositie van een werknemer hem te ontraden of te verbieden zijn arbeid voort te zetten of te hervatten”.

In de eerste plaats kunnen we wijzen op de kring van goedwillende adviseurs, welke zich altijd om de zich ziek voelende mens vormt. Echtgenoten, kinderen, buren, collega’s en ook de chefs dragen ieder hun steentje bij tot de arbeidsgeschikt- heidsbepaling door het individu zelve.

Een veel belangrijker rol ten aanzien van de bepaling der verzuimnoodzaak spelen echter de artsen.

Hoe moeilijk het blijkt te zijn om uit te maken of iemand ziek is of wat onder ziek-zijn dient te worden verstaan, wordt naar onze mening voldoende geïllustreerd met het feit, dat de Centrale Raad van Beroep tot drie maal toe enkele hoogleraren heeft gevraagd haar daarover te adviseren. In 1936 waren dat de Utrechtse hoog- leraren HUMANS VAN DE BERGH en BAART DE LA FAILLE, in 1953 de hoogleraren in depsychiatrieRUEMKEenVANDERHORSTeninhetjaar 1961dehooglerareninde sociale geneeskunde HORNSTRA en MERTENS. Uit de opdracht aan de eersten citeren wij „ . . . een rapport uit te brengen, inhoudende zoo mogelijk algemeene beschou- wingen, omtrent de vraag, wat onder ziekte moet worden verstaan en in verband hiermede, wanneer verschijnselen van abnormalen aard in de geestelijke of lichame- lijke gesteldheid van personen als verschijnselen van ziekelijken aard moeten worden beschouwd…”.

Het is deze adviseurs onmogelijk gebleken een definitie te geven van het begrip ‘ziekte’, welke voor alle tijden geldend zou zijn, want „de voorstellingen, welke de geneesheren in de loop van de tijden betreffende ‘ziekte’ gemaakt hebben zijn sterk gewisseld en zijn grotendeels afhankelijk van de in de verschillende perioden van de geschiedenis heersende theorieën”. Zij konden dan ook in hun uitgebracht rapport ‘slechts’ een omschrijving van het begrip ‘ziekte’ geven.

Nog moeilijker dan de bepaling van het al of niet ziekzijn is die van de mate van arbeidsgeschiktheid.

Alhoewel in Nederland sinds de dertiger jaren een principiële scheiding bestaat tussen behandeling en controle, zijn heden ten dage gelukkig vele geneeskundigen van oordeel, dat de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid zeker ook mede een taak van de behandelende arts is. LANDHEER heeft hierover in 1956 in zijn rede voor het ledencongres van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst te Nijmegen een aantal punten genoemd ter overdenking voor de huisartsen.

In het reeds eerder genoemde interimrapport van de Commissie-Muntendam wordt gesteld, dat de huisartsen een grote invloed behoren te hebben op de be- slissing of de patiënt al dan niet zijn arbeid zal staken. Hoe belangrijk de rol is, welke de huisarts speelt in het verzuimgedrag van zijn patiënten, heeft FORTUIN (1955) aangetoond door het vergelijken van de verzuimgrootheden van de patiënten uit de praktijken van negen Philips-huisartsen. Hierbij bleek een duidelijk verschil te bestaan tussen deze negen artsen, voor wat betreft het verzuimgedrag hunner patiënten. Over het algemeen tonen de behandelende geneesheren nog een gebrek

97

aan interesse in de economische consequenties van ziekte, zoals verlies van pro- duktie, het betalen van ziekengeld en kosten van geneeskundige behandeling. Toch is ten aanzien hiervan een verandering ten goede te constateren. De uitspraak van een controlerende geneeskundige, dat het ziekteverzuim van de door hem te con- troleren fabriekspopulatie met ruim 1 % was verhoogd, doordat zich in zijn woon- plaats een orthopedisch chirurg had gevestigd, is misschien wat overtrokken, doch bevat in de grond van de zaak een kern van waarheid.

Een feit is, dat met het toenemen en verbeteren van de medische verzorging eerder een toeneming dan een verlaging van het ziekteverzuim wordt gezien. Onge- twijfeld draagt de verbetering van de diagnostiek en de verruiming van de curatieve mogelijkheden veel bij tot het verhogen van het gezondheidspeil van de mens. Er is echter ook een economische en een sociaal-psychologische keerzijde aan deze medaille.

In de eerste plaats is er de verruiming van de mogelijkheid om patiënten naar specialisten te verwijzen. Op zichzelf is dit zeer waardevol, doch door overbelasting van de specialisten en de aan dezen gekoppelde diagnostische centra, duurt het vaak erg lang voordat een diagnose al dan niet gesteld kan worden. Hieraan debet is ook de vaak nog weinig efficiënte bedrijfsvoering van poliklinieken, laboratoria, röntgenafdelingen, e.d. Het behoort zeker niet tot de uitzonderingen, dat iemand pas vier weken na de verwijzing naar een specialist de uitslag van het onderzoek te horen krijgt. Zo zal bijvoorbeeld iemand met maagklachten, die arbeidsongeschikt meent te zijn, zich pas na de conclusie van de specialist, dat hij niets heeft kunnen vinden, weer geheel gerust voelen en zich tot werken in staat achten. Psychologisch averechts werkt het gezegde van een specialist aan een patient met rugklachten, dat er „een kleine afwijking aan de wervelkolom is te zien, welke echter niet van ernstige aard is”. Ondanks de geruststelling zal de rug van deze patient een psychisch zwakke plek blijven.

Naast dit iatrogeen ziekteverzuim of verlenging daarvan als gevolg van de be- moeienissen van behandelende artsen, wordt de duur van een verzuim ook vaak door de controlerend geneesheer ongunstig beïnvloed.

Over de invloed van medische controle op het ziekteverzuim bestaat geen een- stemmigheid. Zowel j. DE GROOT (1950) als м. j. w. DE GROOT (1954, 1955) menen op grond van hun ervaringen, dat van een nuttig effect van ‘vroege’ (c.q. eerste- dags) medische controle op de beperking van het ziekteverzuim geen sprake is. Een medische controle van de wegens ziekte verzuimende werknemer op de eerste dag van het verzuim zou alleen ten doel kunnen hebben om na te gaan of het gaan verzuimen gerechtvaardigd was. Het is echter in vrijwel geen enkel geval mogelijk op de eerste dag vast te stellen of een werknemer ten rechte of ten onrechte meent arbeidsongeschikt te zijn, zodat het toepassen van sancties in dat stadium van het verzuim praktisch onmogelijk is. Het uitblijven van sancties of duidelijke uit­ spraken ten aanzien van de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van een arbeids­ verzuim zal dan vaak door de betrokken werknemer worden uitgelegd als een autorisatie van zijn verzuim en als gevolg daarvan mogelijk juist aanleiding zijn tot een kunstmatige verlenging van het verzuim.

Als gevolg van de medische controle op het ziekteverzuim wordt de eigen verantwoordelijkheid van de patient ten aanzien van werkhervatting vaak geheel teniet gedaan. Spontane werkhervatting bij weer welbevinden gaat met de intensi­ vering van de medische controle steeds meer tot de zeldzaamheden behoren. Men

98

wacht thuis het bezoek van de lekecontroleur of de controlerende arts af vooraleer het werk te hervatten. Daarbij” komt, dat de controlerende geneeskundige ook vaak te weinig objectieve verschijnselen kan constateren om een volledig verantwoorde uitspraak te kunnen doen en de patiënten te rechter tijd het werk te doen hervatten.

Pogingen om deze eigen verantwoordelijkheid weer aan te kweken door ver- mindering c.q. opheffing van de controle op het ziekteverzuim hebben tot op heden met dan alleen tijdelijk effect gesorteerd (BOS, 1957; DENERLY, 1952).

Hoe gereserveerd men ook mag zijn, zowel ten opzichte van afschaffing als ten opzichte van ‘vroege’ en frequente controle op het ziekteverzuim, een feit is naar onze mening, dat de controle zeer wel geschikt is voor een beperking van de ver- znxmduur. Vele werknemers hebben een duwtje nodig om de arbeid weer te her- vatten.

Ad 3. De verzuimgelegenheid is „het complex van maatregelen en usances, die – al naarmate de eerste meer of minder stringent zijn en de tweede meer of minder tolerant – de beslissing van de werknemer om te verzuimen bij twijfelgevallen in remmende of bevorderende zin kunnen beïnvloeden” (DEGROOT, 1958).

Juist in gevallen, waarin de patient twijfelt over de behoefte tot verzuimen wegens onwelbevinden, zullen allerlei secundaire omstandigheden bij zijn beslissing een rol gaan spelen.
a. In de eerste plaats zijn hierbij de voorschriften van de ziekenkas van invloed.

Het vooruitzicht om tijdens feestdagen, vrije weekends en festiviteiten (kermis!) in de bewegingsvrijheid beperkt te zijn, kan aanleiding zijn om, ondanks een zich onwel bevinden, aan het werk te blijven.

  1. De controlegewoonten en de persoon van de lekecontroleur en controlerend geneesheer kunnen een rol spelen in positieve of negatieve zin.
  2. De invoering van de vijfdaagse werkweek heeft ook repercussies op het ziekte- verzuim gehad. Ten aanzien van personeel in dagdienst is het ziekteverzuim administratief vaak met een dag bekort. En wel met name met de zaterdag als de werkelijke werkhervatting op maandag gesteld is. Anderzijds heeft de vijf- daagse werkweek – althans in het begin – voor de werknemer in ploegendienst de mogelijkheid geschapen om ongecontroleerd van vrijdagavond tot maandag te verzuimen, daar de administratieve verwerking van de ziektemeldingen pas op maandag plaatsvond (FORTUIN, 1962).

Ad 4. De verzuimmogelijkheid. a. De Ziektewet 1930 biedt de werkgever nog steeds de mogelijkheid om pas van de derde dag van het ziekteverzuim af 80 % van het loon als ziekengeld uit te keren. Vele bedrijven en bedrijfsverenigingen hebben echter het wettelijke systeem van carentiedagen op de een of andere wijze ‘verzacht’ en de ziekengelduitkering verhoogd. Het financiële nadeel van ziekteverzuim is daardoor in de praktijk veelal tot nul gereduceerd.

De meningen over het effect van deze gunstiger financiële regelingen zijn niet eensluidend. De Commissie-Muntendam schreef in haar interimrapport: „In vele bedrijven blijkt het ziektecijfer eer gedaald dan gestegen bij invoering van een volledige uitbetaling van de ziektedagen. Bij andere bedrijven zijn de resultaten echter negatief gebleken”.

  1. j . w . DE GROOT (1954, 1955) concludeerde op grond van een onderzoek bij een aantal metaalbedrijven, dat het al dan niet bestaan van uitkeringsloze dagen

99

generlei invloed heeft op het ziekteverzuim, WADE (1955) kwam op grond van zijn onderzoek bij de Esso-Standard in de USA in de jaren 1951 en 1952 tot de over­ tuiging, dat een carentieperiode een gunstige invloed heeft op het ziekteverzuim. DENERLY (1952) zag in Engeland een sterke stijging van het ziekteverzuimpercentage na de invoering van volledige doorbetaling van loon en salaris bij ziekteverzuim. Ongetwijfeld zal hierbij echter ook de ongeveer gelijktijdige invoering van de National Health Service een rol gespeeld hebben. Hoe het ook zij, een feit is naar onze mening, dat de afschaffing van de loonderving wegens ziekte het einde van een sociaal onrecht betekent, ondanks de mogelijkheid, welke het aan minder werkwillige personen biedt om eerder aan een verzuimbehoefte toe te geven dan wanneer er geldelijke consequenties aan verbonden waren.

In het overzicht van het Nederlands Instituut voor Preventieve Geneeskunde te Leiden van de ziekteverzuimcijfers gedurende dejaren 1947 tot en met 1961 (in het vervolg kortweg NiPG-rapport genoemd) wordt gewezen op de teruggang van het ziekteverzuim in jaren met een recessie in de economische ontwikkeling, zoals deze bijvoorbeeld in Nederland tijdens dejaren 1952 en 1958 heeft plaatsgevonden. De samenstellers van het rapport concluderen daaruit: „Het ziekteverzuim moet dus eerder gezien worden als een graadmeter voor de sociaal-economische toestand dan als een zuivere weerspiegeling van de algemene gezondheid”.

Ook andere auteurs wijzen op de verlagende invloed van periodes van econo­ mische teruggang op de grootte van het ziekteverzuim (BLUMBERG e.a. 1956; PLUMMER en HINKLE, 1955; м. J. w. DEGROOT, 1958). BURGER (1964) erkent welis­ waar ook de fluctuatie van de grootte van het ziekteverzuim met het stijgen en dalen van sociale en economische omstandigheden, maar vraagt zich toch af of deze vermindering c.q. vermeerdering van het verzuim alleen of grotendeels wordt veroorzaakt door de teruggang of vooruitgang van het onnodige; het boven of onder het normale uitgaande, verzuim. Hij waarschuwt tevens tegen een te snel aannemen van een causale samenhang en betoogt, dat de mogelijkheid moet wor­ den opengelaten, „dat gelijktijdig met de veranderingen in de economische toestand zich verschillende verschijnselen voordoen, die samen bijdragen tot veranderen

van de grootte van het ziekteverzuim”.
c. Het schrikbeeld uit vroeger jaren om vanwege langdurend of frequent ziekte­

verzuim door de werkgever ontslagen te worden, is heden ten dage vrijwel geheel vervaagd. Enerzijds zijn de wettelijke beperkingen aan het verlenen van ontslag door de werkgever zo uitgebreid, dat alleen bij hoge uitzondering een ontslag- vergunning zal worden verleend. Anderzijds zorgt de krappe arbeidsmarkt ervoor, dat de werkgever niet gauw tot ontslag van een zijner mensen zal besluiten. Overi­ gens vormt ook het vinden van een nieuwe werkkring door de ontslagen werkne­ mer vrijwel geen probleem meer in deze tijd.

In verband met het later te bespreken arbeidsverzuim wegens dysmenorrhoe, is het dienstig om nog enkele factoren, welke van invloed kunnen zijn op de grootte van het ziekteverzuim, nader te bespreken.

  1. HET GESLACHT

Vele auteurs vermelden, dat vrouwen een groter ziekteverzuim hebben dan mannen (DOELEMAN, 1928; PLUMMER & HINKLE, 1955; CIE.-MUNTENDAM, 1954; KAHNE, 1957; BLUMBERG e.a., 1956).

100

PLUMMER en HiNKLE vonden in een onderzoek naar het ziekteverzuim bij werk- nemers van de New York Telephone Company over dejaren 1939 tot 1953, dat het verzuim van vrouwen 2 tot 3 maal zo hoog lag als dat van mannen. Dit hogere verzuim van de vrouwen zou het gevolg zijn van een grotere verzuimfrequentie.

WADE (1955) vond de volgende cijfers:

verzuimfrequentie: gem. verzuimduur: gem. verzuim:

mannen 1,06, mannen 8,8 , mannen 9,3 ,

3,3

vrouwen 2,8 vrouwen 3,6 vrouwen 9,9.

4,7 %

*• 10 Vrouwen

4,9 %

14 <— Mannen

2,5

gemiddelde verzuimduur

Figuur D. Het ziekteverzuimpatroon van mannen en vrouwen (gemiddelde van de jaarcijfers van 1956, 1958 en 1960).
(uit: NiPG – Rapport 1962).

In het NiPG-rapport blijkt er weinig verschil te bestaan tussen de ziekteverzuim- percentages bij mannen en vrouwen. Alleen de opbouw van het verzuimpatroon is bij beide seksen verschillend: de vrouw verzuimt vaker, doch gemiddeld korter dan de man (zie figuur D).

Het onderstaande citaat uit de publikatie van PLUMMER en HINKLE geeft in grote lijnen weer in welke richting de meeste onderzoekers de verklaring van het verschil tussen beide geslachten hebben trachten te vinden. , This disproportion, if one considers only the medical aspects, cannot be well explained. Actually today, in many ways, women have better health than men. They live longer, they have much less heartdisease and the average female employee does not have as much physical strain and exposure to the elements as the average man . . . . ” en voorts : „ . . . . It is true, that women take much more responsibility for the care of the home and the bringing up of the family. The men, as a rule, takes more responsibility for his job and earning livelyhood”.

101

DOELEMAN verklaarde in zijn dissertatie (1928) het verschil tussen mannen en vrouwen doordat: „ . . . . de vrouw in dit werk geen levenstaak vindt, die haar volkomen bevrediging kan schenken . ..”.

Uit eigen ervaring kan ik het bovenstaande in zijn algemeenheid onderstrepen. Tot de leeftijd van 25 à 30 jaar zal de betaalde arbeid meestal het epitheton van ‘tijdelijk’ dragen : een soort prematrimoniale – gehonoreerde – vrijetijdsbesteding. Voor de oudere ongehuwde vrouw zal het juist de feitelijkheid van de ‘gemiste kans’ zijn, welke het ontstaan van een goede bedrijfsmaatschappelijke aanpassing in de weg zal staan. Temeer, daar een bewuste beroepskeuze door de vrouw in de meeste gevallen achterwege is gebleven vanwege d e verwachte tijdelijkheid ervan.

  1. DE LEEFTUD

Over het algemeen wordt aangenomen, dat er een duidelijk verband bestaat tussen leeftijd en ziekteverzuim.

WADE (1955) betoogt o p grond v a n d e ziektecijfers betreffende 28.000 werk- nemers bij de Esso-Standard, dat de gemiddelde verzuimduur toeneemt met het stijgen v a n d e leeftijd. D e verzuimfrequentie bleek daarentegen geleidelijk a f t e nemen met het stijgen der jaren, KAHNE e.a. (1957) komen bij hun onderzoek van de verzuimcijfers bij 619 werknemers van een voedingsmiddelenfabriek te Boston tot dezelfde conclusies als WADE.

De Commissie-Muntendam vermeldt in haar interimrapport, dat men kan aan- nemen : „dat hoewel de frequentie van de ziektegevallen der oudere groepen kleiner is dan bij de jongere, de veel langere duur der eerste van grote invloed is op het totale verzuim”.

Ook M. j. w. DEGROOT(1954) vond bij een onderzoek in twee vrijwel gelijksoorti- ge bedrijven een aanmerkelijk hoger percentage ziekteverzuimen, welke langer dan 14 dagen duren voor d e oudere leeftijdsgroepen d a n voor d e werknemers in d e jongste leeftijdsgroepen.

De cijfers uit het NiPG-rapport laten noch bij mannen noch bij vrouwen een dui- delijke invloed zien v a n d e leeftijd voor w a t betreft d e ziekteverzuimfrequentie. Het gemiddelde aantal verzuimdagen per persoon per jaar (gemiddeld verzuim) stijgt wel sterk methettoenemen vandeleeftijd. Bijvrouwen was ditvoorde leeftijdsgroep van 55 jaar en ouder twee maal zo hoog als voor de jongste groep. Bij mannen bedroeg dit verschil zelfs het drievoudige.

  1. BURGERLIJKE STAAT

Zowel bij de man als bij de vrouw zal het huwelijk een verandering kunnen brengen in de instelling ten opzichte van de arbeid.

Voor mannen zal het huwelijk veelal een stimulans betekenen om ‘vooruit te komen’, welke gegrond is op een – soms onbewust – verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van het gezin, al bestaat dit gezin bij de aanvang van de huwelijkse staat slechts uit twee personen. De mannelijke gehuwde werknemer zal proberen zijn financiële en maatschappelijke positie te bestendigen en zo mogelijk te ver- beteren.

Het huwelijk betekent voor de man dus meestal een positieve bijdrage tot het verkrijgen van een goede instelling ten opzichte van de te verrichten arbeid, alhoe- wel d e steeds beter wordende sociale voorzieningen d e financiële noodzaak t o t

102

werken en het leveren van een redelijke arbeidsprestatie meer en meer vermindert. Voor de gehuwde vrouw betekent de beroepsarbeid veelal een belemmering in de zorg voor het eigen huishouden. Naast haar – vaak zware – huishoudelijke

plichten betekent de betaalde arbeid een extra psychische en fysieke belasting. Vooral tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is het aandeel van de gehuwde

vrouw in het arbeidsproces steeds groter geworden.
Het gebrek aan arbeidskrachten op vrijwel het gehele terrein van de arbeids-

markt noopte tot het aantrekken c.q. in diensthouden van gehuwde werkneemsters. Het ontbreken van goede woongelegenheid voor jonggehuwden heeft voor de vrouw de mogelijkheid geschapen om na het huwelijk nog enige tijd te blijven ‘hangen’ in haar werkkring daar de te kleine behuizing of inwoning het vervullen van de huisvrouwelijke plichten (welke vlak na het begin van het huwelijk meestal nog als genoegens worden ervaren!) niet of nauwelijks mogelijk maakt.

Tevens heeft de steeds verdergaande mechanisering in het huishouden (wasmachi- nes e.d.) de tijd, welke nodig is voor het verrichten van de huishoudelijke taak, sterk gereduceerd, zodat oudere vrouwen, wier kinderen ‘het huis uit zijn’, graag hun vrije tijd ten nutte willen maken.

De ‘motivation’ voor het gaan verrichten van betaalde arbeid zal van zeer grote invloed zijn op het verzuimgedrag. Als er een financiële noodzaak bestaat voor de gehuwde vrouw om het gezinsinkomen te helpen verhogen in verband met een (te) hoge huishuur, aanschaf van (te) duur meubilair of de (eigenlijk niet verantwoorde!) aanschaf van een auto, enz., zal meestal geen sprake zijn van een positieve instelling ten opzichte van te verrichten arbeid.

Ontbinding van een huwelijk zal enerzijds de noodzaak tot het verrichten van betaalde arbeid doen toenemen ; voor de man, doordat een scheiding meestal meer uitgaven met zich brengt (alimentatie, kosthuis, enz.) en voor de vrouw (speciaal als haar de kinderen toegewezen zijn), omdat zij nu als kostwinster zal moeten gaan fungeren. Psychische spanningen en de materiële noden, voortvloeiende uit de scheiding, kunnen het ziekteverzuim echter in ongunstige zin beïnvloeden.

Madame BAMBERT-JAMATI (1959) heeft op grond van een onderzoek, dat 8049 personen (4352 mannen en 3697 vrouwen) omvatte, afkomstig uit 8 Parijse bedrij- ven, enkele cijfers gepubliceerd betreffende de invloed van de burgerlijke staat op het ziekteverzuim. Hieruit bleek voor de vrouwen een duidelijk negatieve invloed van de gehuwde staat op het ziekteverzuimpercentage te bestaan. Speciaal ook het al of niet hebben van kinderen, het aantal daarvan en de leeftijd der kinderen speelden een belangrijke rol.

CORNWALL en RAFFLE vergeleken in 1961 de verzuimen, welke drie dagen of langer duurden van gehuwde en ongehuwde vrouwelijke busconducteurs te Londen. Zij vonden, dat gehuwde vrouwen ongeveer 40% vaker verzuimden en ruim 60% meer verzuimdagen per jaar hadden dan de ongehuwde vrouwen. Dit verschil bleek in hun onderzoek voor alle leeftijdsgroepen te bestaan.

De Commissie-Muntendam komt op grond van een literatuurstudie en het be- studeren van de ziekteverzuimgegevens van de Philips-fabrieken tot de volgende conclusies :
1. Het verzuim ligt bij getrouwde vrouwen belangrijk hoger dan bij ongetrouwde. 2. Gehuwde vrouwen jonger dan 25 jaar hebben meer ziekteverzuim dan oudere

vrouwen. Een reden hiervan zou kunnen zijn, dat „the strains of married life diminish with increasing age”.

103

  1. Getrouwde vrouwen ouder dan 35 jaar vertonen een hoger ziekteverzuim dan ongetrouwde van dezelfde leeftijd. Speciaal voor deze categorie van getrouwde vrouwen zal gelden, dat de combinatie van huishouden en betaalde arbeid fysiek en psychisch (te) zwaar gaat worden.
  2. DE INDIVIDUELE GEZONDHEIDSTOESTAND

De individuele gezondheidstoestand is de resultante van een scala van factoren. De World Health Organization geeft als definitie van het begrip gezondheid: „Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the abscence of disease or infirmity”. Krachtens deze definitie mag men dus dan pas iemand gezond verklaren als alle genoemde vormen van ‘well-being’ tezamen aanwezig zijn. Wij willen ons hier echter beperken tot het lichamelijk aspekt van de gezondheid.

De mogelijkheden tot verbetering van de individuele gezondheidstoestand zijn in de loop van deze eeuw aanmerkelijk toegenomen. Verbetering van huisvesting en hygiënische voorzieningen, toezicht en wettelijke regelingen op de verwerking en verhandeling van consumptiegoederen, verbetering van het arbeidsmilieu en verkorting van de arbeidstijden zijn even zovele factoren, welke meegewerkt heb- ben tot een verhoging van het peil van de lichamelijke gezondheidstoestand.

Dat er inderdaad sprake is van een verbeterde gezondheidstoestand komt onder andere tot uiting in de absolute en relatieve toeneming van het aantal ouderen in de bevolking. Aan de gegevens uit de Statistische Zakboeken van het Centraal Bureau voor de Statistiek ontlenen wij de volgende cijfers. De percentages hebben be- trekking op de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder, gerelateerd aan die van de totale Nederlandse bevolking in de daarvoor geplaatste jaren.

1829 5,3% 1869 5,5% 1909 6,1% 1930 6,2%

1940 7,0% 1950 7,8% 1960 9,1% 1964 9,5%

Uitgaande van het biologische principe van ‘survival of the fittest’ mag men hieruit naar onze mening concluderen, dat het aantal krachtigen is toegenomen, maar anderzijds ook, dat de levenskansen voor de minder krachtige individuen groter zijn geworden.

De invloed van de individuele lichamelijke gezondheidstoestand op het ziekte- verzuim van de werknemers mag echter niet overschat worden. Er moet nogmaals gewezen worden op het feit, dat ziekteverzuim niet identiek is aan verzuim door ziekte. Niet voor niets spreekt BURGER (1964) van „de sociaal-geneeskundige para- dox van deze tijd” als hij enerzijds wijst op het steeds uitbreiden van het medisch- therapeutisch kunnen en anderzijds op het nog steeds stijgende ziekteverzuim.

Mogelijk hebben zowel de steeds beter wordende individuele gezondheidstoe- stand als de verruiming van het medisch kunnen wel aanleiding gegeven tot een daling van zowel de frequentie (recidieven!) als de duur (sneller operatief ingrijpen door verbeterde operatie- en narcosetechnieken, versnelde reconvalescentie) van vele ziektes, doch niet van de frequentie en duur van de gevoelens van ‘minus- dispositie’ ten opzichte van het verrichten van arbeid. Bij dit laatste spelen met name de ‘mental and social well-being’ een zeer belangrijke rol.

104

Ook de selectieve werking van aanstellingskeuringen ten aanzien van de gezond- heidstoestand van het individu heeft naar onze mening een minder grote invloed op de hoogte van het ziekteverzuim bij een onderneming dan wel eens veronder- steld wordt. Met name de subjectieve instelling ten opzichte van de arbeid zal moeilijk in een keuringssituatie te peilen zijn. Voorts is het moeilijk te spreken van de gezondheidstoestand van een individu, daar deze van dag tot dag en zelfs van uur tot uur kan wisselen. Bij de vrouw speelt daarbij de periodiciteit van de bij haar plaatsvindende biologische cyclus tussen menarche en menopauze een niet te onderschatten rol.

  1. SOORT VAN ONDERWIJS

Over de invloed van het genoten onderwijs op het ziekteverzuim van werknemers is weinig bekend. Dat het volgen van een bepaalde opleiding – als zodanig – het ziekteverzuimpatroon in negatieve of positieve zin zou beïnvloeden, zal ook wel moeilijk aan te tonen zijn. Wel is het aannemelijk, dat de vooropleiding, zij het dan indirect, mede het ziekteverzuim beïnvloedt. En wel, doordat het verkrijgen van een bepaalde plaats in het arbeidsproces meestal (mede-)afhankelijk is van het gevolgde onderwijs. Zoals reeds eerder werd opgemerkt, zullen de plaats in het arbeidsproces, de aard der werkzaamheden en de daaraan gekoppelde verantwoordelijkheden wel degelijk een invloed kunnen hebben op de ziekteverzuimgedragingen van de werknemer.

  1. PSYCHE EN MENTALITEIT

Tot een van de moeilijkst grijpbare factoren, welke een rol spelen bij de bepaling van het individuele verzuimpatroon, behoort wel de mentaliteit. Het begrip ‘mentaliteit’ (i.e. de geestesgesteldheid, ‘wijze van denken en voelen’) is door de subjectiviteit ervan zeer moeilijk scherp te omlijnen, zodat een grote ruimte over- blijft om het naar eigen inzicht van een bepaalde inhoud te voorzien. Die inhoud zal dan ook naar gelang van de opvattingen van de auteur in sterke mate wisselen.

Juist door deze vaagheid blijkt de mentaliteit voor vele onderzoekers een ideale kapstok om de, niet op andere manier te duiden, verzuimgedragingen aan op te hangen. Speciaal bij de ‘verklaring’ van de na-oorlogse toeneming van het ziekte- verzuim, wordt de mentaliteitsverandering van de arbeiders maar al te vaak als oorzaak genoemd.

Als expressie van de mentaliteit kan onder andere gelden de verzuimgeneigdheid, dus de neiging (i.e. de gezindheid, lust, aandrift) tot verzuimen. Over deze verzuim- geneigdheid heeft DE коек VAN LEEUWEN (1958) een psychologisch-psychiatrisch onderzoek verricht bij 394 dienstplichtige militairen. Hij komt daarbij onder andere tot de volgende conclusies :
1. „De verzuimgeneigdheid – onder relatief constante omstandigheden – is een

(op z’n minst semi-) constante eigenschap van de persoon.

  1. De veel-verzuimer is gekenmerkt door een versterkte ontwikkeling van de agressief-competitieve levensinstelling, ondersteund door een mesomorphe

component in het constitutietype.

  1. Bijonvoldoendeontplooiingsmogelijkhedenvoordezegegeveninstelling,wordt

de mogelijkheid op conflicten van de veelverzuimers vergroot met als gevolg 105

enerzijds een aantal botsingen, die zich uiten in straffen – en in het burgerschap veranderingen in het werk – en anderzijds een ‘vlucht in de ziekte’ of beter uit- gedrukt een poging om via medische sancties zich te dekken tegen de gevolgen, die door agressieve gedragingen worden veroorzaakt”.

Vermelding verdient hierbij echter, dat deze conclusies getrokken werden op grond van een onderzoek bij dienstplichtige militairen. Het is de vraag of dezelfde conclusies ook voor de burgermaatschappij in dezelfde vorm van toepassing zijn.

De Amerikaanse onderzoekers PLUMMER en HINKLE (1955) nemen aan, dat ieder mens een karakteristiek verzuimpatroon heeft. Zij verbinden hieraan de – pessi- mistisch klinkende – conclusie, dat dit patroon dan ook zeer moeilijk te veranderen valt. Zij hebben getracht een inzicht te verkrijgen in de verzuimgeneigdheid en wel speciaal van de ‘in and outer’ : de werknemer, die frequent kortdurend verzuimt (GAFAFER, 1952: ‘Repeater’, FORSSMAN, 1955: ‘Récidiviste’). Uit de door hen gepubliceerde cijfers, welke betrekking hebben op 1297 vrouwen blijkt, dat 10% van deze vrouwen debet is aan ongeveer 26 % van het totaal aantal verzuimen en aan 44% van het totaal aantal verzuimdagen. Zij spreken naar analogie van de ‘accident-proness’ voor het aanduiden van de veel-verzuimers van ‘sickness-prone employees’. Vergeleken werden door deze onderzoekers twee groepen van 20 vrouwen met 20 of meer dienstjaren, namelijk een groep met het laagste verzuim en een groep met het hoogste verzuim van de 1297 vrouwen. De 20 ‘low-abscence employees’ hadden gedurende hun gehele diensttijd totaal 667 en de ‘high-abscence’ groep 24.185 ziekteverzuimdagen.

Voor ziektes van de ademhalingswegen noteerden de ‘lage’ verzuimsters 35 ver- zuimen en de ‘hoge’ verzuimsters 423 verzuimen. Uit de interviews met de 40 vrouwen, die in het onderzoek betrokken waren, bleek, dat deze discrepantie het gevolg was van het feit, dat de vrouwen uit de ‘lage verzuim’-groep niet voor iedere verkoudheid of keelpijn van het werk wegbleven.

Opmerkelijk is ook het verschil in verzuim tussen beide groepen wegens gyneco- logische stoornissen. Dit verschil bedroeg 1 verzuim van de ‘lage’ verzuimers tegen 95 verzuimen van de ‘hoge’ verzuimgroep. Dysmenorrhoe en climacterische klach- ten waren bij de laatsten de voornaamste verzuimoorzaken voor deze diagnose- groep.

De gemiddelde ‘low abscence employee’ is volgens PLUMMER en HINKLE een vro- lijk, tevreden persoon. Ze past zich gemakkelijk aan, is meegaand en volkomen gelukkig met haar geringe verantwoordelijkheid. De gemiddelde ‘high-abscence employee’ wordt door de onderzoekers geschetst als ongelukkig, ontevreden en lichtgeraakt. Ze heeft weinig vriendinnen en wordt gauw teleurgesteld. Haar vele interesses liggen alle buiten de werksfeer. „Because of her unhappiness, she wel- comed any legitimate excuse to absent herself from work”.

Als we het voorgaande zouden willen samenvatten, kunnen we verwijzen naar hetgeen als motto boven dit hoofdstuk staat vermeld. Ziekteverzuim is meer dan alleen verzuim wegens ziekte. Bij het kiezen tussen het wel of niet werken door een individu bestaat er een zeer nauw samenspel tussen de mogelijkheid en de wil tot het verrichten van arbeid. De mogelijkheid tot werken is aihankelijk van het geestelijk en lichamelijk welbevinden en wordt door het individu – het subject – zelf bepaald. Andere personen, regels en materiële repercussies kunnen deze mogelijkheid tot werken in gunstige of ongunstige zin beïnvloeden.

106

De wil c.q. geneigheid tot werken zal per individu in intensiteit wisselen en zal ook invloed ondervinden van vele factoren, welke – op zichzelf – niets met het lichamelijk of geestelijk welbevinden te maken hebben.

Veel is reeds geschreven en gesproken over het ziekteverzuim. Zoveel, dat WADE in 1955 de verzuchting slaakte: „Sickness absenteeism is not a popular subject for discussions these days. Physicians in industry as well as personell officers are likely to say that the ‘field’ has been ‘overworked’; nothing new is likely to come of further discussion”.

Veel zal er in de toekomst nog geschreven en gesproken worden over het ziekte- verzuim. Hoe duurder de ‘mankracht’ wordt, door voortdurende loonstijgingen en verbeteringen van secundaire arbeidsvoorwaarden, hoe sterker de behoefte zal worden gevoeld tot een verlaging van het ziekteverzuim.

Door de veelal ondergeschikte rol, welke het ziek-zijn bij de subjectieve bepaling van de arbeidsgeschiktheid speelt, zullen de medici werkzaam in de curatieve zowel als de artsen, die in de preventieve sector van de geneeskunde werkzaam zijn, zeker niet het verlossende woord kunnen spreken.

Het is juist de veelheid van niet-medische factoren, waarvan vele sterk door de conjunctuur beïnvloed worden, welke het verkrijgen van een goed inzicht in de problematiek van het ziekteverzuim en de mogelijkheden tot terugkeer van een ‘optimaal’ ziekteverzuim in de weg staat.

Het zal de taak van de medici zijn om de ‘ability’, de mogelijkheid, tot werken zowel in curatieve als in preventieve zin te verbeteren en tevens om methoden te ontwikkelen, waarmede de mate van arbeidsbelasting en de individuele belastbaar- heid juister en objectiever kunnen worden vastgesteld dan tot op heden vaak het geval is.

Het is echter aan anderen zich te verdiepen in het complex van factoren, welke de wil c.q. de geneigheid tot werken in de weg staan en, zo mogelijk, een aantal van deze factoren te elimineren en positief-werkende componenten aan de arbeid toe te voegen.

107

HOOFDSTUK 8 DYSMENORRHOE E N ZIEKTEVERZUIM

  1. LITERATUUR

De ernst van de klachten bepaalt slechts voor een deel of de dysmenorrhoe gepaard gaat met bedrust en/of arbeidsverzuim. Evenals bij alle ziekteverzuim zijn er ook bij h e t verzuim wegens dysmenorrhoe vele niet-medische factoren, welke d e ver- zuimbehoefte en de verzuimnoodzaak mede bepalen.

De dysmenorrhoe kan als ‘vlucht’ voor bepaalde verplichtingen dienen (FLUH- MANN, 1956) of als excuus voor en legalisatie van arbeidsverzuim gebruikt worden (BAETJER, 1946). De houding van de moeder, vriendinnen, collega’s of de chef kan in positieve of negatieve zin bepalend zijn voor de noodzaak om wegens dysme- norrhoe te verzuimen. Overbezorgdheid van de moeder ten opzichte van het menstruele gebeuren bij haar dochter kan aanleiding geven tot de gewoonte om tijdens iedere menstruatie een of meer dagen te verzuimen.

BURNELL (1944) beschrijft het optreden van een ‘epidemische’ vorm van dysme- norrhoeverzuim om nodig geachte veranderingen in het arbeidsmilieu of arbeids- methodiek als het ware te benadrukken.

PLUMMERenHiNKLE(1955),dieuit 1297vrouwelijkeemployeesvandeNew York Telephone Company m et 20 of meer dienstjaren twee groepen van 20 vrouwen selecteerden, waarvan de ene groep het laagste en de andere groep het hoogste verzuim had, vonden in d e laatste groep, d e ‘high-abscence group’, 95 verzuimen wegens menstruele stoornissen tegen 1 verzuim wegens deze stoornissen in de ‘low abscence-group’. Van deze 95 verzuimen bij de veelverzuimsters waren 16 het gevolg van dysmenorrhoe afkomstig van 9 personen. B ij d e groep van d e weinig- verzuimsters werd geen enkel verzuim wegens dysmenorrhoe genoteerd.

1.1. Het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim

De in de literatuur vermelde cijfers over het vóórkomen van ‘disabling’ c.q. ‘incapacitating’ dysmenorrhoe variëren van 3 t o t 17%. Een overzicht hiervan is t e vinden in tabel 42.

Een duidelijke uitschieter vormt het onderzoek van NAVARROMARTÍNEZ (1962), die bij 1050 vrouwen in Barcelona er 651 (62%) vond met verzuim wegens dysme- norrhoe.

SMITH en MORRIS (1957) vermelden, dat 16,5% van vrouwen in de industrie en 3 % van ‘high-school’ meisjes wegens dysmenorrhoe verzuimt.

DRTLLIEN (1946) vond, dat van 714 vrouwelijke militairen in de Tweede Wereld- oorlog er 15,1 % zodanige klachten tijdens de menses had, dat zij daarvoor moesten verzuimen. Mogelijk hebben hier stress-situaties als gevolg van de oorlogshande-

109

lingen verergerend gewerkt op de ernst der klachten en/of de motivering van het verzuim.

SVENNERUD (1959) vond bij 890 vrouwen, dat 8,3% soms en 5,8% geregeld wegens dysmenorrhoe verzuimde. Het grootst was het aantal vrouwen met dysme- norrhoe en ook het aantal verzuimsters wegens deze oorzaak in de leeftijdsklasse van 20 t/m 24 jaar, en wel respectievelijk 46,2% en 23,9%. Vergelijking tussen de gehuwde en de ongehuwde vrouwen in zijn onderzoek leverde een groter percen- tage vrouwen op bij de ongehuwden dan bij de gehuwden voor zowel het vóór- komen van dysmenorrhoe alsook voor het verzuim wegens dysmenorrhoe (tabel 57)

Tabel 57. Het percentuele vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim bij 890 vrouwen, verdeeld naar burgerlijke staat, (naar SVENNERUD, 1959)

geen
dysmenorrhoe dysmenorrhoe

ongehuwd 59,1 35,3 gehuwd 64,7 25,8

dysmenorrhoe m et verzuim

vroeger dysmenorrhoe

LOWE en FERGUSON (1951) vonden zowel bij gehuwden als ongehuwden het hoogste dysmenorrhoeverzuim in de leeftijdsklasse van 20 t/m 24 jaar. Uit een onderzoek van CLASON (1946) bij 4000 nulliparae bleek, dat 7,7% een ‘disabling’ dysmenorrhoe had. LANALDE (1962) vond, dat 5 % van 1000 arbeidsters wel eens verzuimde wegens dysmenorrhoe. Van 2000 gezonde vrouwen, die door TIETZEin 1952 werden beschreven leed 3% aan een ziekmakende dysmenorrhoe. V an 200 vrouwen met klachten tijdens de menses vermeldt DAVIS (1938), d a t 36 hiervan o m die reden 1 tot 2 dagen per maand bedrust moesten houden.

1.2. Het aandeel van dysmenorrhoe in het totale ziekteverzuim

Als bijdrage van dysmenorrhoe tot het totaal aantal ziekteverzuimgevallen werd door SMITHen NORRIS(1957) 3%,door EWING(1931) 7% en door MUSHLIN(1961) bij 4000 vrouwen 8 % gevonden.

BAETJER (1946) vond 362 verzuimen per 1000 vrouwen per jaar wegens dysme- norrhoeklachten.

De gevonden percentages van het totale aantal verzuimde dagen, welke wegens dysmenorrhoe verzuimd werden, variëren van 1 tot 4%. MEAKER (1922) vond bij 7000 vrouwen, d a t dysmenorrhoeverzuim 1 % v a n h e t totale verzuim uitmaakte. Volgens EWING (1931) is dysmenorrhoe verantwoordelijk voor 2 tot 3% van alle verzuimdagen.

MILLER e n BEHRMANN (1953) vonden o p een totaal van 65.000 verzuimde dagen, dat 1,5% door dysmenorrhoe was veroorzaakt.

SVENNERUD (1959) vond voor totaal 455 fabrieksarbeidsters afkomstig uit een vijftal fabrieken gedurende een jaar 13.110 verzuimdagen, waarvan er 488 een gevolg van dysmenorrhoe waren. Dit komt overeen met 3,7 % van het totale aantal verzuimde dagen. De percentages voor de verschillende fabrieken waren: 2,4%,

110

16,7 5,6 11,2 9,5

3,1 %, 3,8 %, 4,1 % en 5,7 %. In de leeftijdsklasse van 14 t/m 19 jaar was het dysme- norrhoeverzuim het hoogst en wel 9,2% van het totale verzuim. Bij de oudere leeftijdsklassen daalde het aandeel van dysmenorrhoe in het totale verzuim geleide- lijk met het toenemen van de leeftijd.

93 Kantoormeisjes bleken gedurende een jaar 984 verzuimdagen te hebben gehad, waarvan 25 tengevolge van dysmenorrhoeklachten, hetgeen in percenten uitgedrukt overeenkomt met 2,5 % van het totale verzuim.

CAPEL (1955) berekende, dat 1 % van alle kortdurende verzuimen (verzuimen van 3 dagen of korter) het gevolg waren van dysmenorrhoe.

KIRKELS(1964) schatte, op grond van literatuur- en verzuimgegevens, het dysme- norrhoeverzuim op 3% van het totale verzuim.

1.3. Het verzuimpatroon wegens dysmenorrhoe

1.3.1. De gemiddelde verzuimduur van de verzuimen wegens dysmenorrhoe is meestal niet langer dan een dag.

EwiNG (1931) vond, dat 70% der dysmenorrhoeverzuimgevallen slechts één dag duurden, DAVIS (1938) zag bij 200 vrouwen met dysmenorrhoeklachten, dat 36 ervan 1 of 2 dagen verzuimden, NAVARRO MARTINEZ (1962) vond te Barcelona, dat van 651 vrouwen met dysmenorrhoeverzuim er 233 een halve dag, 268 een hele dag en 150 anderhalve dag per maand verzuimden wegens dysmenorrhoe.

1.3.2. Over de verzuimfrequentie wegens dysmenorrhoe zijn vrijwel geen gegevens in de literatuur te vinden. Alleen SVENNERUD (1959) vermeldt, dat van een ge- middeld aantal malen verzuim van 7,6 wegens alle oorzaken bij zijn onderzoek ruim 0,8 maal het gevolg was van dysmenorrhoe.

1.3.3. Als het gemiddelde verzuim, dus het gemiddelde aantal verzuimdagen wegens dysmenorrhoe per vrouw per jaar, werd door BAETJER (1946) gevonden 0,6 dag, door SMITH & NORRIS (1957) 1 tot 1,1 dag.

Door SVENNERUD werd voor de 455 fabrieksmeisjes 1,1 dag en voor de 93 kan- toormeisjes 0,3 dag gevonden. Bij de fabrieksmeisjes bleek het gemiddeld verzuim wegens dysmenorrhoe het hoogst te zijn in de leeftijdsklasse van 20 t/m 24 jaar (2,0). Bij de ongehuwden bedroeg dit gemiddeld verzuim 1,4 dagen en bij de ge- huwden 0,8 dag. Een vergelijking van de ongehuwde vrouwen met de gehuwde binnen de leeftijdsgroepen 14 t/m 29 jaar en 30 t/m 44 jaar leverde zeer kleine ver- schillen op, in die zin, dat bij de ongehuwden iets meer dysmenorrhoeverzuim voorkwam dan bij de gehuwden.

1.4. SVENNERUD (1959) heeft een vergelijking gemaakt tussen de verzuimgrootheden van de vrouwen met dysmenorrhoe en de vrouwen zonder dysmenorrhoe. De 455 fabrieksmeisjes verdeelde hij daartoe in vier categorieën, te weten: ‘geen dysme- norrhoe’, ‘dysmenorrhoe zonder verzuim’, ‘dysmenorrhoe met verzuim’ en ‘vroeger dysmenorrhoe’. In tabel 58 zijn de cijfers, welke door deze auteur gevonden werden, vermeld.

17,3% Van het totale verzuim bij de groep vrouwen met dysmenorrhoeverzuim werd geleverd door deze verzuimoorzaak. Voor de vrouwen met dysmenorrhoe was het gemiddeld verzuim wegens alle oorzaken 32,2 dagen, waarvan 4,9 dagen

111

Tabel58. Ziekteverzuimdagen en gemiddeld verzuim wegens alle verzuimoorzaken bij 455 fabrieksmeisjes, verdeeld naar het al dan niet hebben van dysmenorrhoeklachten met en zonder verzuim (naar SVENNERUD, 1959)

geen dysmenorrhoe dysmenorrhoe zonder verzuim dysmenorrhoe

met verzuim
vroeger dysmenorrhoe gehad

266 7185 27,-

78 2143 27,5

76 2815 37,- 35 967 27,2

totaal 455

13110 28,8

aantal totaal aantal vrouwen verzuimdagen

gemiddeld verzuim

voor rekening kwamen van de dysmenorrhoe; voor andere oorzaken dan dysme- norrhoe werd dus voor deze groep een gemiddeld verzuim van 32,2—4,9 = 27,3 dagen berekend, SVENNERUD concludeerde daaruit, dat het ziekteverzuim van vrou- wen zonder dysmenorrhoe voor wat betreft de andere oorzaken geen verschil vertoonde met dat van de vrouwen zonder dysmenorrhoeverzuim.

Als men alleen de groep van 76 vrouwen beziet, die wegens dysmenorrhoe ver- zuimden, dan blijken 10 dagen van het gemiddeld aantal dagen verzuim per jaar voor rekening te komen van dysmenorrhoe als verzuimoorzaak. Voor alle ver- zuimoorzaken minus dysmenorrhoe noteerde deze groep dus 27 dagen als ge- middelde aantal verzuimde dagen per persoon per jaar, hetgeen in dezelfde orde van grootte ligt als het gemiddelde verzuim van vrouwen der andere categorieën.

Van 210 arbeidsters afkomstig uit twee fabrieken, was ook de verzuimfrequentie bekend. De ziekteverzuimgrootheden voor deze 210 vrouwen worden vermeld in tabel 59.

Tabel59. Ziekteverzuimgrootheden wegens alle verzuimoorzaken bij 210 vrouwen, verdeeld naar het al dan niet hebben van dysmenorrhoeklachten (naar SVENNERUD, 1959).

totaal

aantal aantal aantal vrouwen verzuimen verzuimdagen

verzuim- frequentie

3,37
4,08 22,9 5,6

21,5

geen
dysmenorrhoe 139 469 2526 wel
dysmenorrhoe 61 249 1396 vroeger
dysmenorrhoe

totaal 210 4137

18,2

5,4

112

10 215

gemiddeld verzuim

gemiddelde verzuimduur

Van de verzuimfrequentie, dus het gemiddeld aantal verzuimen per persoon per jaar bij de vrouwen met dysmenorrhoe (4,08) komen er 0,83 voor rekening van dysmenorrhoe. Van alle andere ziekteverzuimoorzaken tezamen is de verzuim- frequentie voor deze groep van vrouwen dus 3,25, hetgeen vrijwel gelijk is aan de verzuimfrequentie van de vrouwen, die geen dysmenorrhoe hebben.

Ook de gemiddelde verzuimduur verschilt zeer weinig tussen beide groepen van vrouwen.

  1. HET RETROSPECTIEVE ZIEKTEVERZUIMONDERZOEK

2.1. Het vóórkomen van dysmenonhoeverzuim

Het gevonden percentage van vrouwen jonger dan 40 jaar, welke één of meer malen per jaar wegens dysmenorrhoe verzuimden van het totaal aantal vrouwen, varieerde van 13 % tot 17,7%. (tabel 60).

Tabel60. Vóórkomen van verzuim wegens dysmenorrhoe bij vrouwen jonger dan 40 jaar uit het retrospectief onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar onderzoekjaar

1957 1958 1959

a a n t a l vrouwen

313 392 368

dysmenorrhoeverzuim

!
aantal percentage

44 14,- 51 13,- 65 17,7

Onderzocht werd of de leeftijd een rol vervulde bij het vóórkomen van dysme- norrhoe. De vrouwen werden daartoe verdeeld in een zestal leeftijdsklassen (tabellen 61 en 62). Voor de statistische bewerking bleek de bezettingsgraad van deze leeftijdsklassen echter te klein, zodat zij moesten worden samengetrokken tot drie klassen, te weten: 15 t/m 21 jaar, 22 t/m 29 jaar en 30 t/m 39 jaar.

Voor alle drie de onderzoekjaren bleek er een duidelijk verband te bestaan tussen de percentages wegens dysmenorrhoe verzuimende vrouwen en hun leeftijd. Voor 1957 en 1959 bleek dit verband zelfs zeer significant (1957: Ρ = 0,007 en 1959: Ρ = 0,0005) en voor 1958 net niet significant (P = 0,06) te zijn.

Bij nadere beschouwing van tabel 62 valt voor alle drie de jaren van onderzoek speciaal het grote verschil in vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim op tussen de vrouwen jonger dan 30 jaar en de vrouwen van 30 jaar en ouder, met dien ver- stande, dat het percentage verzuimsters wegens dysmenorrhoe boven het 29e jaar veel geringer is dan in de jongere leeftijdsklassen.

De invloed van de burgerlijke staat op het vóórkomen van dysmenorrhoever- zuim was in dit retrospectieve onderzoek moeilijk vast te stellen. Daar er een duidelijke invloed van de leeftijd bleek te bestaan, moest hiermee bij de vergelijking van gehuwden met ongehuwden rekening worden gehouden. De aantallen in vele van de leeftijdsklassen werden dan echter te gering om enigerlei conclusie over een invloed van de burgerlijke staat te mogen c.q. te kunnen trekken.

113

Tabel 6]. Het aantal vrouwen met dysmenorrhoeverzuim, het aantal
verzuimen en het aantal verzuim-
dagen wegens dysmenorrhoe bij vrou-
wen tot 40 jaar uit het retrospectieve 1957 onderzoek te Rotterdam, verdeeld

naar onderzoekjaar, leeftijdsklasse en burgerlijke staat

totaal aantal vrouwen

ongehuwd

aantal aantal verzuim- verzuimen sters wegens

wegens dysme- dysme- norrhoe

norrhoe

aantal verzuim- dagen wegens dysme- norrhoe

15 t/m IS
19 t/m 21
22t/m24
25 t/m 29
30t/m34
38 35t/m39 19

totaal 236

1958

15t/m18 45 19 t/m 21 79 22t/m24 57 25t/m29 58 30t/m34 49 35t/m39 22

totaal

1959

15 t/m 18
19 t/m 21
22 t/m 24
25 t/m 29
30t/m34
51 35t/m39 27

totaal 290

2.2. Het aandeel van dysmenorrhoe in het totale ziekteverzuim

Daar alleen van het onderzoekjaar 1959 gegevens over het totale ziekteverzuim voorhanden waren, kon alleen voor dit jaar berekend worden welk aandeel dysme- norrhoe aan het totale ziekteverzuim leverde. Een overzicht hiervan is te vinden in tabel 63.

2.2.1. De 401 vrouwen jonger dan 46 jaar hadden in totaal 896 verzuimgevallen, waarvan 115 veroorzaakt waren door dysmenorrhoe. Dit is 12,8% van alle ver- zuimen.

114

34 57 35 53

4 5 9 11 15 20 7 19 21 7 12 19

1

30 53 74

8 13 17 13 24 34 8 19 21 9 12 28 2 3 3 1 2 6

41 73 109

12 14 19 19 41 50 10 14 23

6 16 18 4 4 4 4 4 8

55 93 122

310

43 72 47 50

gehuwd (geweest) totaal

totaal aantal aantal aantal totaal aantal
aantal verzuim- verzuimen verzuim- aantal verzuim- verzuimen verzuim-

vrouwen

4 14 26 20 13

77

1 17 19 29 16

82

4 11 23 25 15

78

sters wegens dysme- norrhoe

wegens dysme- norrhoe

dagen wegens dysme- norrhoe

vrouwen

sters wegens dysme- norrhoe

wegens dysme- norrhoe

dagen wegens dysme- norrhoe

34 4 5 9 3 9 10 61 14 24 30 3 4 7 49 10 23 28 5 11 14 79 12 23 33 3 3 8 58 3 3 8 – – — 32 1 2 5

14 27 39 313 44 80 113

_ _ _

4 7 10 1 11 13 3 5 7 2 4 4

45 8 13 17 80 13 24 34 74 12 26 31 77 10 23 41 78 5 8 10 38 3 6 10

10 27 34 392 51 100 143

2 3 6 1 2 2 5 15 17 2 2 2

43 12 14 19 76 21 44 56 58 11 16 25 73 11 31 35 76 6 6 6 42 4 4 8

— —
10 22 27 368 65 115 149

Relatief het grootste aandeel leverde dysmenorrhoe in de leeftijdsklasse van 19 t/m 21 jaar (19,1 %). Tussen 29 en 40 jaar was het aandeel van dysmenorrhoe niet hoger dan 5 %, terwijl boven de 39 jaar in het geheel geen verzuimgevallen voor dysmenorrhoe werden geregistreerd.

2.2.2. Van de in totaal 5790 verzuimde dagen in 1959 waren er 149 het gevolg van dysmenorrhoe; dit is 2,57% van alle verzuimde dagen. Ook hier was het aandeel van dysmenorrhoe in de leeftijdsklasse 19 t/m 21 jaar het grootst (4,4%); tussen de 30 en 40 jaar was het percentage lager dan 1 %.

aantal aantal

115

Tabel 62. Percentages verzuimsters wegens dysmenorrhoe van het totale aantal vrouwen tot 40 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam .verdeeld naar leeftijdsklassen, burgerlijke staat en onderzoekjaar

N

15 t/m 18 19 t/m 21 22 t/m 24 25 t/m 29 30 t/m 34 35t/m39

totaal

290 77 82 78 313

392 368

leeftijds- klasse

totaal aantal vrouwen

wegens dysmenorrhoe

wegens andere oorzaken

wegens alle oorzaken

ongehuwd

1957 1958 236 310

gehuwd (geweest) alle vrouwen 1959 1957 1958 1959 1957 1958 1959

11,8 17,8 27,9 19,3 16,5 26,4 20,- 14,- 21,3 13,2 15,5 12,-

0 4,1 7,8 5,3 4,5 14,9

12,7 13,2 19,-

75,- 0 50,- 21,4 23,5 9,9 19,2 5,3 21,7 15,- 10,3 8,- 0 12,5 0

18,2 12,2 12,8

11,8 17,8 27,9 22,9 16,5 27,6 20.4 16,2 19,- 15,2 13,- 15,1

5,2 6,4 7,9 3,1 8,- 9,5

14,- 13,- 17,6

Tabel 63. Het aantal verzuimen en verzuimdagen bij de vrouwen tot 46 jaar uit het retrospec- tieve onderzoek in 1959 te Rotterdam, verdeeld naar leeftijdsklasse en oorzaak van het verzuim

15 t/m 18 43 14 19 19 t/m 21 76 44 56 22 t/m 24 58 16 25 25 t/m 29 73 31 35 30 t/m 34 76 6 6 35t/m39 42 4 8 40 t/m 44 30

453

totaal 401 115 149

42 401 5 24 5 24

aantal aantal verzuimen verzuim- verzuimen verzuim- verzuimen verzuim-

aantal aantal dagen

aantal aantal dagen

80 474 186 1217 126 951 136 1040 140 933

66 601 42 401

dagen

94 493 230 1273 142 976 167 1075 146 939

70 609

2.2.3. De verzuimfrequentie voor alle verzuimoorzaken bedroeg in 1959 2,24 maal per persoon, waarvan 0,29 maal als gevolg van dysmenorrhoe (tabel 64). Het hoogst was de verzuimfrequentie in de leeftijdsgroep van 19 t/m 21 jaar voor zowel het dysmenorrhoeverzuim (0,58) als ook voor alle andere verzuimoorzaken (2,45).

Opmerkelijk is de ‘lytische’ daling van de verzuimfrequentie van het 19e jaar af voor het totale verzuim en de zeer ‘kritische’ daling van het dysmenorrhoeverzuim bij de vrouwen, die ouder zijn dan 29 jaar. Deze sterke daling boven het 29e jaar is het gevolg van het geringe percentage verzuimsters voor deze oorzaak boven deze leeftijd (zie paragraaf 2.1.).

116

781 5641 896 5790

Tabe! 64. De verzuimfrequentie, de gemiddelde verzuimduur en het gemiddeld verzuim bij de vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek in 1959 te Rotterdam, verdeeld naar de leeftijdsklasse en de oorzaak van het verzuim

leeftijds- klasse

15 t/m 18 19 t/m 21 22 t/m 24 25 t/m 29 30 t/m 34 35 t/m 39 40 t/m 44 45

verzuimfrequentie gemiddelde verzuimduur gemiddeld verzuim

dysme- andere alle dysme- andere alle dysme- andere alle norrhoe oorzaken oorzaken norrhoe oorzaken oorzaken norrhoe oorzaken oorzaken

0,33 1,86 2,19 0,58 2,45 3,03 0,28 2,17 2,45

1,36 5,92 5,24 1,27 6,54 5,54 1,56 7.54 6,87 1.13 7,64 6,44 I,- 6,59 6,43 2,- 9,11 8,70

9.55 9,55 4,80 4,80

1,30 7,24 6,46

0,44 11,- 11,5 0,74 16,- 16,8 0,43 16,4 16,8 0,48 14,2 14,7 0,08 12,3 12,4 0,19 14,3 14,5

13,4 13,4 8,- 8,-

0,37 14,07 14,44

0,42 0,08 0,10

1.86 2,28 1,84 1,92 1,57 1,67 1,40 1,40 1,67 1,67

totaal 0,29 1,95 2,24

2.2.4. Ongemiddelde verzuimduur van de dysmenorrhoegevallen bedroeg 1,3 dagen en voor alle verzuimoorzaken tezamen 6,46 dagen per verzuimgeval. (tabel 64).

Terwijl er voor andere verzuimoorzaken dan dysmenorrhoe een ‘trend’ te ont- dekken valt van stijging der gemiddelde verzuimduur met het toenemen van de leeftijd, is dit voor de dysmenorrhoe niet het geval.

2.2.5. Het gemiddeld verzuim bedroeg in 1959 14,4 dagen en voor dysmenorrhoe alleen 0,37 dag (tabel 64). Tengevolge van de kritische daling van de verzuim- frequentie voor dysmenorrhoe boven het 29e jaar, is dit ook voor het gemiddeld verzuim van deze verzuimoorzaak het geval.

2.3. Het patroon van het dysmenorrhoeverzuim

Daar hierbij alleen het verzuim wegens dysmenorrhoe betrokken is, konden de gegevens uit alle drie de onderzoekjaren van het retrospectieve onderzoek gebruikt worden. Een overzicht van de absolute verzuimcijfers treft men aan in tabel 65.

Tabel 65. Het aantal vrouwen met dysmenorrhoeverzuim, het aantal verzuimen en het aantal verzuimdagen wegens dysmenorrhoe bij de vrouwen uit het retrospectieve onderzoek te Rotter- dam, verdeeld naar het onderzoekjaar

totaal

aantal vrouwen

1957 313 1958 392 1959 368

aantal vrouwen met dysm. verzuim

44 51 65

wegens dysmenorrhoe

aantal verzuimen

aantal verzuimdagen

80 113 100 143 115 149

117

Opgemerkt dient ook hier te worden, dat nu alleen de gegevens van de vrouwen jonger dan 40 jaar verwerkt werden. Daar echter in 1959 geen der vrouwen ouder dan 39 jaar wegens dysmenorrhoe verzuimd heeft, hebben de absolute cijfers geen verandering ondergaan, doch wel de relatieve ten opzichte van die in paragraaf

2.2., waarin alleen het jaar 1959 met alle vrouwen tot 46 jaar werden bezien.

2.3.1. De gemiddelde verzuimduur. De gemiddelde duur van een verzuim wegens dysmenorrhoe bedraagt 1,3 tot 1,5 dagen (zie tabel 66). Er is geen invloed van de leeftijd op de duur van de verzuimen te onderkennen. Dat de duur voor de vrouwen

Tabel66. Het percentage verzuimsters, de verzuimfrequentie, de gemiddelde verzuimduur, en het ge- middeld verzuim wegens dysmenorrhoe bij de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim tot 40 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar leeftijdsklasse en onderzoekjaar

leeftijds- klassen

15 t/m 21 22 t/m 29 30 t/m 39

percentage verzuimsters

1957 1958 1959

50 51,2 56,4 46,7 41,5 29,1 3,3 7,3 14,5

100,- 100,- 100,-

verzu imfreqilentie

1957 1958 1959

gemiddelde verzuimduur

gemiddeld verzuim

1958 1959

totaal

1.30 2,82 2,80 2,29

wegens dysmenorrhoe

1,61 1,77 1,76 1,34 1,38 2,09 2,23 2,14 1,33 1,47 1,25 1,75 1 , – 2.60 1,43

1,81 1,96 1,77 1,41 1,43

2,17 2,43 2,27 2,78 3,27 2,73 3,25 2,50 1,40

uit de leeftijdsklasse 30 t/m 39 jaar in 1957 zo lang is (2,60), moet wel aan de geringe bezetting van deze klasse toegeschreven worden: het betrof hier 4 vrouwen, die tezamen 5 maal wegens dysmenorrhoe verzuimden gedurende in totaal 13 dagen.

Voor 1959 was ook nog de duur van ieder afzonderlijk dysmenorrhoeverzuim- geval bekend. Een overzicht van het aantal verzuimen, gesplitst naar hun duur in dagen (het absolute verzuimduurpatroon), wordt gegeven in tabel 67. 77% Der verzuimgevallen duurde slechts 1 dag, 17,4% 2 dagen en de resterende 5,6% 3 of 4 dagen.

Tabel 67. Het absolute verzuimduurpatroon wegens dysmenorrhoe van de vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek in 1959 te Rotterdam

89

dagen

20 115 verzuimen

2.3.2. De verzuimfrequentie. Het gemiddeld aantal malen, dat per vrouw per jaar wegens dysmenorrhoe verzuimd werd, bedroeg ongeveer 0,3 maal (tabel 68).

De vrouwen, die in de respectieve onderzoekjaren wegens dysmenorrhoe ver- 118

1957 1958

1959

1,29 1,28 1,40

1957

Tabel 68. Verzuimfrequentie wegens dysmenorrhoe van de vrouwen jonger dan 40 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar onderzoekjaar.

verzuimfrequentie

alle vrouwen
de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim

1957 1958 1959

0,26 0,26 0,31 1,81 1,96 1,77

zuimden, deden dit gemiddeld 1,8 tot 2 maal per jaar. In feite geeft dit nog een te ongunstig beeld van de werkelijkheid. Splitst men het aantal verzuimsters wegens dysmenorrhoe naar het aantal van hun verzuimen wegens deze oorzaak (tabel 69), dan ziet men uit dit frequentiepatroon, dat het gemiddelde ongunstig wordt be- ïnvloed door ongeveer 10% van deze vrouwen, die 4 of meer malen wegens deze verzuimoorzaak verzuimden. Bij meer dan 50 % der vrouwen beperkte het dysme- norrhoeverzuim zich tot slechts 1 maal per jaar.

Tabel 69. Absolute frequentiepatroon van het verzuim wegens dysmenorrhoe bij de vrouwen

jonger dan 40 jaar uit het

1 2 3

1957 28 10 3

  1. 1958  26 16 5
  2. 1959  39 16 3

retrospectieve onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar onderzoekjaar

4 5 6 7 8 9

10 11

1

1

In alle drie de onderzoekjaren blijkt het gemiddeld aantal malen, dat door een vrouw met dysmenorrhoeverzuim voor deze oorzaak per jaar verzuimd wordt, in de leeftijdsklasse van 22 t/m 29 jaar hoger te zijn dan in de jongere klasse van 15 t/m 21 jaar en veel hoger dan in de oudere leeftijdsklasse (tabel 66).

2.3.3. Het gemiddelde verzuim. Het gemiddelde aantal verzuimdagen wegens dysmenorrhoe is, als resultante van de verzuimfrequentie en de gemiddelde ver- zuimduur, evenals deze verzuimgrootheden zeer gering. Het blijkt te liggen tussen de 0,3 en 0,4 dag per persoon per jaar (tabel 70).

Tabel 70. Gemiddeld verzuim wegens dysmenorrhoe van de vrouwen jonger dan 40 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar het onderzoekjaar

gemiddeld verzuim

1957 1958 1959

11

1 1
4 1 1

1

malenverzuim

44vrouwen 51vrouwen 65vrouwen

alle vrouwen 0,36 0,36 0,41 de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim 2,82 2,80 2,29

1

119

Het gemiddelde verzuim van de vrouwen, die voor dysmenorrhoe verzuimden bedraagt voor deze verzuimoorzaak tussen de 2,5 en 3 dagen per jaar. Meer dan 60 % van deze vrouwen verzuimde echter per jaar slechts een of twee dagen wegens dysmenorrhoe (tabel 71).

Tabel 71. Dysmenorrhoe-verzuim van de vrouwen jonger dan 40 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam, verdeeld naar onderzoekjaar en het aantal wegens dysmenorrhoe verzuimde dagen

1 2 3 4 S 6 7 8 9 10 11 12 13 vemiimdagen

1957 14 16 6 3 1 1 1 1958 19 13 8 Э 1 3 2

1959 30 15 7 7 3

1

De vrouwen van de drie leeftijdsklassen (behoudens in 1957 de groep van 30 t/m 39 jaar) vertoonden vrijwel geen verschillen in de gemiddelde duur van het dysme- norrhoeverzuim. Daarom zal het gemiddelde verzuim wegens dysmenorrhoe, binnen de categorie van vrouwen met verzuim wegens deze oorzaak, een getrouwe afspiegeling zijn van de verzuimfrequentie.

In de klasse van 22 t/m 29 jaar was het gemiddelde verzuim hoger dan in de jongere leeftijdsklasse en in de klasse met de vrouwen van 30 tot en met 39 jaar (tabel 66).

2.4. Vergelijking van het verzuimgedrag van vrouwen met dysmenorrhoeverzuim met dat van vrouwen zonder dysmenorrhoeverzuim.

Aan de hand van de verzuimcijfers van het jaar 1959 hebben wij evenals SVENNERUD proberen na te gaan of er een verschil in verzuimpatroon c.q. verzuimgedrag be­ stond tussen de vrouwen, die wel en zij, die niet wegens dysmenorrhoe verzuimd hadden. De 65 vrouwen met dysmenorrhoeverzuim zullen in het vervolg ‘dysme- norrhoegroep’ genoemd worden en de 336 vrouwen, die in 1959 niet voor dysme­ norrhoe verzuimden, ‘anderen’. Een overzicht van deze beide groepen en hun leeftijdsopbouw wordt gegeven in tabel 72. Bij toetsing van de leeftijdsverdelingen

Tabel 72. Vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam in 1959, verdeeld naar leeftijdsklassen en het al dan niet verzuimd hebben wegens dysmenorrhoe

totaal

120

Leeftijdsklassen

dysmenorrhoegroep
aantal
% aantal

12 18,5 31 21 32,3 55 11 16,9 47 11 16,9 62

6 9,2 70 4 6,2 38 – – 30 – – 3

65 100,- 336

‘anderen’

%

9,2 16,4 14,- 18,5 20,8 11,3

8,9 0,9

100,-

15 t/m 18 19 t/m 21 22 t/m 24 25 t/m 29 30 t/m 34 35 t/m 39 40 t/m 44 45

volgens Wilcoxon blijkt de dysmenorrhoegroep zeer significant jonger te zijn dan de groep der ‘anderen’.

De verzuimgrootheden voor de beide groepen wegens alle verzuimoorzaken zijn vermeld in tabel 73.

Tabel 73. Belangrijkste verzuimgrootheden bij de vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam in 1939, verdeeld naar het al dan niet verzuimd hebben wegens dysmé- norrhée

dysmenorrhoe- groep

‘anderen’

totaal

aantal aantal aantal verzuim-

vrouwen verzuimen dagen

65 259 966 336 637 4824

401 896 5790

gemiddelde verzuim- verzuim-

frequentie duur

3,97 3,74 1,89 7,57

2,24 6,46

gemiddelde verzuim

14,86 14,36

14,44

Het gemiddelde verzuim van de dysmenorrhoegroep voor alle verzuimoorzaken tezamen blijkt dus slechts een halve dag langer te zijn dan bij de ‘anderen’. De opbouw van dit verzuim is voor beide groepen echter geheel verschillend (figuur E). De dysmenorrhoegroep heeft een veel frequenter en korterdurend verzuim dan de andere vrouwen als alle verzuimoorzaken in de beschouwing worden betrokken (zie ook figuur F).

Ook als in het absolute frequentiepatroon (tabel 74) de 88 vrouwen, die in 1959

in het geheel niet verzuimden, buiten beschouwing gelaten worden, blijkt het

verschil in verzuimfrequentie tussen beide groepen nog zeer sterk significant te zijn 6

(P < IO ). De vrouwen in de dysmenorrhoegroep verzuimden relatief dus veel vaker dan de ‘anderen’.

Elimineert men de verzuimen wegens dysmenorrhoe en wordt het verzuim voor

Alle verzuimoorzaken

r

Alle verzuimoorzaken minus dysmenorrhoe

ι “4 3 -2

! -i

ι ι—’—ι ι ι ι’ 1 ι 1
876543210
^ Gemiddelde verzuimduur in dagen >

Figuur E. Vergelijking van de verzuimfrequentie en de gemiddelde verzuimduur bij vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek, die wegens dysmenorrhoe in 1959 verzuimden (dysmenorrhoegroep ) en zij, die in 1959 niet wegens dysmenorrhoe verzuimden (‘anderen’

121

dysmenorrhoegroep ‘anderen’

totaal

6 8 19 8 10 7 2 3 2 259 65

dysmenorrhoe- groep

‘anderen’ totaal

122

65 144 817 336 637 4824

401 781 5641

2,22 5,67 1,89 7,57

1,95 7,24

449

3,46 3,50

2-1

i!

15t/m21 22t/m29 30t/m39 40 t/m 45 alle vrouwen —> leeftijdsklassen

Figuur F. De verzuimfrequentie van de ‘dysmenorrhoegroep’ wegens dysmenorrhoe ( (ü wegensandereoorzaken(FTZ)endeverzuimfrequentievande’anderen’wegensalleoorzaken( m

wat betreft alle andere verzuimoorzaken tussen beide categorieën vergeleken, waarbij men ook de 88 vrouwen zonder verzuim in 1959 in de vergelijking betrekt, dan blijkt er nog wel een verschil, doch geen significant verschil, in verzuimfrequen- tie aanwezig te zijn (P = 0,11) (tabel 75).

Tabel 74. De vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam in 1959, verdeeld naar het al dan niet verzuimd hebben wegens dysmenorrhoe en het aantal malen ver- zuim wegens alle verzuimoorzaken (het absolute frequentiepatroon)

88 75 76 40 30 11 7 3 3 2 88 81 84 59 38 21 14 5 6 4

I 637 336

1 896 401

У/,

Ά

aantal malen verzuim 0123456789 10

aantal verzuimen

aantal vrouwen

Tabel 75. Belangrijkste verzuimgrootheden bij de vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam in 1959, wegens alle verzuimoorzaken minus dysmenorrhoe, verdeeld naar het al dan niet verzuimd hebben wegens dysmenorrhoe van de vrouwen

aantal aantal aantal vrouwen verzuimen verzuim-

verzuim- gemiddelde frequentie verzuim-

gemiddelde verzuim

12,57 14,36

14,07

dagen duur

Zoals reeds in hoofdstuk 7 werd uiteengezet, is uit vele verzuimonderzoekingen gebleken, dat jongere mensen vaker (en korterdurend) verzuimen dan oudere.

Daar de gemiddelde leeftijd van de dysmenorrhoegroep significant lager is dan die der ‘anderen’ zou men zich kunnen voorstellen, dat een eventueel verschil tussen beide groepen voor wat betreft de verzuimfrequentie wegens andere oorzaken dan dysmenorrhoe ‘afgevlakt’ is door de ouderen in de groep zonder dysmenorrhoe- verzuim. Een vergelijking van de frequentiepatronen der dysmenorrhoegroep met die der ‘anderen’ binnen de verschillende leeftijdsklassen leverde echter bij toetsing volgens Wilcoxon in geen der klassen een significant verschil op (tabel 76).

Men mag dus wel aannemen, dat er ten aanzien van alle andere verzuimoorzaken dan dysmenorrhoe tussen de beide categorieën vrouwen uit ons ziekteverzuim- onderzoek over het jaar 1959 nauwelijks of geen verschil in verzuimfrequentie zal bestaan.

De gemiddelde verzuimduur blijkt voor wat betreft het totale verzuim in 1959 bij de ‘anderen’ ruim twee maal zo lang te zijn als bij de vrouwen met dysmenorr- hoeverzuim (tabel 73, figuur E). Laat men het dysmenorrhoeverzuim buiten be- schouwing dan blijkt er tussen beide categorieën ook nog een gelijkgericht verschil te bestaan, zij het dat dit verschil veel minder groot is geworden, (tabel 75). Helaas was het niet mogelijk om een verzuimduurpatroon op te stellen, zodat een toetsing van deze verschillen achterwege moest blijven.

Resumerend komen wij tot de slotsom, dat er bij de 401 vrouwen, die gedurende het gehele jaar 1959 bij de PTT te Rotterdam werkzaam waren, een significant ver- schil in ziekteverzuimgedrag valt waar te nemen tussen de groep van 65 vrouwen, die in dat jaar wegens dysmenorrhoe verzuimden, en de 336 vrouwen, die in dat

jaar niet wegens dysmenorrhoe verzuimden.
Het gemiddeld aantal dagen, dat per persoon per jaar werd verzuimd (het ge-

middelde verzuim), was voor beide categorieën vrijwel gelijk, doch de opbouw van het verzuim was een geheel andere. In vergelijking met de ‘anderen’ was de ver- zuimfrequentie bij de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim significant hoger en de gemiddelde verzuimduur per verzuimgeval lager.

Werd alleen het verzuim wegens andere oorzaken dan dysmenorrhoe tussen beide groepen vergeleken dan blijken de verschillen goeddeels genivelleerd te zijn : de verzuimfrequentie vertoonde geen significante verschillen meer en ook de verzuimduur verschilde niet zo sterk meer tussen de beide groepen. Het gemiddeld verzuim van de dysmenorrhoegroep lag nu echter lager dan bij de ‘anderen’. Mogelijk vervult het significante verschil in gemiddelde leeftijd tussen de beide categorieën hierbij toch een – zij het geringe – rol. Voor wat de verzuimfrequentie betreft was deze rol niet aantoonbaar.

  1. HET INTERVIEW-ONDERZOEK NAAR HET VÓÓRKOMEN VAN DYSMENORRHOEVERZUIM

Het percentage van de vrouwen, dat antwoordde, dat zij in het jaar voorafgaande aan het tijdstip van de ondervraging een of meer malen wegens dysmenorrhoe hun werk verzuimd hadden, was in Rotterdam 13,3% en in Arnhem 17,9% van het totale aantal ondervraagde vrouwen.

Bij een nadere beschouwing van tabel 43 blijkt, dat van de Rotterdamse vrouwen

123

Tabel 76. Het aantal malen verzuim wegens alle oorzaken minus dysmenorrhoe en de tweezijdige over schnjdingskansen van de vrouwen tot 46 jaar uit het retrospectieve onderzoek te Rotterdam in 1939 verdeeld naar leeftijdsklasse en het al dan niet verzuimd hebben wegens dysmenorrhoe (gebruikt werd d steekproeventoets van Wilcoxson).

leeftijds- klasse

15t/m18

19 t/m 21

22 t/m 24

25 t/m 29

30 t/m 34

35t/m39

40 t/m 44

45

Totaal

124

aantal malen verzuim
3 4 5 6 7 8 9

aantal 10 verzuimen vrouwen

P2z

0 1 2

dysmenorrhoegroep 13 3 2 3 ‘anderen’ 77 10 4 1 2

totaal 810 13 6 4 2

27 12
53 31 0,23

80 43

63 21
123 55 0,13

186 76 16 11

110 47 0,37 126 58

13 11
123 62 0,35

136 73 23 6

117 70
140 76 0,25

dysmenorrhoegroep 15 5 3 1 3 2 1 ‘anderen’ 148 13 8 5 2 21 2

totaal 15 13 18 11 6 5 41 3

dysmenorrhoegroep 3 8
‘anderen’ 912 8 4 7 2 32

totaal 12 12 16 32 dysmenorrhoegroep 27 2

‘anderen’ 18 13 10 10 5 3 1 totaal 20 20 10 12 1

dysmenorrhoegroep 1 1 2 11 ‘anderen’ 19 16 17 8 8 1 1

totaal 19 17 17 9 10

dysmenorrhoegroep 22
‘anderen’ 11 10 10 3 2

totaal 13 12 10

dysmenorrhoegroep ‘anderen’ 10

totaal 10

dysmenorrhoegroep ‘anderen’

totaal

dysmenorrhoegroep 9
‘anderen’ 88 75 76 40 30 11 7

totaal 97 93 92 48 36 15 10

1 1

1 1 1 1

1 1

18 16 8 6 4 3

1
3 3 2

3 4 2

2 4 64 38

66 42 0

42 30 42 30

144 65 637 336

781 401

1 1

0,11

met dysmenorrhoeklachten 24,6 % en van de Arnhemse vrouwen met dysmenorrhoe 30,1 % een of meer malen per jaar wegens deze klachten verzuimden.

3.1. Leeftijd en verzuim wegens dysmenorrhoe

De gegevens over het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim op verschillende leef- tijden bij de ongehuwde vrouwen uit ons onterview-onderzoek zijn vermeld in tabel 44.

Uit deze tabel is te lezen, dat verzuim wegens dysmenorrhoe, evenals dit met de dysmenorrhoe het geval is, in de jongste groep van de geslachtsnjpe vrouwen, de 15 tot en met 18-jangen, minder voorkomt dan bij de vrouwen van 19 tot en met 21 jaar. Vooral voor de Arnhemse vrouwen is dit verschil zeer duidelijk.

Van de Rotterdamse vrouwen met dysmenorrhoe gaf 28% van de 15 t/m 18- jangen, 26,4% der 19 t/m 21-jangen en 25% der 22 t/m 24-jarigen aan, dat zij soms of altijd voor deze klachten meenden te moeten verzuimen.

In Arnhem vormden de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim in de leeftijdsklasse 15 t/m 18 jaar 29,3 %, in de leeftijdsklasse 19 t/m 21 jaar 34,6% en in de leeftijds- klasse 22 t/m 24 jaar 32,1 % van de vrouwen met dysmenorrhoeklachten. Bij toet- smg volgens Wilcoxon blijkt echter geen significant verschil te bestaan tussen de leeftijden van de vrouwen met dysmenorrhoe zonder verzuim en de leeftijden van de vrouwen met dysmenorrhoe en verzuim wegens deze oorzaak.

Bij de in ons onderzoek betrokken vrouwen is dus de kans op dysmenorrhoe, welke aanleiding geeft tot arbeidsverzuim, voor de dysmenorrhoepatienten op elke leeftijd gelijk.

3.2. Burgerlijke staat, pariteit en verzuim wegens dysmenorrhoe

Relaties tussen de burgerlijke staat, respectievelijk de panteit enerzijds en het vóór- komen van dysmenorrhoe met verzuim anderzijds kon, evenals dat bij het verband met het vóórkomen van dysmenorrhoe het geval was, door het kleine aantal ge- huwden onder de Arnhemse vrouwen, alleen onderzocht worden voor de vrouwen uit het Rotterdamse gedeelte van ons onderzoek (tabel 45 en 46).

Dysmenorrhoe-verzuim kwam te Rotterdam voor bij 6,8% van de gehuwde vrouwen en bij 14,5% van de ongehuwden. Binnen de categone vrouwen met dysmenorrhoe was echter geen verband aantoonbaar tussen het optreden van dysmenorrhoeverzuim en de burgerlijke staat of pariteit. De verschillen in vóór- komen van dysmenorrhoeverzuim tussen gehuwden en ongehuwden worden veroorzaakt door verschillen in optreden van dysmenorrhoeklachten tussen beide categorieën.

Alhoewel dysmenorrhoe-als-zodanig duidelijk minder voorkomt bij de (ge- huwde) vrouwen met kinderen dan bij de gehuwden zonder kinderen en de onge- huwden, blijkt het dysmenorrhoeverzuim op zichzelf niet gebonden te zijn aan het al-of-ruet gehuwd zijn of het al-of-niet hebben van kinderen. De kans op verzuim wegens dysmenorrhoe bij de gehuwde vrouwen met kinderen, die dysmenorrhoe- klachten hebben, is dus even groot als bij de gehuwden zonder kinderen en de ongehuwden, die dysmenorrhoe hebben.

125

3.3. Mate van bloedverlies en dysmenorrhoeverzuim

In hoofdstuk 6 (paragraaf 6) werd reeds vermeld, dat de kans op dysmenorrhoe bij de (ongehuwde) vrouwen met veel bloedverlies tijdens de menstruatie, significant hoger bleek te zijn dan bij de andere vrouwen en ook, dat de vrouwen met weinig bloedverlies significant minder kans op dysmenorrhoe hadden dan de andere vrouwen.

Onafhankelijk van dit verschil in optreden van dysmenorrhoeklachten, blijkt ook voor het verzuim wegens dysmenorrhoe een gelijkgerichte relatie te onderkennen te zijn met de mate van bloedverlies tijdens de menstruatie (zie tabel 53 en figuur C).

Van de ongehuwde vrouwen met dysmenorrhoe in Rotterdam verzuimden van degenen, die veel bloedverlies hadden 36,8 %, van de vrouwen met matig bloed­ verlies 23,9 % en van die met weinig bloedverlies 16,7 % een of meer malen wegens deze klachten.

Van de ongehuwde vrouwen in Arnhem met dysmenorrhoe en veel bloedverlies verzuimde 52,2% een of meer malen wegens deze klachten, 28,4% van die met matig bloedverlies en 25 % van die met weinig bloedverlies.

In het Arnhemse deel van het interview-onderzoek bleek de kans op dysmenorr­ hoe verzuim onder de dysmenorrhoepatienten met veel bloedverlies bij toetsing van een 2 χ 3-tabel met de x2-toets significant hoger te zijn dan bij degenen, die een gering bloedverlies hadden (P = 0,03). Voor de Rotterdamsevrouwen bleek een overeenkomstige positieve correlatie niet aangetoond te kunnen worden.

Veel bloedverlies tijdens de menses gaat dus, voor wat de Arnhemse vrouwen betreft, vaker met dysmenorrhoeverzuim gepaard dan alleen op grond van de relatie van de mate van bloedverlies met dysmenorrhoe verwacht mocht worden. Zowel het aantal vrouwen met dysmenorrhoe te Arnhem als de ernst van de dysme­ norrhoeklachten nemen dus toe met het toenemen van de intensiteit van de fluxus.

Ook te Rotterdam neemt het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim toe met het toenemen van de intensiteit van de fluxus, doch hierbij vervult alleen het toenemen van de relatieve frequentie van dysmenorrhoeklachten een rol. Voor de Rotter- damse vrouwen is de kans op dysmenorrhoeverzuim als gevolg van de mate van bloedverlies voor alle dysmenorrhoepatienten gelijk.

3.4. De duur van de menstruele cyclus en de variabiliteit ervan blijken, bij de ongehuwde vrouwen in ons onderzoek geen directe of indirecte relatie te vertonen met verzuim wegens dysmenorrhoe (tabellen 49 en 50).

Ook de duur en de variabiliteit van de duur van de menstruatie blijkt geen verband met het al of niet vóórkomen van verzuim bij ongehuwde dysmenorrhoe- patienten te houden (tabellen 51 en 52). Wel zal dysmenorrhoeverzuim vaker kunnen vóórkomen bij vrouwen met een langdurende menstruatie dan bij de vrouwen met een menstruatie, welke 4 dagen of korter duurt, daar de eersten vaker last van dysmenorrhoe bleken te hebben dan de vrouwen met kortdurende menses.

Bij de ongehuwde vrouwen met dysmenorrhoeklachten ingedeeld naar de lichaamsbouw (tabel 55) werd in de volgende percentages verzuim wegens deze oorzaak aangetroffen :

126

asthenicae ‘athleticae’ pycnicae

Rotterdam 38,1% 24,1%

22,2%

Arnhem 35,0% 29,8%

26,3%

Alhoewel in de bovenstaande tabel dysmenorrhoeverzuim meer lijkt voor te komen bij de asthenische dysmenorrhoepatienten dan bij pycnische, blijkt dit verschil bij toetsing van een 2 χ 3-tabel met een x2-toets niet significant te zijn. Daar in hoofd­ stuk 6 (paragraaf 7) ook geen verschil in het vóórkomen van dysmenorrhoe tussen vrouwen met een verschillend somatotype kon worden aangetoond, kan dus op grond van ons onderzoek geen direct of indirect verband tussen lichaamsbouw en dysmenorrhoeverzuim worden aangenomen.

Een verband tussen de gevolgde schoolopleiding en het vóórkomen van dysme- norrhoe en dysmenorrhoeverzuim bleek voor de ongehuwde vrouwen uit ons onderzoek niet aanwezig te zijn (tabel 56).

  1. BESPREKING EN SAMENVATTING VAN DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK NAAR HET VERZUIM DOOR DYSMENORRHOE

4.1. Het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim

Het percentage van de vrouwen uit onze onderzoekingen, die wegens dysme- norrhoe verzuimden, lag tussen de 13 en 18%. (Zie tabellen 43 en 60).

Zoals reeds eerder werd opgemerkt zijn de percentages, welke in de literatuur gevonden worden, moeilijk met de door ons gevonden cijfers te vergelijken.

Tussen de uitkomsten van onze eigen onderzoekingen blijkt echter weinig diversiteit te bestaan, ondanks het feit, dat het vóórkomen van dysmenorrhoe- verzuim op twee geheel verschillende manieren benaderd is. Opmerkelijk is de grote overeenkomst, welke blijkt te bestaan tussen de uitkomsten van het retrospec- tieve onderzoek naar het feitelijk verzuim wegens dysmenorrhoe en het interview- onderzoek, waarbij afgegaan moest worden op de oncontroleerbare opgaven betreffende het dysmenorrhoeverzuim van de ondervraagden in het verleden.

In de verantwoording van het interview-onderzoek hebben wij ons de vraag moeten stellen in hoeverre de keuringssituatie, waarin de ondervraagden zich bevonden, een te gunstig beeld zou geven van het reële dysmenorrhoeverzuim. Op grond van de grote overeenkomst tussen de resultaten van de beide wijzen van onderzoek, kan men, met een zeker voorbehoud, concluderen, dat de vraagmetho- diek zodanig is geweest, dat de gegevens, welke met het interview-onderzoek over dysmenorrhoeverzuim werden verkregen, vrij goed met de werkelijkheid zullen overeenstemmen.

De frequentie van het vóórkomen van dysmenorrhoe is niet op alle leeftijden even groot. In het retrospectieve onderzoek werd voor twee van de drie onderzoek- jaren (1957 en 1959) een zeer significant verband gevonden tussen het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim en de leeftijd, terwijl dit verband voor het jaar 1958 net niet significant kon worden genoemd.

Het percentage verzuimsters was in alle onderzoekjaren van het retrospectieve onderzoek het grootst bij de vrouwen van 15 t/m 24 jaar. Van 25 t/m 29 jaar was het vóórkomen iets minder frequent, en bij de vrouwen, die ouder waren dan 29 jaar zeer gering in vergelijking met de jongeren (tabel 62).

Het frequente vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim bij de vrouwen van 20 t/m 24 jaar, zoals dat door SVEMNERUD (1959) en LOWE en FERGUSON (1951) werd ge- vonden, kon in ons retrospectieve ziekteverzuimonderzoek alleen bevestigd worden voor het jaar 1957, waarin het percentage verzuimsters wegens dysmenorrhoe in de

127

leeftijdsklassen van 19 t/m 21 jaar en 22 t/m 24 jaar beduidend hoger was dan in de groep vrouwen van 15 t/m 18 jaar en in die van 25 jaar en ouder.

In het interview-onderzoek bleek het aantal verzuimsters wegens dysmenorrhoe onder de ongehuwde vrouwen het meest frequent te zijn in de leeftijdsklasse 19 t/m 21 jaar, terwijl bij de Arnhemse vrouwen ook de frequentie bij de 22 t/m 24-jarigen groter was dan bij de 15 t/m 18-jarigen (tabel 44).

Voor dit frequente vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim bij de vrouwen op jongere leeftijd zijn de volgende verklaringen mogelijk:

Dysmenorrhoeklachten zijn op jongere leeftijd ernstiger dan op oudere leeftijd, waardoor dysmenorrhoe op jeugdigere leeftijd vaker tot verzuim aanleiding geeft.
In het interview-onderzoek kon echter geen verschil in leeftijd gevonden worden tussen de vrouwen met dysmenorrhoe zonder verzuim en de vrouwen met dysme- norrhoe en verzuim wegens deze oorzaak. Men zou hieruit kunnen afleiden, dat de ernst van de dysmenorrhoeklachten niet gerelateerd is aan de leeftijd. Dit maakt het onwaarschijnlijk, dat onder de dysmenorrhoepatienten op jon- gere leeftijd om de bovenstaande reden meer verzuim zou vóórkomen dan onder de oudere dysmenorrhoepatienten.

Dysmenorrhoe komt bij jeugdige vrouwen – en wel speciaal bij die van 19 tot 25 jaar – vaker voor dan bij oudere vrouwen, waardoor, bij een gelijke kans op verzuim voor alle dysmenorrhoepatienten, bij de jongeren meer vrouwen met dysmenorrhoeverzuim zullen worden aangetroffen.

In het interview-onderzoek kon een verband worden vastgesteld tussen leeftijd en het vóórkomen van dysmenorrhoe. Voor het Arnhemse gedeelte van het onderzoek was de groep vrouwen met dysmenorrhoe significant ouder dan de groep vrouwen zonder dysmenorrhoe (hoofdstuk 6, paragraaf 2.1.).

Daar in het interview-onderzoek geen aanwijzing gevonden werd voor het afnemen van de dysmenorrhoefrequentie boven een bepaalde leeftijd, kon de abrupte sterke daling van het dysmenorrhoeverzuim boven het 29e jaar, zoals deze in het retrospectieve onderzoek aanwezig bleek te zijn, niet verklaard worden uit de dysmenorrhoefrequentie op de verschillende leeftijden in het interview-onderzoek.

Dysmenorrhoe wordt door de jongeren gebruikt c.q. misbruikt voor het legali- seren van de behoefte aan frequente en kortdurende arbeidsverzuimen door het aggraveren van de ernst der dysmenorrhoeklachten.
Dat deze behoefte bestaat, zou kunnen worden afgeleid uit het in de literatuur gesignaleerde verschijnsel, dat de verzuimfrequentie bij jongeren vaak hoger is dan bij ouderen, terwijl de gemiddelde verzuimduur van jeugdigen (aan- merkelijk) korter is dan die van ouderen. Ook in ons eigen ziekteverzuimonder- zoek over het jaar 1959 wordt dit verzuimgedragspatroon aangetroffen (tabel 64). Uit het interview-onderzoek is echter gebleken, dat de kans op het optreden van dysmenorrhoeverzuim voor alle vrouwen met dysmenorrhoeklachten even groot is.

Toch zien we in het retrospectieve onderzoek naar het ziekteverzuim in het jaar 1959 een verschil in verzuimpatroon tussen de vrouwen, die in dat jaar wegens dysmenorrhoe verzuimden en de andere vrouwen (figuur E).

Voor wat betreft het gemiddeld aantal dagen, dat per jaar verzuimd wordt, bestond voor de vrouwen uit ons onderzoek, in afwijking van de bevindingen van

128

SVENNERUD, vrijwel geen verschil tussen de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim en de vrouwen zonder dysmenorrhoeverzuim. De verzuimfrequentie van de ‘dysme- norrhoegroep’ was echter ruim twee maal zo hoog als van de ‘anderen’. Ten aanzien van het verzuim wegens andere oorzaken dan dysmenorrhoe was het verschil in verzuimfrequentie tussen de beide groepen vrouwen vrijwil nihil. Ook binnen de verschillende leeftijdsklassen was geen significant verschil in verzuimfrequentie aanwezig tussen de beide groepen voor andere verzuimoorzaken dan dysmenorrhoe (tabel 76).

De verzuimen wegens dysmenorrhoe zijn dus in ons onderzoek bij de vrouwen uit de ‘dysmenorrhoegroep’ als het ware gesuperponeerd op de verzuimgevallen wegens andere oorzaken.

Op grond van dit verzuimpatroon zijn de volgende hypotheses op te stellen.
1. Als de verzuimfrequentie inderdaad een indicatie vormt voor een behoefte aan gelegaliseerd arbeidsverzuim, zou men op grond van het bovenstaande tot de conclusie kunnen komen, dat dysmenorrhoe gebruikt wordt voor de bevredi- ging van een extra behoefte aan verzuim van de vrouwen uit de dysmenorrhoe- groep. Als de behoefte van alle vrouwen gelijk geweest was, zou men mogen verwachten, dat dysmenorrhoeverzuim in de plaats was getreden van verzuimen

wegens andere oorzaken.
Dat het gemiddelde verzuim per jaar voor alle verzuimoorzaken tezamen vrijwel gelijk is voor de ‘dysmenorrhoegroep’ en de ‘anderen’ zou voor deze hypothese kunnen pleiten.

  1. De dysmenorrhoeklachten worden als zó ernstig ervaren, dat de noodzaak tot verzuim wegens deze oorzaak zo sterk is, dat zelfs bij een ‘normale’ verzuim- frequentie wegens andere oorzaken, toch tot ziekteverzuim moet worden besloten.

De vraag, welke van deze twee hypotheses het best de werkelijkheid benadert kan ook door de uitkomsten van onze onderzoekingen niet beantwoord worden. De motivering van verzuim wegens dysmenorrhoe zal interindividueel grote essentiële en graduele verschillen vertonen, waarbij echter de bovenstaande hypo- theses naar onze mening als uitersten beschouwd kunnen worden.

De gemiddelde verzuimduur blijkt bij de dysmenorrhoegroep de helft te bedragen van die bij de ‘anderen’. Ook voor de verzuimen wegens andere oorzaken dan dysmenorrhoe is de gemiddelde verzuimduur korter bij de vrouwen, die wegens dysmenorrhoe verzuimden dan bij de ‘anderen’. Dit zou mogelijk een gevolg kunnen zijn van het feit, dat de leeftijd van de vrouwen uit de dysmenorrhoegroep gemiddeld significant lager is dan de ‘anderen’. Daar gegevens over de duur van de afzonderlijke verzuimen wegens andere oorzaken dan dysmenorrhoe ontbraken, kon dit verschil in gemiddelde verzuimduur tussen beide groepen niet nader onder- zocht worden.

In het retrospectieve ziekteverzuimonderzoek kon het verband tussen burgerlijke staat, pariteit en dysmenorrhoeverzuim niet worden nagegaan. Vanwege het ver- band, dat gevonden werd tussen dysmenorrhoeverzuim en leeftijd, zou een splitsing naar burgerlijke staat hebben moeten plaatsvinden binnen de leeftijdsklassen, waardoor de aantallen vrouwen per klasse te gering zouden zijn geworden om statistisch te bewerken.

Voor het Rotterdamse gedeelte van het interview-onderzoek kon geen direct verband aangetoond worden tussen de burgerlijke staat, pariteit en dysmenorrhoe-

129

verzuim. De kans op het vóórkomen van verzuim wegens dysmenorrhoe was bij de gehuwde dysmenorrhoepatienten even groot als bij de ongehuwde vrouwen met dysmenorrhoe. Weliswaar werd dysmenorrhoeverzuim vaker aangetroffen bij de ongehuwden dan bij de gehuwden, doch deze verschillen zijn te verklaren uit het verschil in het vóórkomen van dysmenorrhoeklachten tussen beide groepen (hoofdstuk 6, paragraaf З.1.).

Het verschil in vóórkomen van dysmenorrhoe tussen de gehuwden en de onge- huwden blijkt veroorzaakt te worden door de gehuwde vrouwen met kinderen, die significant minder vaak dysmenorrhoeklachten hadden dan de gehuwden zonder kinderen en de ongehuwden.

De mate van bloedverlies tijdens de menses bleek zowel te Rotterdam als te Arnhem een positieve correlatie te vertonen met het vóórkomen van dysmenorrhoe en voor de onderzochte vrouwen te Amhem ook, onafhankelijk daarvan, met het verzuim wegens dysmenorrhoe. Zowel de frequentie van het optreden van dysme- norrhoe als de ernst van de klachten bleek, voor wat de Arnhemse vrouwen betreft, toe te nemen met het toenemen van de intensiteit van de fluxus.

Bij de ongehuwde vrouwen met langdurende menstruaties werd vaker dysme- norrhoeverzuim aangetroffen dan bij de ongehuwde vrouwen met kortdurende menses, doordat de kans op dysmenorrhoeklachten bij de langdurende menstruaties groter is.

De duur en de variabiliteit in de duur van de menstruele cyclus vertoonde in ons onderzoek geen directe of indirecte relatie met het vóórkomen van verzuim wegens dysmenorrhoe.

Lichaamsbouw en schoolopleiding vervulden voor de ongehuwde vrouwen uit ons interview-onderzoek geen rol bij het vóórkomen van dysmenorrhoe en dysme- norrhoeverzuim.

4.2. Het verzuimpatroon wegens dysmenorrhoe en het aandeel van dysmenorrhoe in het totale ziekteverzuim

Zowel uit de literatuur als uit het retrospectieve onderzoek naar het ziekteverzuim van vrouwen in dienst van de PTT te Rotterdam blijkt, dat dysmenorrhoe aan het totale ziekteverzuim van geslachtsrijpe vrouwen slechts een zeer geringe bijdrage levert.

In ons onderzoek van de ziekteverzuimgegevens over het jaar 1959 bedroeg het verzuim wegens dysmenorrhoe bij de vrouwen van 15 tot 46 jaar slechts 2\ dag per 100 verzuimde dagen (tabel 63). In sommige leeftijdsklassen echter lag dit hoger, doch zelfs in de leeftijdsklasse van 19 t/m 21 jaar, waarin relatief het grootste aantal verzuimde dagen wegens dysmenorrhoe wordt aangetroffen, bedroeg het aandeel van dysmenorrhoe nog slechts 4,4% van alle verzuimde dagen. Voor de vrouwen van 30 jaar en ouder was minder dan 1 % van alle verzuimde dagen het gevolg van dysmenorrhoeklachten.

Dat het aandeel van dysmenorrhoe aan het totale verzuim zo gering is, wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de zeer korte duur van deze verzuimen. In 1959 duurde 77% van de dysmenorrhoeverzuimgevallen niet langer dan één dag (tabel 67). Tussen de verschillende leeftijdsklassen was vrijwel geen verschil in ge- middelde duur van de dysmenorrhoeverzuimgevallen vast te stellen (tabel 64).

Zoals reeds in paragraaf 1 van hoofdstuk 1 werd opgemerkt, ligt het probleem

130

van het dysmenorrhoeverzuim, uit economisch en maatschappelijk oogpunt bezien, in het veelvuldig vóórkomen daarvan.

Bij ons verzuimonderzoek over het jaar 1959 was bij de vrouwen tot 46 jaar 12,8 % van alle verzuimgevallen het gevolg van dysmenorrhoe. In de leeftijdsklasse van 19 t/m 21 jaar kwam zelfs 1 van de 5 verzuimen voor rekening van deze ver- zuimoorzaak (tabel 63).

Toch is de verzuimfrequentie wegens dysmenorrhoe niet hoog te noemen: op een gemiddelde van 2,24 verzuimgevallen per vrouw in het jaar 1959, werd 0,29 maal verzuimd wegens dysmenorrhoe (tabel 64). De vrouwen met dysmenorrhoe- verzuim verzuimden in 1959 wegens deze oorzaak gemiddeld 1,77 maal (tabel 68). 60% Van deze vrouwen verzuimden in dat jaar echter slechts één maal voor dysme- norrhoe (tabel 69). Ook in de beide andere onderzoekjaren verzuimde ruim 50% van de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim slechts één maal per jaar.

Oppervlakkig bezien lijkt het wat vreemd, dat meer dan de helft van de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim slechts één maal per jaar wegens deze oorzaak ver- zuimden, als men bedenkt, dat zij per jaar 12 tot 13 menstruaties gehad zullen hebben. De redenen, waarom niet bij iedere menses verzuimd wordt, kunnen de volgende zijn:

  1. De intensiteit van de klachten is niet bij iedere menstruatie dezelfde.
  2. De behoefte of de mogelijkheid tot verzuimen zal niet tijdens iedere menses

gelijk zijn.

  1. Het optreden van verzuim wegens dysmenorrhoe zal ook afhankelijk zijn van

het begintijdstip van de menses. De ervaring heeft ons geleerd, dat de menses, welke in werktijd beginnen slechts zelden tot een volledig staken van de werk- zaamheden aanleiding geven. Zeker in bedrijven met een rustkamer voor het vrouwelijk personeel of een eigen bedrijfsgeneeskundige dienst zal de arbeid na enkele uren bedrust en warmte meestal weer hervat (kunnen) worden.

De kans, dat de menstruatie in de werktijd begint is, bij een vijfdaagse werk- week met achturige werkdagen: 5/7 χ 1/3 χ 12 of 13 = 2,9 tot 3,1 maal per jaar. Bij iets minder dan de tweederde van de menstruaties zal dus verzuim kunnen volgen. Voor degenen, die precies om de 28 dagen menstrueren gaat deze redenering echter niet op; bij deze vrouwen zal de menses altijd of nooit tijdens de werkzaamheden beginnen. Ook bij vrouwen met wisseldiensten zal de kans op dysmenorrhoeverzuim zich niet aan de bovenstaande berekening houden.

Dat het dysmenorrhoeverzuim ondanks de geringe verzuimfrequentie per patient toch een belangrijke bijdrage levert aan het totale aantal verzuimgevallen, is een gevolg van het feit, dat het aantal vrouwen, dat voor deze oorzaak verzuimt, zo groot is (tabel 62). In ons retrospectieve onderzoek blijkt van de vrouwen jonger dan 25 jaar, 1 van de 4 tot 6 vrouwen per jaar een of meer malen wegens dysme­ norrhoe te verzuimen.

Bij de vrouwen ouder dan 29 jaar was de frequentie van het dysmenorrhoever­ zuim veel geringer dan bij de jongere vrouwen (tabel 64). Alhoewel het gemiddeld aantal malen, dat door de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim, die ouder waren dan 29 jaar, voor deze oorzaak verzuimd werd lager is dan bij de jongere vrouwen (tabel 66), is dit niet de enige oorzaak voor het geringe aantal verzuimgevallen. De belangrijkste oorzaak voor de sterke daling van het aantal dysmenorrhoeverzuim- gevallen boven het 29e jaar is te vinden in het geringe aantal verzuimsters voor deze

131

oorzaak boven deze leeftijd (tabel 62). Over de mogelijke oorzaken hiervan werd reeds in de voorgaande paragraaf geschreven.

4.3. De voorspelbaarheid van dysmenorrhoeverzuim

In het begin van deze studie (hoofdstuk 1, paragraaf 1) hebben wij ons de vraag gesteld of het mogelijk zou zijn om, op grond van enkele gegevens, welke bij de keuring worden verkregen, het optreden van dysmenorrhoe c.q. dysmenorrhoe- verzuim bij een sollicitante te voorspellen.

Bij het stellen van deze vraag beseften we reeds en nu, bij het opmaken van de balans van de resultaten van ons onderzoek, zijn wij het ons nog sterker bewust, dat een bevredigend antwoord bijzonder moeilijk te geven is.

In de eerste plaats zijn wij, met vele onderzoekers, van oordeel, dat de psyche een zeer belangrijke rol vervult, zowel bij het al of niet gestoord verlopen van de menses als ook bij de behoefte van een individu om wegens onwelbevinden te gaan verzuimen. De geestelijke instelling van een vrouw ten opzichte van de eigen orgaan- functies is echter in een keuringssituatie slechts zeer oppervlakkig te peilen.

In de tweede plaats is reeds enkele malen in deze studie gereleveerd, dat vele niet- medische factoren (mede) een rol vervullen bij de motivering om wegens ziekte of onwelbevinden ,wel of niet te gaan verzuimen. Factoren, welke op het moment van de medische keuring niet goed op hun mérites geschat kunnen worden, omdat daarbij de wijze .waarop de nieuwe functie en het arbeidsmilieu aan de gestelde verwachtingen voldoet of niet voldoet, van bijzonder belang kunnen blijken te zijn voor het toekomstige verzuimpatroon van de sollicitante.

Hoe moeilijk het in de praktijk zal zijn om het vóórkomen van dysmenorrhoe en dysmenorrhoeverzuim te voorspellen, kan ook afgeleid worden uit de discrepanties, welke op enkele punten blijken te bestaan tussen de uitkomsten van de in dit geschrift beschreven onderzoekingen. Weliswaar werden in het interview-onderzoek geen essentiële verschillen gevonden tussen de onderzochte Rotterdamse en de onderzochte Arnhemse vrouwen, doch het bestaan van graduele verschillen nopen ons toch om met onze conclusies ten aanzien van de voorspelbaarheid van het op- treden van dysmenorrhoeverzuim voorzichtigheid te betrachten.

Als wij desondanks hieronder enkele conclusies neerschrijven, welke uit ons onderzoek getrokken kunnen worden, geschiedt dit in de wetenschap, dat deze conclusies voor het gebruik in de keuringspraktijk slechts een beperkte waarde zullen blijken te hebben.

Op grond van de gegevens, welke verkregen zijn uit het onderzoek naar het ziekte- verzuim bij een groep Rotterdamse vrouwen en een interview-onderzoek bij vrou- welijke sollicitanten te Rotterdam en te Amhem, menen wij de volgende conclusies te mogen trekken:

  1. Vrouwen, die nog pas enkele jaren menstrueren, zullen minder vaak last van dysmenorrhoe hebben dan vrouwen, die reeds langer menstruaties hebben.
  2. Bij vrouwen, die ouder zijn dan 29 jaar komt dysmenorrhoe veel minder frequent voor dan op jongere leeftijd.
  3. Vrouwen met kinderen hebben minder kans op dysmenorrhoeklachten bij de menstruatie dan vrouwen zonder kinderen.

132

  1. De mate van bloedverlies tijdens de menses vervult een belangrijke rol. Vrou- wen met hypermenorrhoe, waarbij stolsels tijdens de fluxus optreden, hebben een grote kans op dysmenorrhoeklachten, welke vaak zo ernstig zijn, dat zij met arbeidsverzuim gepaard gaan.
  2. De kans op dysmenorrhoe neemt toe naarmate de duur van de menstruatie langer is.

133

HOOFDSTUK 9 SAMENVATTING

In deze studie worden de resultaten weergegeven van een tweetal onderzoekingen, welke beide ten doel hadden om een inzicht te verkrijgen in enkele facetten van het vóórkomen van dysmenorrhoe en het arbeidsverzuim wegens deze oorzaak.

De grootte van het feitelijke verzuim wegens dysmenorrhoe werd bestudeerd door middel van een retrospectief onderzoek naar het ziekteverzuim van vrouwelijk PTT-personeel te Rotterdam in dejaren 1957, 1958 en 1959.

Voorts werd door middel van een gericht interview vragen gesteld aan vrouwe- lijke sollicitanten over het vóórkomen van dysmenorrhoe en arbeidsverzuim wegens dysmenorrhoe. Dit interview werd afgenomen bij 466 vrouwelijke sollicitanten voor een functie bij de PTT te Rotterdam in de jaren 1957 tot medio 1960 en bij 542 vrouwen, die solliciteerden naar een functie bij de Algemene Kunstzijde Unie N.V. te Arnhem in de jaren 1961 tot medio 1964. Met deze gegevens werd getracht op de volgende vragen een antwoord te vinden :

– Hoe vaak komt dysmenorrhoe voor bij overigens gezonde vrouwen en welke factoren vervullen hierbij een rol?

– Hoe vaak gaat dysmenorrhoe gepaard met arbeidsverzuim en welke factoren spelen hierbij mee?

– In hoeverre kan reeds bij de keuring een voorspelling gedaan worden over het in de toekomst te verwachten optreden van dysmenorrhoe en dysmenorrhoe- verzuim bij een sollicitante?

Om een eventuele relatie tussen de menarcheleeftijd en het menstruatiepatroon met het vóórkomen van dysmenorrhoeklachten te kunnen nagaan, werd ook hierover navraag gedaan. Alvorens deze gegevens te relateren aan het vóórkomen van dysmenorrhoe werden deze ook apart bewerkt.

Bij de bewerking van de gegevens, werden de door ons ondervraagde vrouwen in Rotterdam en in Arnhem, in het vervolg als Rotterdamse respectievelijk Arn- hemse vrouwen aangeduid.

In hoofdstuk 2 worden de onderzoekresultaten over de menarcheleeftijd beschre- ven. De mediane menarcheleeftijd te Rotterdam was 13,85 jaar en te Arnhem 13,68 jaar. Van de Rotterdamse vrouwen menstrueerde 96,8 % en van de Arnhemse vrouwen 98,9% voor de aanvang van het 17e levensjaar.

Voor de vrouwen te Rotterdam, die geboren waren tussen 1925 en 1945, werd een significante daling van de gemiddelde menarcheleeftijd per geboortejaar van 0,7 jaar per decennium gevonden. Van de Rotterdamse vrouwen bleken zij, die een pycnische habitus hadden, gemiddeld significant vroeger te gaan menstrueren dan de vrouwen met een asthenische lichaamsbouw.

134

In hoofdstuk 3 worden de gegevens betreffende de menstruatie en de menstruele cyclus vermeld. Gewezen wordt in de eerste plaats op de moeilijkheid om door middel van ondervraging een juist beeld te krijgen van het menstruatiepatroon. Onnauwkeurigheid in de opgaven, speciaal ten aanzien van de duur en de variatie- breedte van de menstruele cyclus lijken zelfs bij een zorgvuldige vraagtechniek niet te vermijden.

Van de vrouwen, die opgaven, dat zij een vrijwel constante duur van de men- struele cyclus hadden, bleek bij 85 % resp. 86 % de cyclus 28, 29 of 30 dagen te duren, bij 10,6% resp. 11,7% korter dan 28 dagen en bij 3,2% resp. 3,3% langer dan 30 dagen. Een verband van de duur van de menstruele cyclus met de burgerlijke staat, de pariteit, de leeftijd, het aantal jaren menstruatie, de mate van bloedverlies tijdens de menses of de lichaamsbouw kon niet worden aangetoond.

Bij 73,3% van de Rotterdamse en 84,3% van de Arnhemse vrouwen was de variatie in de duur van de menstruele cyclus ten hoogste 3 dagen. In de leeftijds- klasse van 22 t/m 24 jaar was de cyclus regelmatiger dan bij de jongere vrouwen. Deze grotere regelmaat kon voor de vrouwen uit ons onderzoek echter niet door een verschil in biologische leeftijd (het aantal jaren, dat de vrouwen menstrueerden) verklaard worden.

De gemiddelde duur van de menstruatie was voor de Rotterdamse vrouwen uit het interview-onderzoek 5,22 dagen en voor de Arnhemse vrouwen 5,15 dagen. Voor de vrouwen uit beide steden bleek de intensiteit van de menstruele fluxus sterker te zijn naarmate de menstruatie langer van duur was.

Bij 94,4% van de onderzochte vrouwen te Rotterdam en 97,8% van de onder- zochte vrouwen te Arnhem varieerde de menstruatieduur ten hoogste één dag.

De mate van bloedverlies tijdens de menses is moeilijk op objectieve wijze vast te stellen. In het interview-onderzoek werd getracht althans te objectiveren door gebruik te maken van de gradatie veel, matig en weinig. De gradatie ‘veel* werd alleen gebruikt als de menstruele fluxus vergezeld ging van stelsels. De gradering ‘matig’ en ‘weinig’ konden niet anders dan op subjectieve wijze worden gekozen.

Bij 13,3% van de Rotterdamse en 6,1% van de Arnhemse vrouwen uit het interview-onderzoek bleken stelsels tijdens de menstruaties voor te komen. Be- houdens het verband van de intensiteit van defluxusmet de menstruatieduur, kon geen relatie met andere factoren aangetoond worden.

Hoofdstuk 4 bevat een literatuurstudie over de relatie tussen menstruatie en arbeid. Achtereenvolgens worden besproken de invloed van arbeid op de menarche- leeftijd, de invloed van de menstruele cyclus op het lichamelijk prestatievermogen, de invloed van de arbeid op de menstruele cyclus en het verband tussen het vóór-

komen van dysmenorrhoeklachten en het beroep.

In hoofdstuk 5 wordt een beschouwing gewijd aan de inhoud van het begrip dysmenorrhoe. Bij ons eigen onderzoek werd onder dysmenorrhoe verstaan: alle periodiek optredende klachten van pijn en onwelbevinden, welke samenhangen met de menstruatie, aanvangen kort voor of tijdens de menstruatie en enkele uren na het begin der menses of ten laatste tegelijk met de menstruatie eindigen.

Voorts wordt een overzicht gegeven van de klinische verschijnselen en de etio- logie van de secundaire en de primaire dysmenorrhoe.

De onderzoekresultaten van het interview-onderzoek over het vóórkomen van 135

dysmenorrhoe en het verband met enkele factoren worden vermeld in hoofdstuk 6. Van de Rotterdamse vrouwen had 54,1 % in het jaar voorafgaande aan de onder- vraging dysmenorrhoeklachten gehad. Van de vrouwen in Arnhem had 59,4 % last

van dysmenorrhoe. Een goede vergelijking van deze cijfers met de onderzoekresul- taten van andere auteurs stuit op de moeilijkheid, dat niet altijd hetzelfde onder dysmenorrhoe wordt verstaan.

In de leeftijdsgroep van 19 t/m 29 jaar waren relatief meer vrouwen met dysme- norrhoeklachten dan bij de jongere en de oudere vrouwen.

Dysmenorrhoe kwam bij gehuwden minder frequent voor dan bij ongehuwden. Hierbij bleek echter, dat de burgerlijke staat als zodanig geen rol vervulde, doch wel de pariteit. Bij gehuwde vrouwen met kinderen kwam veel minder vaak dysmenorr- hoe voor dan bij de ongehuwden en de gehuwde vrouwen zonder kinderen. Er was geen verschil in het dysmenorrhoevóórkomen tussen ongehuwden en gehuwden zonder kinderen.

Zowel te Rotterdam als te Arnhem werd dysmenorrhoe minder frequent aan- getroffen bij de vrouwen, die 3 jaar of korter menstrueerden dan bij degenen, die reeds langer geleden de menarche gehad hadden.

Dysmenorrhoe werd in ons onderzoek significant minder vaak aangetroffen bij de vrouwen, wier menses korter dan 5 dagen duurden, dan bij de vrouwen met menstruaties, welke langer duurden.

Vrouwen, die stelsels verloren tijdens de menstruele bloeding, bleken vaker last van dysmenorrhoe te hebben dan de andere vrouwen. Vrouwen met gering bloed- verlies hadden minder vaak dysmenorrhoe dan de vrouwen met matig of veel bloedverlies.

Een verband van het vóórkomen van dysmenorrhoe met de lichaamsbouw en de gevolgde schoolopleiding werd voor de ondervraagde vrouwen niet gevonden.

In hoofdstuk 7 wordt het probleem van het ziekteverzuim belicht. Door middel van een literatuurstudie worden enkele medische en niet-medische facetten nader besproken.

Verzuim wegens dysmenorrhoe wordt in hoofdstuk 8 besproken. Na een literatuur- studie over het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim en het aandeel hiervan aan het totale ziekteverzuim, wordt een verslag gegeven van het retrospectieve onder- zoek naar het ziekteverzuim bij vrouwen te Rotterdam over dejaren 1957, 1958 en 1959.

Verzuim wegens dysmenorrhoe bleek voor te komen bij 13 tot 17,7% van de vrouwen. Bij de vrouwen die ouder waren dan 29 jaar was het aantal verzuimsters relatief veel geringer dan bij de jongere vrouwen.

Van 896 ziekteverzuimgevallen bij 401 vrouwen in 1959 was 12,8% veroorzaakt door dysmenorrhoe. In de leeftijdsklasse 19 t/m 21 jaar kwam zelfs 19,1 % van de verzuimen voor rekening van dysmenorrhoe.

Van 5790 verzuimdagen in 1959 waren 149 (2,57%) het gevolg van dysmenorrhoe. De 401 vrouwen verzuimden in 1959 gemiddeld 2,24 maal, waarvan 0,29 maal als gevolg van dysmenorrhoe. De vrouwen, die wegens dysmenorrhoe verzuimden deden dit gemiddeld 1,8 tot 2 maal per jaar. In de leeftijdsgroep van 19 t/m 21 jaar was de gemiddelde verzuimfrequentie het hoogst: zowel voor dysmenorrhoe (0,58) als voor alle verzuimoorzaken tezamen (2,45). Boven het 29e jaar was de verzuim-

136

frequentie wegens dysmenorrhoe gering als gevolg van het relatief geringe aantal verzuimsters voor deze oorzaak bij de oudere vrouwen.

De gemiddelde duur van de dysmenorrhoeverzuimgevallen was 1,3 dag. In 77% van deze gevallen duurde het verzuim echter slechts één dag. Meer dan 60 % van de vrouwen met dysmenorrhoeverzuim, verzuimden per jaar in totaal slechts een of twee dagen wegens deze oorzaak.

Naar anologie van het onderzoek van SVENNERUD werd het verzuimgedrag van vrouwen met dysmenorrhoeverzuim vergeleken met dat van de vrouwen, die in 1959 niet wegens deze oorzaak verzuimden. In 1959 verzuimden 65 vrouwen wegens dysmenorrhoe (‘dysmenorrhoegroep’) en 336 vrouwen niet om deze reden (‘ande- ren’).

Het aantal dagen, dat door de vrouwen van de ‘dysmenorrhoegroep’ gemiddeld per jaar verzuimd werd was slechts een halve dag meer dan dat van de ‘anderen’. De opbouw van het verzuim was voor beide groepen echter geheel verschillend : de ‘dysmenorrhoegroep’ had een veel frequenter en korterdurend verzuim dan de andere vrouwen. Werden de dysmenorrhoegevallen buiten beschouwing gelaten, dan bleek voor de andere verzuimoorzaken geen verschil in verzuimfrequentie meer te bestaan tussen de beide groepen. Wel was ook voor alle andere verzuimoorzaken dan dysmenorrhoe de gemiddelde duur van de verzuimgevallen bij de ‘dysmenorr- hoegroep’ korter dan bij de ‘anderen’. De verzuimgevallen wegens dysmenorrhoe bij de vrouwen uit de ‘dysmenorrhoegroep’ waren als het ware gesuperponeerd op de verzuimen wegens andere oorzaken.

Door middel van het interview-onderzoek werden ook gegevens over het dysmenorrhoeverzuim verzameld. Van de 466 ondervraagde vrouwen te Rotterdam hadden 62 (13,3 %) in het jaar voorafgaande aan het interview-tijdstip een of meer malen wegens dysmenorrhoe verzuimd; van de 542 vrouwen te Arnhem 97 (17,9 %).

Dysmenorrhoeverzuim bleek niet op alle leeftijden even frequent voor te komen, met name bij de 15 t/m 18-jarigen werden relatief minder verzuimsters aangetroffen dan bij de vrouwen van 19 t/m 21 jaar. De kans op dysmenorrhoeverzuim was echter voor de dysmenorrhoepatienten op alle leeftijden even groot. Het relatieve leeftijdsverschil in het aantal verzuimsters is het gevolg van de leeftijdsverschillen in het vóórkomen van dysmenorrhoeklachten.

Het vóórkomen van dysmenorrhoeverzuim was bij de gehuwden geringer dan bij de ongehuwden, hetgeen echter geheel blijkt te berusten op een verschil in het optreden van dysmenorrhoe tussen beide groepen. Het geringe aantal verzuimsters onder de gehuwden is het gevolg van de gehuwden met kinderen, die veel minder vaak last van dysmenorrhoe bleken te hebben dan de gehuwden zonder kinderen en de ongehuwden.

Onafhankelijk van het gevonden verschil in vóórkomen van dysmenorrhoe onder de vrouwen met veel bloedverlies tijdens de menses en de vrouwen met een minder sterke fluxus, bleek voor de Arnhemse vrouwen ook het vóórkomen van dysme- norrhoeverzuim een gelijkgerichte relatie met de mate van bloedverlies te vertonen. Zowel het aantal vrouwen, die dysmenorrhoeklachten hadden als de emst van de klachten namen toe met het toenemen van de intensiteit van de menstruele bloeding.

Dysmenorrhoeverzuim werd vaker aangetroffen bij de vrouwen met een men- struatie, welke langer dan 4 dagen duurde dan bij de vrouwen met korterdurende menses, daar de eersten vaker last van dysmenorrhoe hadden dan de laatsten.

Lichaamsbouw en schoolopleiding van de vrouwen in ons interview-onderzoek

137

bleken geen directe of indirecte relatie te hebben met het vóórkomen van dysme- norrhoeverzuim.

Een van de vragen, welke we ons bij de aanvang van het interview-onderzoek gesteld hebben was, of het mogelijk zou zijn op grond van enkele keuringsgegevens van de sollicitante een voorspelling te kunnen doen over het te verwachten dysme- norrhoeverzuim. Gewezen wordt op de moeilijkheid hiervan, doordat:

  1. de psyche, zowel bij het al dan niet gestoord verlopen van de menses als ook bij de behoefte van een individu om wegens onwelbevinden te gaan verzuimen, een grote rol vervult,
  2. niet-medische factoren een zeer belangrijke invloed hebben op het verzuim- gedrag van de werknemer.

De volgende conclusies kunnen uit onze onderzoekingen getrokken worden:

  1. Vrouwen, die pas enkele jaren menstrueren hebben minder vaak last van

dysmenorrhoe dan vrouwen, die reeds langer menstruaties hebben,

  1. Dysmenorrhoe wordt bij vrouwen van 29 jaar en ouder veel minder frequent

aangetroffen dan op jongere leeftijd,

  1. Vrouwen met kinderen hebben veel minder vaak last van dysmenorrhoe dan

gehuwden zonder kinderen en ongehuwden,

  1. Vrouwen met een hypermenorrhoe hebben een grote kans op dysmenorrhoe-

klachten, welke dan veelal zo ernstig blijken te zijn, dat arbeidsverzuim het

gevolg is,

  1. De kans op dysmenorrhoe neemt toe naarmate de menstruatieduur langer is.

138

SUMMARY

In this study the results have been laid down of two investigations, the object of which was to get an insight into some facets of the occurrence of dysmenorrhoea and absenteeism on account of it.

The extent of actual absenteeism due to dysmenorrhoea was studied by means of a retrospective investigation into absenteeism of female PTT personnel due to illness in Rotterdam in 1957, 1958, 1959.

Furthermore, by means of directed interviews, female applicants were questioned on the occurrence of dysmenorrhoea and absenteeism on account of dysmenorrhoea. 466 female applicants for a function with the PTT in Rotterdam were interviewed between 1957 and mid-1960, and 542 women who applied for a function with Algemene Kunstzijde Unie N.V. at Arnhem between 1961 and mid-1964. On basis of the information obtained an attempt was made to find an answer to the follow- ing questions :
– How often does dysmenorrhoea occur with otherwise healthy women and what

factors are thereby involved?
– How often does dysmenorrhoea cause absenteeism and what factors are thereby

involved?
– To what extent can, during medical examination a prediction already be made

about the expected occurrence of dysmenorrhoea and absenteeism on account

of dysmenorrhoea?
In order to trace a possible relationship between the age of the menarche and the menstrual cycle with the occurrence of dysmenorrhoea complaints, an inquiry was also made into this. Before relating the information obtained to the occurrence of dysmenorrhoea, it was also elaborated separately.

In elaborating the information, the women we interviewed in Rotterdam were referred to as Rotterdam women and those in Arnhem as Arnhem women.

In chapter 2 a survey is given of the results of the investigation concerning the age of the menarche. The median age of the menarche at Rotterdam was 13.85, that at Arnhem being 13.68. Of the Rotterdam women 96.8 % menstruated before the age of 17; the percentage at Arnhem was 98.9%.

For the Rotterdam women born between 1925 and 1945, a significant decrease of the mean age of the menarche by 0.7 year per decade was found. Those of the Rotterdam women having a pycnic physique, appeared to commence menstruating significantly earlier on an average than those with an asthenic physique.

In chapter 3, information is given about the menstruation and the menstrual cycle. 139

First of all, the difficulty is pointed out of getting a correct idea of the menstruation pattern by means of interrogation. Even when applying a careful interrogation technique, inaccuracies in the statements, especially in regard of the duration and the degree of variation of the menstrual cycle, do not seem avoidable.

The cycle duration of 85 %, resp. 86 % of the women who stated having a fairly constant menstrual cycle duration, appeared to be 28, 29 or 30 days; with 10.6% resp. 11.7% it was shorter than 28 days and with 3.2% resp. 3.3% the duration exceeded 30 days. Any correlation of the menstrual cycle duration with the civil status, parity, age, the number of years of menstruation, the degree of loss of blood during the menses, or the physique could not be proved.

With 73.3 % of the Rotterdam and 84.3 % of the Amhem women, the variation in the menstrual cycle duration did not exceed 3 days. In the age group 22 u/i 24, the cycle was more regular than in the case of younger women. For the women involved in the investigation this greaterregularitycould, however, not be explained by a difference in biological age (the number of menstrual years of the women).

With respect to the Rotterdam women of the interview-investigation, the mean menstruation time was 5.22 days; that of the Amhem women was 5.15 days. For the women of both towns the intensity of the menstrual fluxus appeared to be stronger according as the number of menstruation days was higher.

With 94.4 % of the women examined at Rotterdam and 97.8 % of those examined at Arnhem, the maximum variation of the menstruation time was one day.

It is difficult to determine objectively the degree of loss of blood during the menses. In the interview-investigation, it was tried to objectify at least by applying the gradations ‘much, moderate and little’. The gradation ‘much’ was used only if the menstrual fluxus was attended by clots. The gradations ‘moderate’ and ‘little’ could not be applied but subjectively.

With 13.3 % of the Rotterdam women and 6.1 % of the Amhem women involved in the interview-investigation, clots appeared to occur during the menses. Apart from the connection of the intensity of thefluxuswith the duration of the menstru- ation, no correlation with other factors could be proved.

Chapter 4 contains a literature study on the correlation between menstruation and labour.

In successive order will be discussed the influence of labour on the age of the menarche, the influence of the menstrual cycle on the physical performance capacity, the influence of work on the menstrual cycle and the correlation between the occurrence of dysmenorrhoea complaints and the profession.

In chapter 5, an observation is given on the content of the term dysmenorrhoea. During our own investigation was understood by dysmenorrhoea : all periodically occurring complaints of menstrual pain and indispositions, which commence shortly before or during menstruation and cease some hours after the beginning or at the latest simultaneously with the menses.

Furthermore a survey is given of the clinical symptoms and the etiology of the secondary and the primary dysmenorrhoea.

The results of the interview-investigation concerning the occurrence of dysme- norrhoea and the correlation of certain factors have been laid down in chapter 6.

140

Of the Rotterdam women, 54.1% had dysmenorrhoea complaints in the year preceding the interview. The percentage of Amhem women was 59.4%. Proper comparison of these figures with the results of investigations made by other authois is difficult, due to the fact that not always the same is understood by ‘dysmenorrhoea’.

In the age-group from 19 u/i 29 there were relatively more women having dysmenorrhoea complaints than the younger or older women.

Dysmenorrhoea occurred less frequently with married women than with those who were unmarried. It appeared thereby, however, that the civil status as such did not play a part whereas parity did. With married women having children, dysmenorrhoea occurred far less frequently than with unmarried women and married women without children. There was no difference in the occurrence of dysmenorrhoea between unmarried women and women without children.

Both at Rotterdam and at Amhem, dysmenorrhoea appeared to be less frequent with women who menstruated 3 years or shorter than with those who had the menarche longer ago.

In our investigation, dymenorrhoea was found less often with women whose menses lasted less than 5 days than with women having a longer menstruation period. Women who lost clots during the menstrual bleeding appeared to be troubled more often by dysmenorrhoea than the other women. Women with a low loss of blood, had dysmenorrhoea complaints less frequently than those coming under the group ‘moderate’ or ‘much’.

A correlation of the occurrence of dysmenorrhoea with physique and school- education was not found with respect to the women interviewed.

In chapter 7 the problem of absenteeism is elucidated. With the aid of a literature study some medical and non-medical facets are further discussed.

Absenteeism due to dysmenorrhoea is discussed in chapter 8. Following a literature study on the occurrence of absenteeism on account of dysmenorrhoea and its share in total absenteeism due to illness, a survey is given of the retrospective investi- gation into absenteeism on account of illness of Rotterdam women for the years 1957, 1958 and 1959.

Absenteeism due to dysmenorrhoea appeared to occur with 13 to 17.7 % of the women. Of those older than 29 years, the number of absentees was relatively much lower than that of the younger women.

With 401 women, 12.8% of 896 cases of absenteeism due to illness in 1959 was caused by dysmenorrhoea. In the age group 19 u/i 21, as much as 19.1% of the cases of absenteeism was attributable to dysmenorrhoea.

Out of 5,790 absence-days in 1959, 149 (2.57%) were attributable to dysme- norrhoea. In 1959 the average absence of the 401 women was 2.24 times, of which 0.29 time was due to dysmenorrhoea. The women absent on account of dysme- norrhoea, did so 1.8 to 2 times per annum on an average. In the age group from 19 u/i 21, the average frequency rate was highest: both for dysmenorrhoea (0.58) and all other reasons together (2.45). For women older than 29, the frequency rate on account of dysmenorrhoea is low due to the relatively low number of absentees among older women. The average duration of absenteeism due to dysmenorrhoea (severity rate) was 1.3 day. In 77 % of these cases, however, absence did not exceed

141

one day. In total more than 60% of the women absent due to dysmenorrhoea did so only one or two days a year on account of this.

On the analogy of SVENNERUD’S investigations, the absence pattern of women absent on account of dysmenorrhoea was compared with that of the women absent in 1959 for other reasons. In 1959, 65 women were absent due to dysmenorrhoea (‘dysmenorrhoe groep’) and 336 for other reasons (‘anderen’).

The average number of absence days of women of the ‘dysmenorrhoe groep’ per annum (disability rate) was only half a day higher than that of the ‘anderen’. The build-up of absenteeism for both groups, however, was quite different: absenteeism of the ‘dysmenorrhoe groep’ was much more frequent and shorter than that of other women. When the dysmenorrhoea cases were left out of consideration, there appeared for the other causes of absenteeism to be no longer any difference in frequency rates between the two groups. However, for all absence causes other than dysmenorrhoea the average duration of the absence cases of the ‘dysmenorr- hoe groep’ was shorter than that of ‘anderen’. With the women of the ‘dysme- norrhoe groep’, the cases of absenteeism on account of dysmenorrhoea had, as it were, been superposed on absenteeism for other reasons.

By means of the interview-investigation, data about absenteeism on account of dysmenorrhoea were collected. Of the 466 Rotterdam women interviewed, 62 (13.3%) were absent once or more often due to dysmenorrhoea in the year pre- ceding the interview; of the 542 women at Amhem, 97 (17.9%) were absent for this reason.

Absenteeism on account of dysmenorrhoea appeared not to have the same frequency at all ages ; in the ages u/i 18, relatively fewer absentees were found than in the age group 19 u/i 21. For the dysmenorrhoea patients, however, the chance of absenteeism due to dysmenorrhoea was equally great at all ages. The relative age difference in the number of absentees is a result of the age differences in the occurrence of dysmenorrhoea complaints.

Absenteeism on account of dysmenorrhoea occurred less frequently with married women than with those who were unmarried ; this, however, appears to be due to a difference in the occurrence of dysmenorrhoea between the two groups. The low number of absentees among the married women is caused by the married women with children, who appeared to be far less troubled by dysmenorrhoea than married women without children and unmarried women.

Independent of the established difference in the occurrence of dysmenorrhoea among women with heavy losses of blood during the menses and the women with a less strong fluxus, the occurrence of absenteeism due to dysmenorrhoea at Amhem women also appeared to have a similar relationship with the degree of loss of blood. Both the number of women with dysmenorrhoea complaints and the seriousness of the complaints increased with the increase in the intensity of the menstrual bleeding.

Absenteeism on account of dysmenorrhoea appeared to occur more frequently with women menstruating longer than 4 days than with those having a shorter menstruation period. The reason is that the former are troubled more frequently by dysmenorrhoea than the latter.

Physique and school-education of the women involved in our interview-investi- gation appeared to have no direct or indirect relation with the occurrence of absenteeism on account of dysmenorrhoea.

142

One of the questions we asked at the beginning of the interview-investigation was if it would be possible to predict, on basis of some examination data concerning the applicant, the extent of absenteeism on account of dysmenorrhoea.

Stress is laid on the difficulty of this, because:
a. both with an either disturbed or undisturbed progress of the menses and with

the need of an individual to absent herself on account of indisposition, the

psyche plays an important role ;
b. non-medical factors have a very great influence on the absence pattern of the

employee.

From our investigations the following conclusions can be drawn :

  1. Women menstruating only a few years are less often troubled by dysmenorrhoea

than those menstruating a longer period.

  1. Dysmenorrhoea appeared to occur far less frequently with women aged 29 or

older than with younger women.

  1. Women with children are far less often troubled by dysmenorrhoea than married

women without children and unmarried women.

  1. Women with a hypermenorrhoea have a great chance of dysmenorrhoea

complaints, which then often appear to be serious enough to cause absenteeism.

  1. The chance of dysmenorrhoea increases with the lengthening of the menstru-

ation period.

143

LITERA TUURLIJST

ABRAMSON, D. & D. E. REÍD. Primary dysmenorrhea, treatment with Relaxm – Obstet. Gynec. 12 (1958), 123-130.

Age of menarche (editorial) – Brit med. J. π (1960), 369
ALLEN, Е. Irregularity of menstrual function – Amer J. Obst. Gynec 25 (1933), 705-709. ANDREAS, H Die Leistungsfähigkeit der gesunden Frau im Verlauf der Menstruationszyklus –

  1. àrztl. Fortbild. 55 (1961), 1344-1349
    AREY, L. в Degree of normal menstrual irregularity • analysis of 20,000 calendar records from

1,500 individuals – Amer. J. Obst Gynec. 37 (1939), 12-29.
ARTHURE, H Spasmodic dysmenorrhea – Bnt J. clin Pract. 11 (1957), 887-892.
ASPLUND,j. The uterine cervix and isthmus under normal and pathological conditions. – Acta

radiol. Suppl 91 (1952).
ASSEN, F. j . j . VAN. Premenstruele spanning – Diss. Leiden, 1962.
BAETJER, A. M. Women in industry their health and efficiency. Philadelphia, 1946.
BARTELMEZ, o. w. Histological studies on the menstruating mucous membrane of the human

uterus. – Contr. Embryol. 24 (1933), 141.
BELL, w. в. The principles of gynaecology. London, 1910
BILLIGjr., Η. E Dysmenorrhea: the result of a postural defect -Arch. Surg. 46 (1943), 611-613. BISHOP, p. M F. Endocrine therapy of dysmenorrhoea. – Bnt. med. J. u (1961), 1352. BJÖRNSSON,j. Ueber die normale Variabilität des menschlichen Menstruationsintervalles. –

Arch. Gynäk. 164 (1937), 619-623
BLUMBERG, M. s. A syllabus on work absence. – AMA Arch ind Health 13 (1956), 55-70. BOJLÉN, к , G. RASCH & м. w. BENTZOv The age incidence of the menarche in Copenhagen. –

Acta obstet, gynec. scand 33 (1954), 405-433.
BOK, s т. D e ziektebarometer m Nederlandse bedrijven – Mens en Onderneming 2 (1948),

354-381.
BOLK, L. The menarche in dutch women and its precipitated appearance in the youngest gener­

ation. – Kon. Ned. Akad Wet. 26 (1923), 650-663.
BOS,J. Over de beperking van het ziekteverzuim. – Sociaal Maandblad Arbeid 12 (1957), 9,

501-513.
BOUWDIJK BASTIAANSE, M A. (red ) Leerboek der vrouwenziekten. Amsterdam. 1956
BOYD, ρ s. & м VALENTINE. World-association test in dysmenorrhoea : a polygraph investi­

gation. – Bnt med. Psychol. 26 (1953), 58-63.
ΒΟΥΝΤΟΝ, R. E Study of menstrual histories of 2,282 university women. – Amer. J. Obst.

Gynec. 23 (1932), 516-524.
BURGER, G c. E Ziekteverzuim als bedrijfsgeneeskundig en sociaal probleem. – T. Soc. Geneesk.

42 (1946). 463, 497, 542, 653 en 670.
BURNELL, м. R Health maintenance program for women in industry -JAMA 124 (1944), 683-687. BUTLER, E в. & E. MCKNIGHT. Vitamine E in the treatment of primary dysmenorrhoea. – Lancet I

(1955), 844-847.
CAPEL, Ε н. The short term absentee – the problem among marketing employees. – Med. Bull.

Stand. Oil Co. 15 (1955), 46-53.
CARP, A.E.D.E. De neurosen. Amsterdam, 1947
CLASON, D. j . Dysmenorrhoe-frékvensen. En belydesefull social faktor. – Svenska Läk. tidn.

27 (1946), 1772-1779.

144

COOKE, w. R The differential psychology of the American women. – Amer. J. Obstet. Gynec. 49 (1945),457-472.

coppEN, A. The prevalence of menstrual disorders in psychiatric patients. – Bnt. J. Psychiat. I l l (1965), 155-167.

COPPEN, A & N. KESSEL. Menstruation and personality. – Bnt J. Psychiat. 109 (1963), 711-721. CORNWALL, c. j. & P. А. в. RAFFLE. Sickness abscence of women bus conductors in London

Transport (1953-1957) – Bnt J. industr. Med. 18 (1961), 197-212.
CURTÍS, A H Textbook of gynecology. Philadelphia 1944.
CURTIUS, F. & к. н. KRUEGER. Das Vegetativ-endokrine Syndrom der Frau. München, 1952. DALTON, К. Effect of menstruation on schoolgirls’ weekly work. – Bnt. med J. ι (1960a), 326-327. DALTON, к. Schoolgirls’ behaviour and menstruation. – Bnt. med. J и (1960b), 1647-1649. DALTON, к. Menstruation and accidents. – Bnt med. J. u (1960c), 1425-1426
DALTON, К. Menstruation and c n m e – B n t med J. π (1961), 1752-1753.
DAVIS, A A. Dysmenorrhoe, its aetiology, pathology and treatment. London, 1938.
DENERLY, R A. Some effects of paid sick leave on sickness abscence. – Bnt. J. indust. Med. 9

(1952), 275-281
DEUTSCH, H. The psychology of women. – vol i. pag 118-145. London, 1947. DEVERE,R.D.Theproblemofdysmenorrhoea.-Practitioner 185(1960),308-315.
DICK, А. с. e.a. Menstrual excercises: absenteeism decrease and work efficiency increase. –

Indust. Med. 12 (1943), 588-596
DOELEMAN, F. Ρ J. Geneeskundige ziektestatistiek en ziektecontrole – Diss Amsterdam, 1928. DORING, G к. Ueber Veränderungen der Atmung wahrend der Cyclus. – Arch. Gynäk. 182

(1953), 746-758
DÖRING, G. K. Die Reaktion auf Sinnesreise im Verlauf des Menstruationszyklus. – Dtsch med.

Wschr. 79 (1954), 885-886.
DÖRING, G. K. Keimdrusenfunktion und Leistungssport bei der Frau. – Dtsch. med Wschr.

88 (1963), 1721-1725
DÖRING, G. K. & E. SCHAEFERS. Ueber Veränderungen der Pupillenweite im Rhytmus der Men-

struationszyklus – Arch. Gynäk. 179 (1951), 585-593.
DOYLE, j . в. Paracervical utenne denervation by transsection of the cervical plexus for the relief

of dysmenorrhea – A m e r J. Obstet Gynec. 70 (1955), 1-16
DOYLE, J в. Cervical tampon-synchronous test for ovulation, simultaneous assay of glucose

from cervix and follicular fluid from cul-de-sac and ovary byculdotomy. – JAMA 167 (1958), 1464-1469.

DRILLIEN, с M. A study of normal and abnormal menstrual function in the Auxilliary T emtonal Service. – J . Obstet. Gyn. Bnt. Emp. 53 (1946), 228-241.

DROESE,w. e.a. Energetische Untersuchung der Hausfrauenarbeit. – Arbeitsphysiologie 14 (1949), 63.

DÜNTZER, E. & M. HELLENDALL. Einwirkungen der Leibesübungen auf weibliche Konstitution Geburt und Menstruation. – Munch, med Wschr 76 (1929), 1835-1838.

Dysmenorrhoea (editorial) – JAMA 168 (1958), 1660-1661.
EVERS, I. С. G. Statistische opgaven omtrent het begin en ophouden der menstruatie Ned. T.

Geneesk. 9 (1873),407-408.
EwiNG, R. E. Study of dysmenorrhea at home office of Metropolitan Life Insurance company.

– J. industr. Hyg. 13 (1931), 244-251.
FAZEKAS, i. G. & A JAKOBOVTTS Zustand der weiblichen Geschlechtsorgane und Selbstmord.

– Zbl Gynàk. 78 (1956), 420-428
FLUHMANN, с. F. The management of menstrual disorders. Philadelphia, 1956.
FORSSMAN,s. Women at work; Health and social medical problems related to the employment

of women – In: Occupational health. Proceedings xrvth Int. Congress, Madrid 1963.

Amsterdam. Exc Med Found , 1963.
FORSSMAN, s l’Absentéisme dans l’industne. – Bull WHO 13 (1955), 505-512.
FORTUIN, G. J. Sickness Absenteeism – B u l l WHO 13 (1955), 513-541.
FORTUIN, G. J. Het ziekteverzuim voor en na de invoering van de 5-daagse werkweek. – Mens en

onderneming 16 (1962), 296-309
FURUHJELM, M. Dysmenorrhea, a follow-up study of 182 cases. – N o r d Med. 69(1963), 101-103,

gecit. vlgs. Med Farmac. Med. 2 (1964), 225-226.
GAFAFER, W . M. Industrial sickness absenteeism. – Pubi HIth. Rep. (1952), 450.
GARETT, w. M. A physiological background to spasmodic dysmenorrhoea. – Med. J. Aust. 47

(1960), 458-460.

145

GÄNSSBAUER, н. Ueber das Wesen der Dysmenorrhoe. – Zbl. Gynäk. 63 (1939), 1728-1733. GOLUB, L. J. e.a. Teenage dysmenorrhoea. – Amer. Obstet. Gynec. 74 (1957), 591-596.
GOLUB, L. J., w . R. LANG & H. MENDUKE. Dysmenorrhea in high school and collegegirls ;

relationship to sports participation. – West. J. Surg. 66 (1958), 163-165.
GOLUB, L. J. A new exercise for dysmenorrhea. – Amer. J. Obstet. Gynec. 78 (1959), 152-155. GOLUB, L. J. Further evaluation of a therapeutic excercise for teen-age dysmenorrhea. – Obstet.

and Gynec. 16 (1960), 469-471.
GOLUB, L. J., H. MENDUKE, & w. R. LANG. Some characteristics of the menarche. – Amer. J.

Obstet. Gynec. 87 (1963), 77-79.
GOLUB, L. J. Teen-age dysmenorrhea and social adjustement. – Amer. J. Obstet. Gynec. 85

(1963a), 433-436.
GOLUB, L. J. e.a. One component of an exercise for dysmenorrhea. – Obstet. Gynec. 22 (1963b),

324-325.
GREENBLATT, R. B. & w. F. BARFIELD e.a. Priscoline in the therapy of dysmenorrhea. – Amer. J.

Obstet. Gynec. 61 (1951), 565-572.
GREENBLATT, R. в. & D. o. HAMMOND e.a. Membranous dysmenorrhea: studies in etiology and

treatment. – Amer. J. Obstet. Gynec. 68 (1954), 835-844.
GRIFFITH,R.M.&J.M.LITTLE. Vasodilatorsintreatmentoffunctionaldysmenorrhea.- South.

  1. J. 42 (1949), 1082-1086.
    GROOT, J. DE. Factoren in het ziekteverzuim. – T. soc. Geneesk. 28 (1950), 279-283.
    GROOT, M. J. w. DE. Controlegewoonten en ziekteverzuim. – Mens en Onderneming 8 (1954),

332-348.
GROOT, M. I. w. DE. Betekenis van niet-medische oorzaken van ziekteverzuim voor het Neder­

landse bedrijfsleven. – Mens en Onderneming 8 (1954a), 251-268.
GROOT, M. j . w. DE. Over kort verzuim in de metaalindustrie. – Mens en onderneming 9 (1955),

441-455.
GROOT, M. J. W. DE. Kwantitatieve benadering van het verzuim door neurosen bij Nederlandse

fabrieksarbeiders. – Diss. Leiden, 1958.
HAMAN, j. o. Pain Threshold in dysmenorrhoea. – Amer. J. Obstet. Gynec. 47 (1944),

686-691.
HAMAN, j. o. Excercises in dysmenorrhoea. – Amer. J. Obstet. Gynec. 49 (1945), 755-761. HAUSER, G. Α. e.a. Der Einfluss des Menarchealters auf das Menopausealter. – Gynaecologia

152 (1961),279-286.
HAUSER, G. A. e.a. Menarche und Menopause in Israël. – Gynaecologia 155 (1963), 39-47. HAYDEN, E. Relief of primary Dysmenorrhea. – Obstet. Gynec. 16 (I960), 730-733.
HENKES, i. с Neusziekten en dysmenorrhoe. – Ned. T. Geneesk. 57 (1913), 327-333. HERSCHBERG, A. D. La psychoprophylaxe de la dysménorrhée primaire fonctionnelle. – Gynéc.

prat. 14 (1963), 385-395.
HESSELTINE, н. с. Specific problems of women in industry. – JAMA 124 (1944), 692-697. HETTINGER, ΤΗ. Arbeitsphysiologische Betrachtungen zur Frauenarbeit. – in: R. SCHRÖDER,

Probleme der berufstätigen Frau. Leipzig, 1957.
HIRSCH, M. Dysmenorrhoe in Beziehung zu Körperbau und Konstitution. – Zbl. Gynäk. 47

(1923), 1541-1549.
HOFSTÄTTER, R. Die Frau im Berufsleben. – in : Handbuch der gesammten Arbeitsmedizin.

Berlijn, 1962. Band πι, 659-730.
HOSEMANN, Η. Frauensport und Menstruationszyklus. – Dtsch. med. Wschr. 85 (1960), 13-18. HOYTEMA,D.G.VAN&L.A.JOOSSE. in:Gynaecologievoordemedicuspracticus-pag.62e.ν.

Leiden, 1950.
HUNTER, R. G. e.a. The action of papain and bromelain on the uterus. – Amer. J. Obstet. Gynec.

73 (1957),867-874.
INGERSOLL, F. & J. v. MEIGHS. Presacral neurectomy for dysmenorrhea. – New. Engl. J. Med.

238 (1948), 357-360.
ISAMBERT-JAMATI, v. Les facteurs familiaux et professioneis de l’absentéisme feminin. – Rev.

franc. Trav. 13 (1959), 19.
ISRAEL, s. The onset of menstruation in Indian women. – J. Obstet. Gyn. Brit. Emp. 66 (1959),

311-316.
IVERSEN, J. & в. HANSEN. Gymnastike ovelser i behandlingen af dysmenorrhoea. – Nord. Med.

70(1963), 1194-1196.
JEFFCOATE, т. N. A. & s. LERER. Hypoplasia of uterus with special reference to spasmodic

dysmenorrhoea. – J. Obstet. Gyn. Brit. Emp. 52 (1945), 97-121. 146

joossE, L. Α Over menstruatie en andere functionele bloedingen, – Ned T. Verloste 51 (1951), 278-292.

joossE, L. A. Functionele bloedingen uit de baarmoeder – Ned T. Geneesk 103 (1959), 1667- 1672.

KAHNE, н. R. e.a Age and absenteeism. – AMA Arch. Industr. Health 15 (1957), 134-147. KIKILLIUS, в. Die Mortalität interner Erkrankungen und der Genital Cyclus – Diss. Mainz,

1960
KIRKELS, v. G H. J Dysmenorrhoe en arbeidsverzuim – T. soc Geneesk. 42 ( 1964), 647-651. KNUTH,G. DasroteBlutbildimmensuellenZyklusderFrau -Diss Berlin,1937.
коек VANLEEUWEN, J. А с. DE Verzuimgeneigdheid bij militairen – Diss Leiden, 1958. KOLK, J. J. De menarcheleeftijd – T. soc. Geneesk 40 (1962), 645-651
KONIG, P. A. Statistischer Beitrag zum Dysmenorrhoe-Problem. – Arch Gynäk. 192 (1959),

174-191.
KOPPICH, A. e a. Beitrage zum Studium des Einflusses gynäkologischer Erkrankungen auf die

Arbeitsleistung am laufenden Band in der Konfektionsindustrie. – Arch. Gewerbepath.

Gewerbehyg 16 (1958), 490-502
KRAFFT-EBING, R. VON Psychosis menstrualis Stuttgart, 1902
KRAU-6ER¿EK, L. The influence of foods, body build and social origin on the age at menarche

– Hum. Biol 28 (1956), 393-406.
KRAUT, Η e.a. Die Arbeitsbelastung der Hausfrau. – Internat Ζ. Angew Physiol. 16 (1956),

275-302.
KRETSCHMER, E Korperbau und Charakter Berlijn, 1955
KRONENBERG, M.H. Working conditions for female employees. – JAMA 124 (1944),677-683. KUSTNER, H. Behandlung der Dysmenorrhoe – Ber. ges Gynäk. Geburtsh. 24 (1933),

593-603.
LAKEMAN, M. R. Menstrual pam amongst industrial women. – New. Engl. J Med. 209 (1933),

237-239.
LANALDE, G „Working women and gynaecological disorders”. – Arch. Mal. prof. 23 (1962), 167-169.
LAND, G. M.VAN’τ & J.H.DEHAAS, Menarcheleeftijd in Nederland Ned T. Geneesk. 101

(1957), 1425-1431.
LANDHEER, G. De huisarts en het ziekteverzuim van zijn patiënten. – Medisch Contact 11 (1956),

717-721
LETTING, O. Menarchealdern hos skolepiker ι Oslo og dens forhold til fysik utviklmg. – Nord.

Kong. Berne- og Ungdomshygiejne (1953), 105.
LOWE, C.R. Λ R L FERGUSON. Age incidence of dysmenorrhoea – Brit. J. Med 5(1950,193-197. LUKAS, к. н Die Dysmenorrhoe Stuttgart, 1965
MACHT, D. ι. Further histological and experimental studies on menstrual toxine. – Amer. J.

med. Sci. 206 (1943), 281-305.
MARGULIES, H H. Spastic dysmenorrhea in industrial workers. – Brit J. phys. Med. 17 (1954),

49-50.
MARKEE, J. E. Menstruation in intraocular endometrial transplants in the Rhesus monkey. –

Contr. Embryol. 28 (1940), 219.
MARSHALL, J. Predicting length of menstrual cycle. – Lancet ι (1965), 263-265.
MAYER, A Frau und Unfall. – Med. Klin 53 (1958),405-408.
MAZER, с. & s. L. ISRAEL Diagnosis and treatment of menstrual disorders and sterility. New

York. 1959*.
MCCAIN, J. R. & J. F. OLLEY. The effect of an oral nasal decongestant upon the menstrual cycle.

– Amer J. Obstet. Gynec. 87 (1963), 354-363
MCKINNON, P. С. В. & ι. L. MCKINNON. Hazards of the menstrual cycle. – Brit. med. J ι (1956),


  1. MEAKER, s. R. A preliminary note on dysmenorrhoea as an industrial problem. – J industr.

Hyg 4 (1922), 49-52.
MENAKER, J. s. & K. D POWERS. Management of primary dysmenorrhoea. – Obstet Gynec. 20

(1962), 66-71.
MENDES DE LEÓN, M. A. Dysmenorrhoe. – Ned T. Verlosk. Gyn. 7 (1896), 241-256. Menstruation and sport (editorial) – Brit med J и (1963), 1548.
Menstruation and personality (editorial) – Brit med J ι (1964), 1000
MEULEMAN, L. E. Het verband tussen menarche, huwelijk en zwangerschap bij inlandse vrouwen

in Nederlands-Indie. – Geneesk. Τ. ν. Ned. Ind. 77 (1937), 2413-2425.

147

MEUwissEN, j . н . Huwelijksonvruchtbaarheid. E e n onderzoek in Ghana. – Diss. Nijmegen, 1965.

MEYER-RÜEGG, H . Zur Dysmenorrhoefrage. – Zbl. Gynäk. 48 (1924), 2045-2047.
MILLER, N. F. Additional light on the dysmenorrhoea problem. – JAMA 95 (1930), 1796-1803. MILLER,N.F.&s.j.BEHRMAN. Dysmenorrhea.- Amer.J.Obstet.Gynec.65(1953),505-516. MILLS, с A. Climate and disease. – JAMA 123 (1943), 551-557.
MILLS, w . Dysmenorrhoe. – Proc. roy. Soc. Med. 50 (1956), 243-245.
MOIR, с Recording contractions o f the human uterus. – Trans. Edin. Obstet. Soc. 5 4 (1934),

93-120.
MORTON, j. H. Premenstrual tension. – Amer. J. Obstet. Gynec. 60 (1950),343-352. MUNTENDAM,P. Interimrapport van de Commissie voor de invloed van het arbeidsverzuim op

de arbeidsproduktiviteit. ‘s-Gravenhage, 1954.
MUSHLiN, R. Dysmenorrhea can b e costly. – Industr. Med. Surg. 30 (1961), 241-244.
NAUTA, τ. Onderzoek naar d e achtergronden v a n ziekteverzuim in een bedrijf. – Diss. Amster­

dam, 1963.
NAVARRO-MARTÍNEZ, p. Influencia del ciclo genital de la mujer sobre el trabajo. – Med. Segur.

Trab. 10 (1962), 39-44.
NIXON, w . с . w . Menstrual disorders a s a psychosomatic manifestation. – Practitioner 1 7 7

(1956), 589-597.
NOACK, H. Schwankungen der muskulären und psychomotorischen Leistungsfähigkeit der Frau

im Menstruationszyklus. – Zbl. Gynäk. 7 8 (1956), 1996-2001.
NOACK, H. D e r Einfluss v o n Menstruation u n d Schwangerschaft a u f d ie Leistungsfähigkeit

der Frau. – in: R. SCHROEDER – Probleme der berufstätigen Frau. Leipzig, 1957.
NOVAK, Е. & s. R. м. REYNOLDS. The cause o f primary dysmenorrhea.-JAMA 99 (1932), 1466-1472. OELHERT, с . Die Berufstätige Frau in soziologischer und medizinischer Sicht. – Gynaecologia

(Basel) 151 (1961), 19-35.
PAS, J. H. R. VAN DER. Validiteitsschattingen. – Diss. Utrecht, 1964.
PATHAK,с L.& в.s.KAHALi. Cyclic variations in theeosinophil count during thephases of

the menstrual cycle. – J. Clin. Endocr. Metab. 17 (1957),862-869.
PETERS, H. &s. M. SHRIKANDE. A g e at menarche in Indian women. – Fértil & Steril. 8 (1957),

355-361.
PIERSON, w . R. & A. LOCKHART. Effect o f menstruation o n simple reaction and movement time.

– Brit. Med. J . ι (1963), 796-797.
PLATE, w . p. De eerste menstruatie. – Ned. T . Geneesk. 99 (1955), 2380-2382.
PLUMMER, N. &L. HINKLE. Sickness absenteeism. A . M . A . Arch. Industr. Health 11 (1955),

218-230.
PRICE,D.С.e.a. Thestudyofmenstrualandotherbloodlossandconsequent irondeficiencyby

Fej, wholebodycounting. – Canad. med. Ass. J. 90 (1964), 51-54.
PUOH, D. s., с CORDON & к. LEVY. Sickness abscence among railway clerical staff. – Brit. J.

indust. Med. 16 (1959), 269-273.
RANDALL, J. H. & L. D. ODELL. Primary Dysmenorrhea. – JAMA 123 (1943), 735-737. RANKIN,G.L.s.,Ν.VEALL.,R.o.HUNTSMAN& j.LIDDELL. Measurement with
61Cr ofred-cell

loss in menorrhagia. – Lancet ι (1962), 567-569. RAPPORTHORNSTRA,R.&A.TH.L.M.MERTENS. Overde„Probleem-envraagstellingmetbe­

trekking tot het begrip ziekte in d e Ziektewet”. – 1962.
RAPPORT VAN DER HORST en RÜMKE. – begrip ziekte – 1953.
RAPPORT HUMANS VAN DE BERGH – BAART DE LA FAILLE. T en aanzien van de definitie van het

begrip ‘ziekte’,1936.
ROGERS, J. Menstrual disorders (Current concepts). – New Engl. J. Med. 270 (1964), 356-359. ROUGIER, G. & γ . UNQUETTE. Menstruation e t exercises physiques. – Presse med. 7 0 (1962),

1921-1923.
RUSBACH, E. e.a. Menarcheleeftijd. – T. soc. Geneesk. 39 (1961), 411-415.
RYDE, D. H. The effect o f strenuous exertion o n women. – J. roy. Army. med. Cps. 103 (1957),

40-42.
SAMUELSSON,S. Menarche, Menopause und Reproduktionszeit des Weibes. – Acta Obstet.

Gynec. Scand. 22 (1942), 33.
SCHAR, E. & Е. RIEBER. – Quart. Rev. M. H. H. 17 (1961), 168 (réf. Ned. T. Geneesk. 105 (1961),


  1. SCHMIDT, A. L. c . De waarde van een placebo-behandeling bij dysmenorrhoe. – Ned. T. Geneesk.

108 (1964), 293-295. 148

SCHOENECK, F. j . The ‘normal’ menstrual cycle. – Obstet. Gynec. 9 (1957), 739.
SCHRÖDER, R. Die Klinik der normalen und gestörten mensuellen Cyclus. – Arch Gynäk 183

(1953), 204-236.
SCHRODER, R. Lehrbuch der Gynäkologie. Leipzig, 1959.
SCHUCK, F Pain and pain relief in essential dysmenorrhea – Amer. J. Obstet. Gynec. 62 (1951),

559-567.
SEELEN, J. c. Medicamenteuze toepassing van de oraal werkzame progestatieve stoffen. –

Anticonceptie – Kath. Artsenblad 42 (1963), 55-68
SHILOH, A. – Quart Rev. M. H. H. 17 (1961), 168 (réf. Ned T. Geneesk. 105 (1961), 1939). siMELL, G. – Acta paediat (Uppsala) suppl. no. 84.
SIMMONS, A. The relief of pain in spasmodic dysmenorrhoea by bromelain. – Lancet u (1958),

827-830.
SMITH, R. A. с & в. м NORRis. Dysmenorrhoea as an industrial health problem. – Brit. J. Clin.

Pract. 11 (1957), 462-463.
SMITH,o.w. Menstrual toxin – experimental studies. – Amer. J. Obstet. Gynec. 54 (1947)

201-211.
SMITH, о. w. & с. v. s. SMITH. A fibrinolytic enzyme in menstruation and late pregnancy

toxemia. – Science 102 (1945), 253-254.
SMITH, o. w. Menstrual toxin – experimental studies. – in. Earl т. ENGLE – Menstruation and

its disorders Springfield, Illinois, 1950
STANDER, H. J. Textbook of obstetrics New York, London, 1945
3.
STiEVE, H. Der Einfluss des Nervensystems auf Bau und Tätigkeit der Geschlechtsorgane des

Menschen. Berlin, 1952.
STOECKEL, w . Lehrbuch der Gynäkologie. Zunch, 1947.
STROINK, J. A. De menstruele cyclus bij normale vrouwen en de omstandigheden die daarop

invloed hebben. – Ned. T. Geneesk. 85 (1941), 3082-3089.
STROINK, J. A. Interne kraamzorg. – T. Soc. Geneesk. 43 (1965), 481-482.
STURGIS, M. C. Dysmenorrhoea in women employed in a large department store. – J. Industr.

Hyg. 5 (1923), 53.
SVENNERUD, s. Dysmenorrhoea and absenteeism (some gynaecologie and medico-social aspects).

– Acta Obstet. Gynec. Scand. Vol. 38 (1959), suppl 2.
SWAAK, A. J. Onderzoek naar de voeding en voedingsgewoonten bij meisjes van 14-23 jaar m

Maastricht en omgeving. – Voeding 16 (1955), 956-976.
SWAAK, A. i. Menstruatie en arbeidsverzuim. – Arts en Soc. Vera 3 (1965), 46-47.
TAYLOR, м. Clinical study of menstruation with special reference to primary dysmenorrhoea. –

  1. Obstet. Gynec. Brit. Emp. 49 (1942), 341-367.
    THEOBALD, G. w. Some gynaecological aspects of referred pain. – J. Obstet. Gynec. Bnt. Emp.

53 (1946), 309-327.
TIETZE, к. Der weibliche Zyklus und seine Störungen. – in: SEITZ-AMRACH Biologie und Patholo-

gie der Weibes, u. Band, Berlin, 1952.
TIETZE, K. Ueber die unregelmässige Regel. – Dtsch Med. Wschr. 82 (1957), 1223-1227. TIMMERMANS, L. A. O. I. Huwelijksbeleving van katholieke jonggehuwden. – Diss. Nijmegen,


  1. TROY, R. E. Psychiatric aspects of the causation of dysmenorrhea. – Diss. Univers. Colorado

Graduate School, 1951.
Uitstel der menstruatie (Redactioneel) – Ned. T. Geneesk. 97 (1953), 3059.
VOLLMAN, R. F. The degree of variability of the length of the menstrual cycle in the correlation

with age of woman. – Gynaecologia (Basel), 142 (1956), 310-314.
WACHHOLDER, К. & ι. DÄHN. Kritische Betrachtungen und Untersuchungen zur Goodmanschen

Theorie der extragenitalen Wellenbewegung bei der Menstruation. – Geburtsh Gynäk. 135

(1951), 27-39.
WADE, L. A ‘human relations’ approach to sickness, absenteeism and other employee problems.

– A. M. A. Arch. Industr. Health 12 (1955), 592-608.
WAGNER, H. Die Dysmenorrhoe als psychosomatisches Problem. – Ζ. Geburtsh. Gynäk. 135

(1951), 12-27.
WALLAU, F. Korperbautypus und Menstruation. – Zbl. Gynäk. 63 (1939), 1830-1838.
WHITE, с e.a. Diseases of women. London, 1949
9-p. 108 e.v.
WILSON, о. с Sc I. SUTHERLAND. Further observations of the age of menarche. – Bnt. med. J. π

(1950), 862-866.

149

WILSON, L. & R. KURZROK. Studies on the motility of human uterus in vivo. – Endocrinology 23 (1938), 79-86.

WINKLER & SCHLUCK, Umwelteinflüsse, in : SEITZ-AMRACH. Biologie und Pathologie des Weibes. Berlin, 1952.

wiTTKOWER, E. & A. WILSON. Dysmenorrhea and sterility; personality studies. – Brit. med. J. и (1940), 586-590.

WOODBURY, R. A. The physiology and pharmacology of the myometrium. – in : Earl т. ENOLE – Menstruation and its disorders. Springfield, Illinois, 1950.

YOUNGMAN, s. A. Emotional stress in dysmenorrhea. – Industr. Med. Surg. 28 (1959), 69-70. ZIEKTE-EN ONGEVALLENVERZUIM 1947-1961. – Nederlands Instituut voor Preventieve Genees­

kunde. Leiden, 1962.

150

BIJLAGE – ST A TISTISCHE VERANTWOORDING VAN HET INTERVIEW-ONDERZOEK

Bij het statistisch onderzoek zijn de volgende toetsen toegepast.

  1. Rangcorrelatietoets van Kendall
    Rümke, C. L. en C. van Eeden: Statistiek voor Medici; Stafleu, Leiden (1961), p. 66 e.v.
  2. Toets van Wilcoxon voor twee steekproeven. Rümke, С L. en С van Eeden. (1961), p. 60 e.v.
  3. x^toets voor een 2 χ r tabel.
    H. de Jonge. Inleiding tot de Medische Statistiek, Deel ι (1958) p. 204 e.v.
  4. Toets van Kruskal-Wallis
    H. de Jonge. Inleiding tot de Medische Statistiek, Deel ι (1958) p. 246 e.v.
  5. χ2-toets voor een 2 x 2-tabel Rümke, C. L. en C. van Eeden p. 77
  6. Exacte toets voor een 2 x 2-tabel.
    J. Lieberman en B. Owen; Tables of the hypergeometric probability distri- bution (1961), Stanford University Press, Stanford, Cai.
  7. Binomiale toets voor een 2 x 2-tabel.
    С. van Eeden en J. Runnenberg ; Conditional limit distributions for the entries in a 2 x 2-table, Statistica Neerlandica 14 (1960) p. 111. Daarbij werd gebruik gemaakt van de „Tables of the binomial probability distribution” van het National Bureau of Standards, Applied Mathematics Series No. 6 (1950).

151

STELLINGEN

  1. Ieder mens heeft zijn eigen – vrij constante – verzuimpatroon.

(PLUMMER en HINKLE, AMA Arch. Industr. Health 11 (1955), 218-230).

  1. De controlerend geneeskundige kan slechts een geringe bijdrage leveren tot een beperking van het ziekteverzuim in een onderneming.
  2. De curatief-werkende artsen zullen, meer dan tot nu toe het geval is, moeten medewerken aan het verkrijgen van een optimaal ziekteverzuim.
  3. De verbeterde sociale – en met name definanciële- voorzieningen ten aanzien van langdurende arbeidsongeschiktheid en blijvende invaliditeit staan soms de mogelijkheid tot revalidatie en wederopneming in het arbeidsproces in de weg.
  4. Bij het ontwerpen, bouwen en inrichten van bedrijven en bedrijfsafdelingen zal, meer dan tot nu toe het geval is, rekening moeten worden gehouden met het scheppen en het onderhouden van een voor de werknemers gunstig arbeids- milieu en gunstige arbeidsomstandigheden.
  5. De vrije verkoop van orale anticonceptionele middelen is ethisch en medisch niet verantwoord.
  6. Het is ongewenst Neomycine als lokaal toegepast therapeuticum op de huid te gebruiken.
  7. Indien een bloedtransfusie overwogen wordt, dient men zich af te vragen of de noodzaak tot deze ingreep opweegt tegen het risico van met name het optreden van hepatitis.
  8. Wanneer tot behandeling van de zgn. Mallet-finger besloten wordt, verdient de primaire peeshechting de voorkeur boven andere behandelingsmethoden.
  9. De behandeling van ongevalspatiënten dient zo veel mogelijk te geschieden in daartoe ingerichte centra met traumatologisch geschoold medisch en ver- plegend personeel.
  1. Het verdient aanbeveling ook in Nederland de vaccinatie tegen pokken van het eerste naar het tweede levensjaar te verplaatsen.
  2. De mening van Hirsch en Peckham, dat een combinatie van oppervlakte- electroden en average computer te prefereren is boven de gebruikelijke speciale contactlens, nodig voor het afleiden van het electro-retinogram, is onjuist.

(HIRSCH, P. en R. H. PECKHAM. Detection of retinal activity. Bio/Medical Intrumentation-December 1964).

  1. De subsidiëring van toneelgezelschappen doet afbreuk aan de onderlinge competitie tot het leveren van individuele en groepstopprestaties.

Stellingen behorende bij J. J. Kolk, Dysmenorrhoe en ziekteverzuim, Nijmegen 1966

Toetsingsresultaten van het interview- onderzoek te

Arnhem

duurvande menstruele с>с!ич

variatiebrecdle of variabiliteit m de duur van de menstruele cyclus

mcnilrualicduur

variabiliteit in de menstruatteduur

dysmenorrhoe

verzuim wegens dysmenorrhoe

burgerlijke staat en pariteit

Lichaamsbouw Arnhem

Aantal jaren menstruatie

Leeftijd

Mate van bloedverlies

Dysmenorrhoe Rotterdam

  • * positieve correlatie

Verzuim wegens dysmenorrhoe

Rotterdam Arnhem

Burgerlijke staat en pariteit

Rotterdam

Rotterdam

negatieve correlatie

positieve correlatie

Arnhem Rotterdam

(*)

negatieve correlatie

– –

Arnhem

Rotterdam

Arnhem

positieve correlatie

<·)

Arnhem

Rotterdam

Arnhem

asthenicae langere duur dan ‘athleticae’

positieve correlatie

—-

Bij gehuwden met kinderen meer pycmcae dan asthenicae of athleticae dan bij ongehuwden.

<*)

idem voor gehuwden met kinderen t.o.v. gehuwden zonder kinderen

— ··

ongehuwden lagere leeftijd dan gehuwden met kinderen en gehuwden zonder kinderen

positieve correlatie

ΠχX X

Verklaring van de tekent gebruikt in tie tabel

— : niet significant (P > 0,10)
(·): overschrijdingskans 0,05 < Ρ < 0,10

  • ; „ 0,01 < F < 0,05
    · · : „ Ρ < 0,01
    Open vakken hebben betrekking op niet getoetste relaties.
    De vakken waarbij in rij en kolom dezelfde grootheid is aangegeven, zijn voorzien van het leken χ

Correhitie: Wij spreken van een positieve (negatieve) correlatie tussen twee grootheden, indien de waarde van de ene grootheid in het algemeen hoger is naarmate de andere hoger (lager) is. Wij noemen in de overzichtstabel een eigens;hap die slechts wei of niet kan optreden positief gecorreleerd meteen grootheid, indien genoemde eigenschap relatief vaker optreedt bij hoge dan

bij lage waarden van de grootheid en van negatieve correlatie indien het omgekeerde het geval is.

Bij variabele duur vaker veel bloedverlies

positieve correlatie

huwden met kinderen een normale duur dan een korte duur

f*)
positieve positieve correlatie correlatie

bij veel bloedverlies
raker constante duur vaker constante duur X^ correlatie

positieve correlatie

positieve correlatie

dan bij matig bloed­ dan bij weinig bloed­ verlies verlies

positieve positieve correlatie correlatie

22 t/m24jaar.vaker
constante duur dan
H I’m 18 en 19 t/m 2! jaar dan matig bloedverlies

bij matig bloed\crlies

negatieve

ongehuwden en gehuwden zonder kmderen vaker dys­ menorrhoe dan gehuwden met kinderen

ongehuwden en gehuwden zonder kinderen vaker dysmenorrhoe dan gehuw­ den met kinderen

ongehuwden vaker dan ge­ C)

 

 

Comment Section

0 reacties op “Onderzoek door het Radboud university over DYSMENORRHOE EN ZIEKTEVERZUIM

Plaats een reactie


*


This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.